Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 103

Chapter 1033,064 wordsPublic domain

Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden, doorzien, studeeren, luiden: They could not read the clock = op de klok zien; To read futurity = in de toekomst lezen; To read music = van ’t blad spelen of zingen; Read me that riddle = los me dat raadsel op; To read between the lines = tusschen de regels lezen; To read for an examination = studeeren voor; He read himself in = hield zijn intreerede; Can you read this off hand = dit zoo voor de vuist lezen? This may be read off both ways = gelezen worden op twee manieren; To read over the proofsheets = nalezen; He read out the 68th psalm = las hardop voor; To read to a person = iemand voorlezen; To read to oneself; I must read up for it first = er mij eerst inwerken; The book reads very well = laat zich goed lezen; The passage reads thus = de passage luidt aldus; To be better-, best-, ill-read = meer, het meest, weinig algemeen ontwikkeld; He is well-read in the classics = hij is goed thuis; Readable = leesbaar, lezenswaard; subst. Readableness; Reader = lezer, voorlezer, corrector, leesboek: The general reader = de lezer in ’t algemeen, de gewone lezer; Where is my English reader? Readership = lectoraat. Zie Reading.

Readiness, redinəs, gereedheid, bereidwilligheid, bereidvaardigheid, stiptheid: Readiness of mind (Readiness of wit) = tegenwoordigheid van geest; Readiness of speech = welbespraaktheid.

Reading, rîdiŋ subst. het lezen, voorlezing, belezenheid; discussie; adj. belust op lezen of studeeren, ijverig: I have done a lot of reading = hard gevost; The third reading of the bill will take place next week = de derde lezing (artikelsgewijze behandeling van het wetsontwerp); Balliol was not then a reading college = in het B. College werd destijds niet hard gestudeerd; I am not a reading man = ik houd niet van lezen; Reading-book = leesboek; Reading-desk (-stand) = lezenaar; Reading-lamp; Reading-party = excursie, studiereisje; Reading-room = leeszaal.

Reading, rediŋ.

Readjourn, rîədžɐ̂n, nogmaals verdagen; subst. Readjournment.

Readjust, rîədžɐst, opnieuw regelen en ordenen; subst. Readjustment.

Readmission, rîadmiš’n, wedertoelating; Readmission verb. Readmit; subst. Readmittance.

Readopt, rîədopt, weder aannemen.

Readorn, rîədön, opnieuw versieren.

Ready, redi, adj. gereed, klaar, bereid, snel, vlug, gemakkelijk, kort, geneigd, nabij, bij de hand, contant; Ready verb. klaar maken: Ready all! = klaar om te wenden! Ready for sea = zeilklaar (zeetermen); They made ready for the journey = zij maakten zich klaar voor de reis; Paid in ready money = contant; Ready-made = vooraf gemaakt: Ready-made clothing establishment = magazijn van confectie-artikelen; Ready-money transactions = handel à contant; Ready payment = contante betaling; Ready-reckoner = boek met tabellen om berekeningen gemakkelijk te maken; Ready-wit = gevatheid: He is a ready-witted fellow = hij is een gladde baas.

Reaffirm, rîəfɐ̂m, opnieuw bevestigen.

Reagent, rîeidž’nt, reageermiddel.

Reaggravation, rîagrəveiš’n, laatste vermaning (de Monitio peremptoria) aan den schuldige vóór de kerkelijke censuur over hem werd uitgesproken.

Real, rîəl, werkelijk, waar, echt, onvervalscht, voortreffelijk: Real estate, zie Estate; Real money = klinkende munt; Real presence = de werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal; Realism = realisme; Realist = realist; Realistic = realistisch; Reality, rialiti, wezenlijkheid, werkelijkheid, feit: Realities of Irish life = het leven in Ierland; Realization, subst. v. Realize = verwezenlijken, uitwerken, bewerken, beseffen, werkelijk maken, realiseeren, betaald worden, halen: To realize a joke = snappen; To realize a price = opbrengen; Realness = Reality; Realty = vast goed, grondbezit.

Real, rîəl, reiəl, rial, reaal (Spaansche munt: ± 11 cent).

Reallege, rîəledž, opnieuw aanvoeren.

Realliance, rîəlaiəns, hernieuwd verbond.

Realm, relm, koninkrijk: Peer of the Realm = rijksgroote, lid van ’t Hoogerhuis.

