Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 83
Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; Neglect verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in neglect = uit achteloosheid; He studied literature, to the neglect of his other work = met veronachtzaming van; To neglect one’s duty, an opportunity; Neglectedness = verwaarloozing; Neglectful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst. Neglectfulness.
Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v. ongeslepen koralen.
Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid, geringschatting; adj. Negligent.
Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l, verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst. Negotiation: To carry on (To enter into) negotiations with = onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.
Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger (Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen); Negro, nîgrou, neger: Negro minstrels = (meest nagebootste) negerzangers; Negro-driver = blankofficier; Negro-head = pruimtabak in reepen geperst; Negroland = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.
Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.
Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.
Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.
Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; Neighbour verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; Neighbourhood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the neighbourhood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.); Neighbourliness, subst. v. Neighbourly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.
Neill, nîl; Neilson, nîls’n.
Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: Neither ... nor = noch ... noch; He does not like her, neither do I = en ik ook niet; He is not so bad neither (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.
Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis, neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.
Nenuphar, nenjufâ.
Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.
Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch; nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.
Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas toegelaten.
Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism = Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.
Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.
Nepaul, nəpôl, stad: Nepaul paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: Nepaulese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.
Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = Nepenthes; dit ook = kannekenskruid.
Nephew, nevjû, neef (oomzegger).
Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy, nifrotəmi, nieroperatie.
Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.
Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee behoorende.
Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.
Nero, nîrou; adj. Neronian.
Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.
Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed, durf; Nerve verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed vatten (oneself, one’s mind): He has not got the nerve to do it = durft niet; She was nerves and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to get) on one’s nerves = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He nerved himself = vatte moed, vermande zich; Nerved = met nerven; Nerveless = zwak, zonder kracht; subst. Nervelessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw ...; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw ...; gespierd, krachtig: Nervous English = gespierd Engelsch; Nervous fever = zenuwziekte; Nervous force = innerlijke kracht, spierkracht; subst. Nervousness; Nervure, nâvjə, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.
Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.
Ness, nes, voorgebergte, landtong.
Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende; Nest verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of liggen: Nest of boxes; To build (make) a nest; He has feathered his nest = is binnen; Nest-chicken; Nest-egg = nestei, potpenning(-geld); Nestling = nestvogel; adj. jong.
Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen liggen: The little girl nestled close to her mother = kroop dicht aan; He nestled himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head nestled itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.
Nestor, nestə, Nestor.
Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; Net verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: Netmaker; Net-work = netwerk; Net-work of railway-lines = spoorwegnet; Netting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); Netting-needle = haaknaald, haakpen; Netting-pin.
Net, net, netto; Net verb. netto opbrengen: Net amount, Net gain, Net profits, Net price, Net proceeds, Net weight.
Nether, nedhə, lager, beneden: Nether lip = onderlip; Nether millstone (Job.); Nethermost = laagste, onderste; Netherland = Nederlandsch; The Netherlands = Nederland(sch); Netherlander, Netherlandish.
Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common nettle, Stinging nettle); Nettle verb. boos maken, prikkelen: Nettle in, dock out (In dock, out nettle) van den hak op den tak; To be nettled at = geprikkeld, geërgerd; Nettle-cloth = neteldoek; Nettle-rash = netelroos.
Neufchatel, nɐ̂šatel.
Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; Neuralgia, njuraldžə, zenuwpijn; Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie; Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis, zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis, njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend, zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.
Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst. onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj. onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v. Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To neutralize each other = tegen elkaar opwegen.
Nevada, nəvâdə.
Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s never the one to pay = hij betaalt nooit; He is never the better for it = hij is er daarom niet beter aan toe; Never a word = geen stom woord; Well, I never! = heb ik ooit van mijn leven; Never so much as = niet eens, zelfs niet; Be he never so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is never so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; Never-do-well lad = deugniet; Never-dying = onsterfelijk; Never-failing = onfeilbaar; Never fear = heb geen zorg; Never mind = dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; Never say die = je moet nooit den moed opgeven; Nevermore = nimmermeer; Nevertheless, nevədhəles, niettemin, niettegenstaande.
Nevil(le), nevil.
New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: New bread = versch; New man = parvenu; New moon; The new woman = de geëmancipeerde, de moderne vrouw; The New World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing new to me = dat is niet nieuw voor mij; He is new to the business = er nog niet mede op de hoogte; New-birth = wedergeboorte; New-born = pasgeboren; New-comer = pas(aan)gekomene; Newfangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. Newfangledness; New-fashioned = nieuwmodisch; New-laid eggs = versche eieren; New(ly) married = pasgetrouwd; New-model = nieuw modelleeren; New-painted = pas geverfd; New-year = Nieuwjaar; New-year’s Eve = Oudejaarsdag; Newish = eenigszins nieuw; Newly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: Newness = nieuwheid, onervarenheid.
New Britain (njûbrit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam voor Canada; New Guinea (njûgini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (njû hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.
Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.
Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A Newgate fringe beard = baard onder de kin.
News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of news = nieuwtje; No news is good news; I had news that = ik hoorde; What’s the news? = wat voor nieuws is er? News-agent = agent voor dagbladen, etc.; News-boy = courantenjongen = News-man; News-monger = nieuwtjesverspreider; News-paper = courant: Some of these essays are too obviously newspaperish = dragen al te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: News-room = tijdingzaal, leeszaal: News-vender, News-vendor = courantenverkooper; News-walk = buurt of wijk van een News-boy.
Newt, njût, watersalamander.
Newton, njût’n, Newton: Newtonian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling) van N.
Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel next your skin = op je bloote lijf; This next Thursday = den eerstvolgenden; Next time = de volgende keer: Next after you = dadelijk na u; I am the next in blood, next of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has next to nothing = zoo goed als niets; Next-door to poverty = de armoede nabij; He is next-door to an idiot = driekwart idioot; He lives next-door = hiernaast; Next eldest to = in leeftijd volgende op; Next M. in age = volgt op M.: What next? = wat zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?
Nexus, neksəs, band, verbinding.
Niagara, naiagərə: Falls of Niagara.
Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; Nib verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft nib = zachte pen; Hard nibbed = met harde punt.
Nibble, nib’l, Nibble verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook subst.: A glorious day for a nibble = prachtige dag om te hengelen; To nibble bare = kaal vreten; To nibble off; Nibbler = vitter.
Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).
Nicaea, naisîə: Nicaean councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.
Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch, teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a nice question = lastige vraag; You must not be nice about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; Niceish, naisiš, lief, aardig: A niceish girl; Niceness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The coat fits to a nicety = zit keurig; One must not stand upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.
Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; Niche verb. in een nis plaatsen, verbergen.
Nicholas, nikəlas: The Festival of St. Nicholas: Nichol(l)s, nikəlz.
Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik, hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); Nick verb. kerven, eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen, passen: gappen, zich vlug bewegen: Old Nick = de duivel; Speak of the Old Nick and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very nick, just in the nick of time = te juister tijd; That is out of all nick = gaat buiten de schreef.
Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a nickel = gooiden op; Nickel-plated = vernikkeld; Nickel-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik = nikkelachtig, nikkel... = Nickeliferous = nikkelhoudend.
Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).
Nick-nack, niknak = knick-knack.
Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: Nickname verb. een bijnaam geven.
Nicobar, nikəbâ: Nicobar Islands; Nicodemus, nikədîməs.
Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism = nicotinevergiftiging.
Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; Niddle-noddle verb. knikkebollen, op en neer gaan; The plumes niddle-noddled on the horses’ heads.
Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten bouwen.
Nidnod, nidnod, knikkebollen; Nidnody = sukkel.
Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.
Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).
Niemen, nîm’n.
Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).
Niger, naidžə.
Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; Niggardliness = vrekkigheid; adj. Niggardly.
Nigger, nigə, nikker: He works like a nigger = als een ezel.
Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling = peuterig, krenterig.
Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well nigh = bijna; To be nigh at hand = nabij zijn; To draw nigh = naderen; subst. Nighness.
Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van rouw en smart: At (By) night = ’s nachts = In the night; At dead of night = in ’t holst van; Last night = gisteravond; (Late) at night = (laat) in den avond (nacht); To-night = van avond; Taking night = avond waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first night(er) = eerste opvoering; To bid (wish) good night; We have made a night of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the night, To stay all night = overnachten; Night-bell = nachtbel; Night-brawler = (nacht)rustverstoorder; Night-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.); Night-cart = kar van den reinigingsdienst; Night-clothes (Night-dress) = nachtgoed; Nightfall = het vallen van den avond; Night-fly = avondvlinder, mot; Night-gear = nachtgoed; Night-gown = nachtjapon: Night-gown case = nachtzak; Night-jar = geitenmelker (= Night-hawk); Night-light; Night-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; Nightmare = nachtmerrie; Night-pan = ondersteek; Night-piece = nachtstuk; Night-porter = nachtportier; Night-school = avondschool; Nightshade = nachtschade (plant); Nightshirt = nachthemd; Night-soil = fæcaliën; Night-stand = nachtkastje; Night-stool = stilletje; Night-train; Night-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; Night-watch = nachtwacht; wekker; Night-watchman; Nightly = nachtelijk, elken nacht; Nighty = nachtpon.
Nightingale, naitingeil, nachtegaal.
Nigritia, nigrišə; adj. Nigritian, ook subst. neger.
Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.
Nil, nil, niets, leeg: Nil desperandum! = ende désespereert niet!
Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: Nilgiri Hills.
Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.
Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The nimble-fingered gentry = de heeren met lange vingers (dieven); Nimble-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst. Nimbleness.
Nimbus, nimbəs, stralenkrans.
Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.
Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.
Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.
