Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 106

Chapter 1063,028 wordsPublic domain

Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; Repose verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take repose = rust nemen; To repose confidence in a person = vertrouwen stellen; Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, Reposeful beauty = ademt kalme, stille schoonheid.

Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.

Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was repossessed of his property = werd weer in het bezit zijner goederen gesteld; subst. Repossession.

Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst. Reprehensibleness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj. Reprehensive, Reprehensory.

Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen, afbeelden: Represented by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj. Representable; Representation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting, vertegenwoordiging; Representative, subst. voorsteller, plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend, vertegenwoordigend, typisch: This work is representative of the spirit of our age = drukt den geest uit; subst. Representativeness; Representer; Representment.

Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; Representation = vernieuwd aanbod.

Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; Repressible = bedwingbaar; Repression = bedwinging, beteugeling; Repressive = bedwingend, beteugelend.

Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; Reprieve verb. opschorten, uitstellen, bevrijden.

Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; Reprimand verb. reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.

Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).

Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.

Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding, weerwraak: Letters of reprisal = kaperbrieven; That is a just reprisal against them = rechtmatige represaille op; To make reprisals (on); Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein: Reprises = jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van de inkomsten uit landerijen.

Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer; Reproach verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is the reproach of the family, brings (draws) reproach on (upon) the family = strekt zijne familie tot oneer; He incurred several reproaches = haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; Reproaches = beurtgezang tijdens de kruisaanbidding in de R.K. kerk op Goeden Vrijdag; I reproached myself for forgetting it = nam mezelf kwalijk; What did he reproach you with? = wat heeft hij u ten laste gelegd; Reproachful = schandelijk, verwijtend: His was a reproachful conduct = was schandalig; subst. Reproachfulness.

Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd; Reprobate verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation, reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of reprobation = het leerstuk der verwerping of verdoeming.

Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven; Reproducer; Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.; Reproductive, Reproductory = voortbrengend, copieerend.

Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv, berispen, een standje maken; Reprover.

Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).

Reptant, rept’nt, kruipend.

Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj. kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren; Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).

Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: Republic of letters = rijk der letteren en geletterden; Republican, subst. en adj. republikein(sch); Republicanism = republikeinsche gezindheid; Republicanize = in eene republiek veranderen.

Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish, rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.

Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen; Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.

Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj. Repugnant.

Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering, teleurstelling; Repulse verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got (met with) no second repulse = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; Repulser; Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw; Repulsive = terugstootend, afschuwwekkend.

Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; Repurchase verb. weder- of terugkoopen.

Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst. Reputableness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting; Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute, ripjût, subst. goede naam, roem; Repute verb. achten, houden voor: He is a man of (good) repute = van goeden naam; He is held (stands) in high, in bad repute = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well reputed = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; Reputedly = naar verluidt, vermeend.

Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; Request verb. verzoeken, een request richten: At your request = op uw verzoek; At the request of; In great request = veel gevraagd = Much in request; To accede to, To comply with, To grant a request = aan een verzoek voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a request = een verzoek doen; Requester.

Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= Requiem-mass).

Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben, vereischen: What do you require me to do? = verlangt ge dat ik doen zal; Requirement = eisch, vereischte, geëischte; Requirer; Requisite, rekwizit, subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst. Requisiteness; Requisition, rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen, schriftelijke oproeping, requireering; Requisition verb. eischen, requireeren: To lay under (Put in) requisition = requireeren; Requisitions of food = opeisching van levensmiddelen; The horses were requisitioned for the Royal Artillery = werden gerequireerd; Requisitionist.

Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait, beloonen, vergelden, wreken; Requiter.

Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen, hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.

Reremouse, rîəmaus, vleermuis.

Resail, rîseil, terugzeilen.

Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.

Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. Rescindable; Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings ...

Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak, pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.

Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp, gewelddadige bevrijding; Rescue verb. bevrijden, verlossen, te hulp komen, redden: To come to the rescue in time = te hulp komen; He was rescued from danger; Rescue-home = asyl voor gevallen meisjes; Rescuer.

Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; Research verb. ook rîsɐ̂tš, nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made researches into it = van alle zijden nauwkeurig onderzocht; Researcher.

Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.

Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. Resection.

Reseda, risîdə, reseda.

Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst. Reseizure, rîsîžə.

Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.

Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l, gelijken: He resembled my father = geleek op.

Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.

Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene beleediging opvatten: I resent such opinions = protesteer tegen zulke meeningen; Resenter; Resentful = geraakt, gebelgd; Resentment = wrok, toorn, verbolgenheid: He did not show the least resentment = scheen er volstrekt niet gebelgd over.

Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd terrein (Amer.): Mental reservation = innerlijk voorbehoud.

Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud, behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere lichtingen der soldaten; Reserve verb. achterhouden, bewaren, voorbehouden: To accept a statement with some reserve = onder eenige reserve; He kept it in reserve = hield dat achter, in voorraad; I dare state this without reserve = zonder voorbehoud; The reserves were called out = de reserve werd opgeroepen; I have reserved the best for the last moment = heb bewaard; I reserve to myself the right of refusing = behoud mij het recht voor; Reserved = gereserveerd, teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; Reserver = wie of wat voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö, bewaarplaats, regenbak: Balancing reservoir = watertoren.

Reset, rîset, opnieuw zetten; Resetter.

Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; Resetter = heler.

Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of installeeren, tot rust komen; subst. Resettlement.

Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren; subst. Reshipment.

Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning, verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his residence there = hij vestigde zich; Board and residence = kost en inwoning; Residency, rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van den Resident (Brit. Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner, (minister)-resident; adj. woonachtig, inwonend: Resident doctor, pupil, teacher; Residentship = ambt van een resident; Residential, rezidenš’l, met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider = bewoner, verblijfhouder.

Residual, rizidju-əl, overgebleven: Residual product = netto opbrengst; Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend goed komt na aftrek van legaten; Residuary legatee = aan wien al het roerend goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden alles, waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû, overschot, rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim der maatschappij.

Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen, ontslag nemen: He was appointed, but resigned = werd benoemd, maar bedankte; I would not resign my grief = zou niet willen missen; He suffered much, but was resignd = maar droeg het gelaten; He resigned himself up to the decrees of Providence = onderwierp zich aan; Resignation, rezigneiš’n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: To hand in, To offer, To tender one’s resignation = indienen, aanbieden; Resignee, rizainî, rezainî, rizainî, wien iets afgestaan wordt; Resigner = die afstand doet; Resignment = afstand, berusting, onderwerping.

Resign, rîsain, opnieuw teekenen.

Resilient, risilj’nt, terugspringend.

Resin, rezin, hars; Resin verb. met hars bestrijken; Resiniferous = hars voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) Resino-electric = negatief electrisch; Resino-electricity = negatieve electriciteit; Resinous, rezinɐs, harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.

Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He resisted all such attempts successfully = bood met succes weerstand aan; Resistance = tegenstand; weerstand (natuurk.): To offer, To meet with resistance = weerstand bieden, ondervinden; resistant = wie of wat weerstand biedt; ook adj.; Resister; Resistibility, subst. v. Resistible = weerstaanbaar; Resistibleness = weerstand, weerstandsvermogen; Resistive = vermogen weerstand te bieden; Resistless = onweerstaanbaar; subst. Resistlessness.

Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. Resolubleness.

Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst. Resoluteness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit, vastbeslotenheid, resolutie: Resolution of an equation = oplossing van eene vergelijking; Resolution of forces (of motion) = ontbinding van krachten; The resolution of the plot = ontknooping van de intrigue; He took a firm resolution and stuck to it = nam een vast besluit en bleef erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.

Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; Resolve verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, oplossen van dissonanten (muz.), wegsmelten: I approve your resolve = keur uw besluit goed; I am resolved = ik ben besloten; The House resolved itself into a committee = ging in comité-generaal; Ice resolves into water = ijs verandert in water; I cannot resolve on anything = tot niets besluiten; I am resolved on accompanying you = ben besloten; The king has the right to resolve on peace and war = oorlog te verklaren en vrede te sluiten; Resolvent, subst. en adj. oplossend (middel); Resolver = wie besluit, wat oplost.

Resonance, Resonancy, rezən’ns(i), weerklank; Resonant = weerklinkend.

Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek, hulpmiddel, redmiddel; Resort verb. zich begeven naar, zijne toevlucht nemen tot: His usual place of resort was the inn = zijn gewone gang was naar de herberg; We must trust to our swords in the last resort = als laatste toevlucht; Do not go to places where drunkards and gamblers resort to = plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden; Resorter = geregeld bezoeker.

Resound, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound resounded through the house like thunder; The smithies resounded with hammering = weerklonken van de hamerslagen.

Resound, rîsaund, opnieuw (doen) klinken.

Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel, vindingrijkheid: Resources = (geld)middelen, gaven, talenten: He was thrown on his own resources = moest zichzelf maar zien te redden; Resourceful = vindingrijk; subst. Resourcefulness: He has a Resourcefulness of mind which is quite astonishing = hij heeft een vindingrijkheid die verbazend is.