Ream, rîm, subst. riem = 20 boek = 480 vel (Printer’s ream = 516 vel); Ream verb. verbreeden, rekken, uitboren; adj. echt, natuurlijk; Reamer = boorwerktuig.

Reanimate, rianimeit, bezielen, doen herleven; subst. Reanimation.

Reannex, rîəneks, opnieuw aanhechten; subst. Reannexation.

Reap, rîp, maaien (van koren), inoogsten, verkrijgen, verdienen; Reaper = oogster, maaier; Reaping-hook = sikkel; Reaping-machine = maaimachine; Reaping-time = oogsttijd.

Reapparel, rîəpar’l, weer kleeden.

Reappear, rîəpîə, opnieuw verschijnen; subst. Reappearance.

Reapply, rîəplai, opnieuw aanwenden, zich op nieuw wenden (tot).

Reappoint, rîəpôint, opnieuw aanstellen; subst. Reappointment.

Rear, rîə, subst. achterhoede, achterkant, achtergrond; adj. achterste, laatste: He was (in) at the rear, fell, moved to the the rear = was op den achtergrond (in de achterhoede), bleef achter, ging naar den achtergrond (de achterhoede); The sepoys brought up the rear = vormden de achterhoede; Rear-admiral = schout-bij-nacht; Rear-guard = achterhoede; Rear-line (Rear-rank) = achterste gelid; Rearward, subst. achterhoede, laatste troep; adj. naar de achterhoede, naar achteren.

Rear, rîə, verb. grootbrengen, opkweeken, fokken, bouwen, oprichten, steigeren: The horse reared and plunged = steigerde en sloeg achteruit.

Rearise, rîəraiz, weer opkomen.

Reascend, rîəsend, weder beklimmen; subst. Reascension.

Reason, rîz’n, subst. rede, vernuft, verstand, oordeel, recht, gematigdheid, billijkheid, reden, evenredigheid; Reason verb. redeneeren, overreden, bespreken: That’s the reason why I declined = daarom; To regain one’s reason = weer bij zijn verstand komen; To talk reason = zijn verstand gebruiken, verstandig praten; By reason of = wegens, van wege; For that very reason = juist om die reden; In reason = met mate; I will pay you any sum in (all) reason, which you may ask of me = elke billijke som; It stands to reason that I cannot go there = het spreekt vanzelf; He reasoned me into voting for that candidate = heeft mij bepraat om; I could not reason him out of his folly = kon hem zijne dwaasheid niet uit het hoofd praten; Reasonable = redelijk, voor redeneering vatbaar, billijk, matig: I shall be back by a reasonable hour = op behoorlijken tijd; Reasonable price; subst. Reasonableness; Reasoner = redeneerder; Reasoning = redeneering; Reasonless.

Reassemble, rîəsemb’l, opnieuw verzamelen of bijeenkomen.

Reassert, rîəsɐ̂t, opnieuw bevestigen, zich weer doen gelden; subst. Reassertion.

Reassign, rîəsain, weder toe- of aanwijzen.

Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.

Reassurance, rîəšûrəns, subst. v. Reassure, rîəšûə, opnieuw verzekeren, geruststellen; Reassuring news, tidings = geruststellende berichten.

Reattach, rîətatš, opnieuw verbinden; subst. Reattachment.

Réaumur, Fr. uitspr.

Reavow, rîəvau, opnieuw betuigen.

Reay, rei.

Rebaptism, rîbaptizm, wederdoop; Rebaptize, rîbəptaiz, herdoopen.

Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, speciale (verlaagde) vrachttarieven; soort v. harde zandsteen; Rebate verb. verminderen, rabat geven of korten; Rebatement = vermindering, korting.

Rebec(k), rîbek, ouderwetsche driesnarige viool.

Rebel, reb’l, subst. oproerling; adj. oproerig.

Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They rebelled against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; Rebeller = Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The Great Rebellion = de Eng. revolutie van 1642–1660; de Amer. burgeroorlog van 1861–1865; Rebellious = oproerig; subst. Rebelliousness.

Reboant, reboənt, weerklinkend.

Reboil, rîbôil, opnieuw koken.

Rebound, ribaund, subst. terugstuiting, echo; Rebound verb. terugstuiten, weerklinken, weergalmen: Many a heart is caught in (on) the rebound = wanneer het nog bloedt na versmaad te zijn door een ander.