Nine, nain, negen: The (sacred) nine = de muzen; Dressed up to the nines = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a nine days’ wonder = verbaast de wereld eene week lang; Nine corns = een pijp vol; Nine winks = knippertje (dutje); Ninepin = kegel: They were playing at ninepins = zij waren aan het kegelen; Ninefold = negenvoudig; Nineteen = negentien; She would chatter nineteen to the dozen = praatte honderd uit; Nineteenth = negentiende; Ninetieth, naintiəth, negentigste; Ninety = negentig; Ninth, nainth, negende; Ninely = ten negende,
Ninny, nini, sukkel.
Niobe, naiəbî, Niobe.
Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen, pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en koude), slag, wippertje (borrel): Nipped in the bud = in den knop gedood; in de kiem gesmoord; Nipped by the ice = ingesloten door; I’ll first take my nip and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He takes two nips a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was an exhilarating nip in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends; Nipper = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; Nippers = (kleine) nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; Nipping = knijpend, scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); Nippy = krachtig; scherp, bijtend: You had to look very nippy to see him = scherp en vlug kijken.
Nipple, nip’l, tepel.
Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.
Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster, tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel; civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.
Nit, nit, neet (van ongedierte).
Nitre, naitə, salpeter; Nitric: Nitric acid; Nitrification = salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen, stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: Nitrous acid = salpeterig zuur; Nitry = salpeter...
Nix(ie), niks(i), watergeest.
Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.
No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: No cards = algemeene kennisgeving; No such matter = geenszins; It is no matter = het kan niets schelen; By no means = in geen geval; Of no use = nutteloos; No! (als uitroep) = och kom! wat je zegt! There is no avoiding it = dat is niet te vermijden; The noes have it = het voorstel is verworpen; Twenty noes and five ayes = twintig stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting no = ontkenning van het bovenzinnelijke, de sceptische geest.
Noah, nouə, Noach.
Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old Nobs = de oude heer; Nobby = prachtig, piekfijn.
Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To nobble the favourite = de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; Nobbler = slag op het hoofd; diefjesmaat.
Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.
Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: Nobility of soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): Nobleman (Noblewoman) = adellijke (man, vrouw); Noble metals = edele metalen; Noble-minded; subst. Noble-mindedness; Nobleness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.
Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a nobody = een nul; They are nobody particular = zij zijn van gewone “kom-af”.
Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.
Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul, spekmuis of rosse vledermuis.
Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument voor nachtwachten.
Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne (muz.).
Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.
Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken; subst. knik, wenk: A nod is as good as a wink to a blind horse = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a nod = toeknikken; He was a man to nod to, not to speak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te houden; He nodded approbation, an affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a nodding acquaintance with him = kende hem eenigszins; Noddy = wankel.
Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.
Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the noddle = niet recht snik.
Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud, knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue; Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi, knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl, klompje, knoestje, knobbeltje.
Nog, nog, houten nagel; Nog verb. met nagels bevestigen.
Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.
Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.
Nohow, nouhau, in geen geval: To look nohow = er verloopen, slordig uitzien; Nohowish = onlekker.
Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; Noise verb. tieren; verspreiden, uitbazuinen: There is a noise abroad = er loopt een gerucht; Noise in the ear = oorsuizen; Hold your noise = schei uit met je lawaai; He made a great noise in his time = deed veel van zich spreken; It was noised about = rondgebazuind; Noiseless = stil, zonder geraas of geluid; subst. Noiselessness; Noisiness, subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.
Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. Noisomeness.
Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.
Noll, nol.
Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; Nomadism = zwervend leven; Nomadize = een zwervend leven leiden.
Nombril, nombril, navel (Herald.).
Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.
Nominal, nomin’l, nominaal: Nominal price; Nominal rank = titulaire rang; To pay a nominal rent = een zeer geringe huur; Nominalism = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; Nominalist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in nomination for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval = Nominative case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.
Non, non (in samenst.) niet, b.v. Non-ability = onbekwaamheid; Non-acceptance = non-acceptatie; Non-appearance = niet verschijning; Non-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); Non-attendance = niet verschijning; Noncom = non compos mentis, non-commissioned officer; A non-commissioned officer (zie Warrant-officer); A non-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft; Noncon, verkort voor Nonconformist = Dissenter, of voor Non-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); Non-conformist = afgescheidene; Non-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche kerk; Non-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; Nondescript = abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; Nonentity = nul; Nonintoxicants = niet alcoholische dranken; Nonjuring, nondžûriŋ, tot de Nonjurors behoorende; Nonjuror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; Non-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; Non-payment = niet betaling; That is a non sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; Non-sexual = geslachtloos; Non-stop = doorgaand; Nonsuit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; Nonsuit verb. aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.
Nonage, noneidž, minderjarigheid; Nonaged.
Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).
Nonagon, nonəgon, negenhoek.
Nonce, nons, alléén in: For the nonce = voor dezen keer; Nonce-word = gelegenheidswoord.