Respect, rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking, opzicht; Respect verb. betrekking hebben op, acht slaan op, eerbiedigen: In respect of that question = met betrekking tot; In (with) respect to = met betrekking tot; He is a clever fellow in every respect = in ieder opzicht = In all respects; Respects = beleefde groeten of komplimenten: Pay (Present) my respects to your lady = mijne beleefde groeten aan mevrouw; God does not respect persons = God kent geen aanzien des persoons; Respectability = achtenswaardigheid, aanzien; subst. persoon van aanzien: Starving respectability = fatsoenlijke armoede (armen); He is a man of respectability = van aanzien; Respectable = eerbiedwaardig, achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam, middelmatig, tamelijk: His father was a respectable tradesman = een geacht koopman; subst. Respectableness; Respecter: He is a respecter of persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; Respectful = eerbiedig, hoogachtend; subst. Respectfulness; Respecting = met betrekking tot, aangaande; Respective: We went our respective ways = ieder zijn eigen weg; These persons were condemned to costs respectively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten veroordeeld.

Respirability, resp(a)irəbiliti, inadembaarheid; adj. Respirable, respirəb’l, rispairəb’l, Respiration, respireiš’n, ademhaling; Respirator = respirateur; Respiratory, respirətəri, rispairətəri, ademhalings...: Respiratory organs = ademhalingsorganen; Respire, rispaiə, ademhalen.

Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; Respite verb. uitstellen, schorsen, verdagen: Days of respite = respijtdagen.

Resplendence, risplend’ns, luister, glans; Resplendent = glans- of luisterrijk.

Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communion Service der Angl. Kerk; Respond verb. antwoorden, beantwoorden, vergoeden, voldoen: He responded to my summons = gaf gehoor aan; Respondent, subst. antwoorder, gedaagde; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: Respondent to our wishes = overeenkomstig; Respondentia, respondenšiə, leening op de lading van een schip, respondentia; Response, rispons, antwoord: I doubt response = ik weet niet welk antwoord zal komen; The clerk read the responses = las de antwoorden (kerkdienst); In response to a summons = ingevolge; Responsibility, risponsibiliti, verantwoordelijkheid; adj. Responsible; subst. Responsibilityness; Responsion, risponš’n, antwoord: Responsions = eerste examen voor den B.A. graad (Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend, overeenkomstig: Responsive to your kind words = in overeenstemming met (in antwoord op); Responsory, risponsəri, antwoordend; subst. responsorium.

Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij het biljarten of schieten), steun, pauze, rust (muz.), rest, overschot, de overigen, appeltje voor den dorst (fig.); Rest verb. rusten, slapen, steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten, laten leunen: A shoeblack’s rest = bankje, kastje; He is at rest now = de (eeuwige) rust ingegaan; I hope I have set your heart at rest on that point = u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in rest = met gevelde lans; We retired to rest at eleven = begaven ons ter ruste; These are glorious times, Christmas among the rest = onder andere Kerstfeest; There were men of all kinds, men of genius among the rest = en ook mannen van genie; For the rest = overigens; The train rested at a great station = hield eenigen tijd stil; She rested back in her carriage = leunde achterover; Many members of the family rest in this churchyard = liggen begraven; He rested on his arms = leunde op; Your eye will rest with pleasure on that scene = zal met welgevallen rusten; The decision rests with you = is aan u; The victory will rest with us = zal onzer zijn; Why do you not rest yourself, take rest? = waarom neemt ge geen rust; I am rested now = uitgerust; Rest assured = houd u verzekerd; To rest contented = tevreden zijn; These thoughts rest me when weary, and comfort me in trouble = schenken mij rust; You rest me = je aanwezigheid is een weldadige rust voor me; God rest his soul! = zijn ziel ruste in God; God rest you merry gentlemen = uwe zielen rusten in God; Rest-capital = reserve; Rest-cure = rustkuur; Restful = kalm, rustig; subst. Restfulness; Resting-place = rustplaats, graf; Rest(ing)-stick = schilderstok; Restless = rusteloos, slapeloos, onstuimig, woelig; subst. Restlessness.

Restitution, restitjûš’n, teruggave, schadeloosstelling: To make restitution; adj. Restitutive.

Restive, restiv, koppig, weerspannig; subst. Restiveness.

Restorable, ristôrəb’l, herstelbaar; subst. Restorableness; Restoration, restəreiš’n, herstel(ling), verlevendiging, restauratie: The Restoration = het herstel van het koningschap (met Karel II) in 1660; Restorative, ristôrətiv, subst. en adj. herstellend, versterkend, genezend (middel); Restorator = restaurateur; Restore, ristö, herstellen, genezen, vernieuwen: You will soon be restored = beter zijn; Everything was restored to him = hem teruggegeven; He was restored to favour = in de gunst hersteld; To restore to life = in ’t leven terugroepen; Restored to the throne = op den troon hersteld; Restorer.

Restore, rîstö, opnieuw opslaan (in het pakhuis).

Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: He was restrained from doing it = hem werd belet; I could not restrain myself from asking that question = mij niet weerhouden; All my remarks are restrained to these = beperkt tot, bepalen zich tot; Restrainable = beteugelbaar, beperkbaar; Restrainedly = in beperkten zin; Restrainer = wie of wat beteugelt of bedwingt; Restraint = dwang, beperking, verkorting, hechtenis: You are under no restraint any longer = weer geheel vrij; It is a great restraint upon us = het legt ons grooten dwang op; To keep under restraint = in hechtenis houden; He put a restraint upon my liberty = hij besnoeide mijne vrijheid; He put all kinds of restraints on us = hij beperkte ons op alle manieren.

Restrict, ristrikt, beperken, bepalen; Restriction, ristrikš’n, beperking, voorbehoud; Restrictive = beperkend, bepalend: subst. Restrictiveness.

Restringent, ristrinž’nt, subst. en adj. stoppend (middel).

Result, rizɐlt, subst. gevolg, uitslag, slotsom; Result verb. volgen uit; uitloopen op: The long results of time = al wat de tijd heeft opgeleverd; Can any good result from it? = hieruit voorkomen; Let us see what it will result in = wat er van komt; Result-fee = belooning voor vorderingen (school); Resultant, subst. resultante (werktuigkunde); adj. als resultaat: The resultant impression is one of contrast rather than of harmony = de totaalindruk; Resultless.

Resume, riziûm, hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: To resume business = weer openen; To resume a discourse = weer opvatten; Old friendships were resumed = werden hernieuwd.

Résumé, reižumei, kort overzicht.

Resummon, rîsɐm’n, opnieuw dagvaarden; subst. Resummons.

Resumption, rizɐmš’n, hervatting.

Resupine, rîsiupain, achterover, op den rug, nalatig.

Resurrection, rezərekš’n, opstanding, verrijzenis; lijkenroof: Christ’s resurrection from the dead; Resurrection-man = lijkendief; Resurrection-pie = pastei van overgeschoten vleesch; Resurrectionist = Resurrection-man.

Resurvey, rîsɐ̂vei, rîsəvei, hernieuwd onderzoek, nieuwe meting.

Resurvey, rîsəvei, opnieuw onderzoeken, opnieuw meten.

Resuscitate, risɐsiteit, opwekken, doen herleven, hernieuwen; subst. Resuscitation; adj. Resuscitative; Resuscitator = wie of wat opwekt of doet herleven.

Ret, ret, roten (v. vlas); Rettery, Rettory = plaats om vlas te roten.

Retail, rîteil, riteil, subst. verkoop of handel in het klein; adj. détail...: Cigars wholesale and retail = in ’t groot en klein; To sell by retail; Sold retail everywhere; He is a Retail dealer = kleinhandelaar; Retail trade = kleinhandel; Retailment.

Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen, bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He retailed to us accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at yesterday’s dinner = gaf ons een omstandig verslag van; To retail nonsense = onzin verkoopen; Retailer = slijter, kleinhandelaar.

Retain, ritein, in bezit houden, behouden, onthouden, in dienst nemen, bespreken: The men are especially retained for this purpose = voor dit doel gehouden; Retainer = bediende, vazal, volgeling, honorarium waardoor men zich van de hulp van een barrister verzekert (gewoonl. 10 guineas) = Retaining-fee; I have a retainer from that periodical in my pocket = honorarium (als uitnoodiging om iets te schrijven).

Retake, rîteik, opnieuw nemen of vangen.

Retaliate, ritaljeit, vergelden (upon); subst. Retaliation; Retaliative, Retaliatory = vergeldend, wraaklustig.

Retard, ritâd, subst. vertraging; Retard verb. vertragen, tegenhouden, uitstellen; Retardation = vertraging, uitstel; adj. Retardative; Retarder = wie of wat vertraagt.

Retch, retš, kokhalzen.

Retell, rîtel, opnieuw vertellen.

Retention, ritenš’n, terughouding, vermogen om te onthouden, achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: He has a retentive memory = een sterk geheugen; The house was still retentive of its former state = had iets behouden van zijn vroegeren toestand; subst. Retentiveness.

Reticence, Reticency, retisens(i), stilzwijgendheid, verzwijging; adj. Reticent.

Reticular, ritikjulə, netvormig, ingewikkeld; Reticulated = netvormig; Reticulation = netwerk; Reticule, retikjûl, dameswerktaschje; Reticulum, ritikjul’m, tweede maag der herkauwers; Retiform = netvormig; Retina, retinə, netvlies; adj. Retinal; Retinitis, retinaitis, ontsteking van het netvlies.

Retinue, retinjû, gevolg, stoet.