Rebuff, ribɐf, subst. terugstoot, weigering, afwijzing; Rebuff verb. terugdrijven, afwijzen: To meet with a rebuff.

Rebuild, rîbild, weder opbouwen.

Rebukable, ribjûkəb’l, wat berisping verdient; Rebuke, ribjûk, subst. berisping, standje; Rebuke verb. berispen, laken: He caught a rebuke = hij kreeg een standje; Rebukeful = berispend, bitter; Rebuker.

Rebullition, rîbuliš’n, opborreling, opkoking.

Rebury, rîberi, opnieuw begraven.

Rebus, rîbəs, rebus, devies (op een schild), waarbij de naam door eene teekenfiguur of een beeld wordt voorgesteld.

Rebut, ribɐt, terugslaan of -stooten, afweren, van repliek dienen, weerleggen; Rebuttal = weerlegging; Rebutter = antwoord van den beschuldigde na dat van den aanklager.

Recalcitrance (Recalcitrancy) rikalsitr’ns(i): Carlyle’s style excites recalcitrance in novices = wekt tegenspraak bij oningewijden; Recalcitrant, rikalsitr’nt, weerspannig, tegenstrevend; subst. weerspannige; Recalcitrate = zich verzetten, tegenstreven; subst. Recalcitration.

Recall, rikôl, subst. herroeping, terugroeping (het signaal daarvoor); Recall verb. herroepen, opzeggen, terugroepen, zich herinneren: That is past recall = onherroepelijk; These two officers are under recall and on their journey back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen; To present one’s letters of recall = brieven van rappèl (van een gezant); I can’t recall it to mind = me niet herinneren.

Recant, rikant, herroepen; Recantation = herroeping: He made a recantation = hij herriep zijne bewering, trok ze in; Recanter.

Recapitulate, rîkəpitjuleit, in het kort herhalen; subst. Recapitulation; adj. Recapitulative, Recapitulatory: Recapitulation exercises = oefeningen ter herhaling.

Recaption, rikapš’n, terugname (van een wederrechtelijk onthouden bezit); Recaptor = hernemer, die het buit gemaakte terugneemt; Recapture, subst. herovering, heroverde prijs; Recapture verb. heroveren, terugnemen.

Recast, rikâst, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals berekenen; ook subst.: Sixth edition, recast and augmented = opnieuw bewerkte en vermeerderde uitgaaf.

Recede, risîd, teruggaan, terugloopen, zich terugtrekken, wijken: He receded into the background = hij trad op den achtergrond; Receder.

Recede, rîsîd, rîsîd, weder afstaan aan den vroegeren bezitter.

Receipt, risît, subst. ontvangst, het ontvangene, voorschrift, recept, kwitantie, reçu; Receipt verb. eene kwitantie geven, voor voldaan teekenen: A receipt for catching birds by putting salt on their tails = een middel om vogels te vangen; He is in the receipt of a good income = hij heeft een goed inkomen; On receipt of your favour of the 4th. inst. = na ontvangst van uw geëerde van 4 dezer; He acknowledged the receipt of my letter = berichtte de ontvangst; To give a receipt = kwitantie geven; Book of receipts and expenditures = van inkomsten en uitgaven; Receipt-stamp = kwitantiezegel.

Receive, risîv, ontvangen, toelaten, aannemen, erkennen, vinden, helen: It was generally received that he was in fault = men erkende algemeen; He was received into our club = werd opgenomen; To sit to receive on certain days = ‘jour’ houden; To receive or visit a pupil = lessen aan huis of buitenshuis geven; Received of Mr. N. = ontvangen van den Heer N. (op kwitanties); Received payment = ontvangen, betaald; Custom long received = oud gebruik; Receiver = ontvanger (ook instrument), heler, recipient, klok (luchtpomp): The receiver makes the thief = zonder heler geen steler; Receiver (in bankruptcy) = curator, bewindvoerder; Receiving: Receiving-office = kantoor voor het aannemen van pakketten, etc.; Receiving-ship = wachtschip (waarop de nieuwe matrozen blijven tot ze voor den dienst worden aangewezen).

Recency, rîs’nsi, frischheid, nieuwheid; Recent, rîs’nt, nieuw, versch, frisch, pas geleden (gebeurd): Recent English = het E. van onzen tijd; subst. Recentness.

Recension, risenš’n, critische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde uitgaaf: The work exists in two different recensions = in twee verschillende critische uitgaven.

Receptacle, riseptək’l, vergaarbak, ontvanger, koker, vruchtbodem, vat.

Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelijkheid.

Reception, risepšn, ontvangst, receptie: They prepared a cordial reception for him = een hartelijke ontvangst; Receptive: His receptive faculties are very great = zijn opnemingsvermogen; Receptivity = receptiviteit, opnemingsgave; Receptor = ontvanger.

Recess, rises, opschorting of vacantie, vrij kwartier; afgelegen verblijf, schuilhoek, nis, alcoof: The Easter recess will not last more than two weeks = het Paaschreces; The inner recesses of the heart = de diepste schuilhoeken; The passage led to an inner recess = een verborgen hoek; Recession = verwijdering, terugtrekking, het afstand doen; Recessional = slot...; subst. gezang bij het uitgaan der kerk.

Rechabite, rekəbait, Rechabiet (Jez. XXXV, 5); geheelonthouder.

Recharge, rîtšâdž, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht indienen.

Recharter, rîtšâtə, opnieuw bevrachten.

Recheat, ritšît, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen als ze het spoor kwijt zijn; Recheat verb, een recheat doen weerklinken.

Recheck, rîtšek: The luggage (account) had to be rechecked first = moest eerst opnieuw gecontroleerd worden.

Recherché, Fr. uitspr. uitgezocht, fijn, keurig.

Recidivism, risidivizm, recidive; Recidivist = recidivist.

Recipe, resipi, recept.

Recipient, risipj’nt, subst. ontvanger; adj. ontvangend.

Reciprocal, risiprək’l, wederzijdsch, wederkeerig, afwisselend; ook subst. Reciprocality, risiprəkaliti = Reciprocalness = wederkeerigheid; Reciprocate, risiprəkeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven, vergoeden: We have Reciprocated kindnesses = wij hebben eenige beleefdheden gewisseld; subst. Reciprocation; Reciprocity = wederkeerigheid, reciprociteit.

Recital, risait’l, voordracht, optelling, verhaal, solo, reciet: The recital of his story drew tears from the audience = het verhaal van zijne geschiedenis; Recitation = opzeggen, declamatie, voordracht; mondeling examen (Amer.); Recitative, resitətîv, recitatief (muz.); Recite, risait, opzeggen, voordragen: He recited Tennyson’s May-queen; Reciter = declamator.

Reck, rek, geven om, schelen: I do not reck = het kan me niet schelen; Little does he reck what are the consequences = om de gevolgen bekommert hij zich geen zier; Reckless = roekeloos, zorgeloos: I am reckless of his words = zijne woorden laten me volkomen koud; subst. Recklessness.

Reckon, rek’n, rekenen, onderstellen, houden voor, optellen (up), tellen, afrekenen: That cannot reckon as an English word = kan niet beschouwd worden; He was reckoned among your friends = geteld onder; The English reckon by pounds, shillings and pence = rekenen met, bij; Reckoning from what you say = te oordeelen naar; May I reckon on you? = op u rekenen; These things are too small to be reckoned up = te onbeduidend om opgeteld te worden; I cannot reckon it up = ik kan het me niet begrijpen; Modern thought is not reckoned with by him = hij houdt geene rekening met; He appeared to have reckoned without his host = hij bleek buiten den waard gerekend te hebben; Reckoner = rekenaar: He is a ready reckoner = vlug in het rekenen; Reckoning = berekening, rekening, schatting, gissing, bestek (scheepsterm): Even (short) reckonings make lasting (long) friends = effen rekening onderhoudt de vriendschap; You are out in your reckoning = gij zijt in uwe rekening mis, vergist u = You have lost your reckoning; To leave out of the reckoning = buiten rekening laten; Reckoning-book = boek van ontvangst en uitgaaf, journaal.

Reclaim, rikleim, terugroepen, op het rechte pad brengen (fig.), verbeteren, ontginnen, in cultuur brengen van droog gemaakt land; ontginnen; africhten, temmen: They reclaimed against such measures = kwamen in verzet tegen; He was reclaimed from his sinful ways by his friend = hij werd op het goede pad teruggebracht; adj. Reclaimable; Reclamation, rekləmeiš’n, eisch, verwering, protest, verbetering; ontginning: Scrooge’s reclamation was brought about by the three spirits = S.’s verbetering.

Reclination, reklineiš’n, subst. v. Recline, riklain, achterover leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclining: Reclining-board = leun-plank (orthop.); Reclining-chair = verstelbare leuningstoel.

Reclose, rîklouz, opnieuw sluiten.

Recluse, riklûs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd; Recluseness = afzondering, eenzaamheid = Reclusion, riklûž’n; Reclusive, riklûsiv, eenzaam, teruggetrokken.

Recognition, rekəgniš’n, herkenning; erkenning, betuiging: In recognition of his many services = ter erkenning van; Recognitory = (h)erkennend; Recognizable, rekəgnaizeb’l, rikognizəb’l, rekəgnaizəb’l, herkenbaar; Recognizance, riko(g)niz’ns, erkenning, teeken, insigne, schriftelijke verplichting tot het betalen van een schuld, tot zich ordelijk gedragen, etc.: They had to enter into their own recognizances to keep the peace = zij moesten een schriftelijke verklaring afleggen (zich persoonlijk borgstellen), de orde niet weer te verstoren; Recognize, rekəgnaiz, herkennen, erkennen; Recognizee, riko(g)nizî, degene ten wiens behoeve voor de rechtbank dergelijke schriftelijke verbintenis wordt gegeven; Recognizor, riko(g)nizə, riko(g)nizö, afgever van dergelijke verbintenis.

Recoil, rikôil, subst. terugslag, wijking, terugsprong; Recoil verb. terugdeinzen, terugspringen, terugkomen, stooten: Their attacks will recoil on them = op henzelf weer neerkomen.

Recoin, rîkôin, opnieuw munten; subst. Recoinage.

Recollect, rîkəlekt, opnieuw verzamelen: To recollect oneself = zich beheerschen, tot nadenken komen.

Recollect, rekəlekt, zich herinneren: I can’t recollect having ever seen him before = kan me niet herinneren; Recollection = herinnering, zelf beheersching: You have grown out of all recollection = je bent zoo gegroeid, dat men je niet meer herkent; adj. Recollective.

Recolonize, rîkolənaiz, opnieuw koloniseeren.

Recombination, rîkombineiš’n, subst. v. Recombine, rîk’mbain, (zich) opnieuw verbinden of samenvoegen.

Recommence, rîkəmens, opnieuw beginnen; subst. Recommencement.

Recommend, rekəmend, aanbevelen, aanprijzen, aanraden: The jury recommended him to mercy; To recommend itself = zich aanbevelen; adj. Recommendable = aanbevelenswaardig; subst. Recommendableness; Recommendation: Letter of recommendation; Recommendatory = aanbevelings....: Recommendatory letter; Recommender.

Recommit, rîkəmit, opnieuw opdragen (overleveren), weder naar dezelfde commissie terugzenden: To recommit to prison = weer arresteeren; subst. Recommitment = Recommittal.

Recommunicate, rîkəmjûnikeit, opnieuw mededeelen.

Recompense, rek’mpens, subst. belooning, vergoeding; Recompense verb. beloonen, vergelden, schadeloos stellen; Recompenser.

Recompile, rîk’mpail, opnieuw verzamelen of samenstellen; subst. Recompilement.

Recompose, rîk’mpouz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder in orde brengen; subst. Recomposition.

Reconcilable, rek’nsailəb’l, verzoenbaar, vereenigbaar, bestaanbaar; Reconcile, rek’nsail, verzoenen, overeen- of tot harmonie brengen: To reconcile oneself to, To be (become) reconciled to = zich verzoenen met, zich schikken in; He felt more reconciled to his work = kreeg meer op met; How can you reconcile it to your conscience? = het met je geweten overeenbrengen; They were reconciled to each other and to their fate = zij verzoenden zich met elkander en met hun lot; Reconcilement = Reconciliation; Reconciliatory, rek’nsiliətəri, verzoenend.

Recondensation, rîkondənseiš’n, subst. v. Recondense, rîk’ndens, opnieuw verdichten.

Recondite, rek’ndait, rikondit, geheimzinnig, verborgen; afgetrokken, diepzinnig.

Reconduct, rîk’ndɐkt, terugleiden.

Reconfirm, rîk’nfɐ̂m, opnieuw bevestigen.

Reconnaissance, rəkonəs’ns, verkenning: Reconnaissance duty = verkenningsdienst = Reconnoissance.

Reconnoitre, rekənôitə, verkennen, opnemen: Reconnoitring party.

Reconquer, rîkoŋkə, opnieuw veroveren, herwinnen; Reconquest, rikoŋkwəst, herovering.

Reconsecrate, rîkonsikreit, opnieuw wijden; subst. Reconsecration.

Reconsider, rîk’nsidə, opnieuw in overweging nemen; Reconsideration.

Reconsignment, rîk’nsainm’nt, terugzending, hernieuwde zending.

Reconstitute, rîkonstitjût, opnieuw samenstellen; subst. Reconstitution.

Reconstruct, rîk’nstrɐkt, opnieuw samenstellen of bouwen; subst. Reconstruction; adj. Reconstructive.

Reconvene, rîk’nvîn, opnieuw bijeenkomen of roepen.

Reconversion, rîk’nvɐ̂š’n, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren.

Reconvey, rîk’nvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar; subst. Reconveyance.

Record, rekəd, gedenkschrift, getuigschrift, getuigenis, verleden, antecedenten, verhaal, register, officieel afschrift, rol of plaat voor phonograaf of gramophoon; kortste tijd, die geregistreerd is (sport): Court of Record = hof waar uitspraken in archief worden bewaard; Records = publieke documenten, protocollen, verslag van de hoofdzaken in een geding: Keeper of the records = archivaris, griffier; That is the most famous name (up)on record = in de geschiedenis vermeld; It is on indisputable record = het staat onomstootelijk vast; To bear record of = getuigen van; This skater has beaten (broken, cut) the record = heeft den besten tijd gemaakt, dus: het oude record geslagen; He has a clean record = een zuiver geweten; I will make a record of it = zal er een register of eene lijst van aanleggen; He wrote his record upon his generation (Amer.) = hij was in zijn tijd een man van beteekenis; Record-office = rijksarchief.

Record, riköd, aanteekenen, registreeren, opteekenen, vermelden, als historisch feit overleveren, zingen (van vogels): All the glorious names, recorded in history = in de geschiedenis opgeteekend; Recorder = archivaris, syndicus (de hoogste, door de regeering benoemde rechter in een Borough); registratie-apparaat (telegr.); soort fluit; Recordship; Recording-telegraph = druktelegraaf.

Recount, rikaunt, omstandig verhalen; rîkaunt, op nieuw tellen.

Recoup, rikûp, vergoeden, schadeloosstellen, een verlies herstellen: He recouped his energies in the Giant Mountains = herkreeg; I will recoup all losses you may incur by it = vergoeden; I lost more than this book is likely to recoup me for = waarschijnlijk zal opbrengen; I never attempted to recoup myself for the money spent so unnecessarily = mij schadeloos te stellen voor; subst. Recoupment.

Recourse, rikös, toevlucht, schadeloosstelling: I had recourse to him = nam mijne toevlucht tot hem.

Recover, rikɐvə, (doen) herleven, herstellen, te boven komen, herwinnen, herkrijgen, terugvinden, vergoeden, inhalen, bevrijden, redden: To recover one’s breath = weer op adem komen; To recover consciousness = bijkomen; He wanted to recover damages = schadevergoeding te krijgen; He could only recover second-class expenses = had slechts aanspraak op vergoeding van etc.; To recover shipwrecked goods = bergen; He couldn’t recover health = zijne gezondheid niet terugkrijgen; He recovered his legs = hij kwam weer op de been; He recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching; He recovered his property = kreeg terug; He recovered himself = herstelde zich; He was recovered from the hands of his enemies = hij werd gered of bevrijd; Recoverability, subst. v. Recoverable = herkrijgbaar; subst. Recoverableness; Recovery = herstel, herkrijging: The patient is past recovery = hopeloos.

Recover, rîkɐvə, opnieuw bedekken.

Recreance, Recreancy, rekriəns(i), lafhartigheid, laagheid, afvalligheid; Recreant, rekriənt, laf, laaghartig, valsch; afvallig; ook subst.

Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation, rekrieiš’n, ontspanning, afleiding; Recreative = opwekkend, ontspannend, versterkend.

Recreate, rîkrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rîkrieiš’n, herschepping.

Recrement, rekriment, uitwerpsel, slakken; adj. Recrementitious.

Recriminate, rikrimineit, eene tegenbeschuldiging inbrengen; Recrimination = tegenbeschuldiging; Recriminative, Recriminatory = een tegenbeschuldiging bevattend; Recriminator = tegenbeschuldiger.

Recross, rîkros, nogmaals oversteken.