Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 36

Chapter 363,192 wordsPublic domain

Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met bloemen.

Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn: Our Lady of Dolours = naam van de H. Maagd Maria.

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a dolphin in a sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.

Dolt, doult, domkop, sukkel: Doltish = dom, sukkelachtig; subst. Doltishness.

Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.

Dombey, dombi.

Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.

Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; Dome-shaped = koepelvormig; Domed = met een koepel, gewelfd.

Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.

Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; Domestics = binnenl. producten (Amer.); Domestic animals = huisdieren; Domestic economy = huishoudkunde; Domestic peace = huiselijke vrede; Domestic quarrels = binnenlandsche twisten; Domesticate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; Domesticity, doumestisiti, huiselijkheid.

Domett, domət, katoenflanel.

Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; Domicile verb. (zijn) domicilie nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To domicile a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.

Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend, domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher; Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.

Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.

Dominical, dəminik’l: Dominical letter = Zondagsletter; Dominical prayer = het Onze Vader.

Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.

Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.); predikant van Holl. gemeente (Amer.).

Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: Dominion Day = nationale feestdag in Canada (1 Juli); The Dominion = Canada.

Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at dominoes = domino spelen; Domino-box = dominospel, mond vol tanden.

Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van een College aan een der hoogescholen; banjer; Donnish = pedant.

Don, don, aandoen.

Dona, dounja, Donna; meisje.

Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.

Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift, schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven.

Doncaster, doŋkəstə.

Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.

Donee, dounî, begiftigde.

Donegal, donəgôl, donəgôl.

Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).

Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.

Don Juan, dondžûən.

Donkey, doŋki, ezel; Donkeyess, doŋkiəs, ezelin; Donkey-engine = een kleine hulpmachine aan boord; Donkey-pump = stoompomp (voor den ketel).

Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: Donnybrook fair = woeste (Iersche) kermisboel); Donnybrook dance = woest gevecht; Donnybrook row = hevige ruzie.

Don Quixote, donkwiksət.

Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee Doodle = Amerik. volkslied.

Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).

Dood, dûd, kameel: Dood-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).

Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.

Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; Doom verb. veroordeelen, straffen, richten: The crack of doom = de jongste dag, het einde der wereld; Doomsday = dag des oordeels; Doomsday-book = kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den Veroveraar); Doomster = rechter.

Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).

Door, dö, deur, ingang: That was laid at his door = hem ten laste gelegd; It lies at his door = het is zijne schuld; It was never proved at his door = hem nooit bewezen; He lives next-door = in het huis (kamer) hiernaast; Next-door to him = naast hem; We had next-door to nothing = zoowat niets; In, within doors = binnenshuis; Out of doors = buitenshuis; Sent out of doors = weggestuurd; He leant against a door-casing (-case) = kozijn = Door-frame; Door-handle = kruk; Door-hinges = hengsels; Door-keeper = portier; Door-mat = deurmat; voetveeg (fig.); Door-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is as dead as a door-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a door-mat); Door-plate = naamplaatje; Door-post = deurstijl: He is as deaf as a door-post = zoo doof als een kwartel; Door-scraper = krabber; Door-step = stoep, of = Door-sill = drempel: You shall never darken my door(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel; Door-stone = steenen drempel; Door-way = ingang.

Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het diamantslijpen).

Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).

Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden der Geref. kerk in Zuid-Afrika.

Dor, dö, kever (bladsprietig) = Dor-beetle.

Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren; goudmakreel.

Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).

Dorchester, dötšəstə.

Dorée, derî, dorî, zonnevisch.

Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: Doric order = Dorische bouwstijl.

Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.

Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us allow the matter to lie dormant = laten rusten; Dormant partner = stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= Dormer-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.

Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.

Dorn, dön, rog, stekelrog.

Dorothy, dorəthi, Dorothea.

Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...

Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.

Dorsel, dös’l, soort wollen stof.

Dorset, dösət; Dorsetshire, dösətšə.

Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.

Dort, döt, Dordrecht.

Dory, döri, zonnevisch (= John Dory); platboomd bootje (Amer.).

Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); Dose verb. afmeten (van geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have dosed him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.

Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar; rijke draperie.

Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = Doss-house; Dosser = logé van een slaapstee, landlooper; huisvader.

Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.

Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.

Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); Dot verb. stippelen: Dotted lines = stippellijnen; Dot your i’s and cross your t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).

Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde oude gek.

Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.

Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He dotes on her = is dol op haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. Doteness.

Doth, dɐth = does.

Dottard, dotəd = Dotard.

Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.

Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.

Dottyville, dotivil: To be booked for Dottyville = naar “Meerenberg” moeten.

Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst. tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; Double verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen, over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken, bedriegen: They marched off at the double, at double-quick time = met den looppas; The Cape was doubled = omgezeild; He doubled his fists = balde; All the leaves were doubled down = aan alle bladen waren ezelsooren; We doubled upon the enemy = brachten hem tusschen twee vuren; Double-acting = dubbelwerkend (mechan.); Double-action; A double-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; Double-bass = contrabas; Double-breasted coat = jas met twee rijen knoopen; Double-chin = onderkin; A double-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; Double-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); Double-Dutch = koeterwaalsch; A double-dyed villain = een aartsschurk; Double-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); Double-edged sword = tweesnijdend; Double-entry: Book-keeping by double-entry = Italiaansch boekhouden; Double-faced = met twee aangezichten, aan beide kanten bruikbaar; onoprecht; Double-first = de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo iemand verkregen; Double-ganger = dubbelganger; Double-handed = met twee handvatten; Double-hearted = verraderlijk, valsch; Double-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); Double-minded = weifelend, besluiteloos; Double-railed = met dubbel spoor; Double-shot = dubb. lading; Double-shot verb. zwaar laden, aandikken (fig.); Double-tide = overuur; Double-tongued = uit twee monden sprekende; Double-track = dubbelspoor; Doubleness = dubbel zijn; dubbelzinnigheid.

Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.); Doublets = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide dobbelsteenen.

Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).

Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; Doubt verb. weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a doubt = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond doubt = buiten allen twijfel geplaatst; No doubt = ongetwijfeld; Doubtful = twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. Doubtfulness; Doubtless = ongetwijfeld.

Douche, dûš, douche, stortbad.

Dough, dou, deeg: My cake is dough = mijn plan is in duigen gevallen; A dough-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); Dough-kneaded = zoo zacht als deeg (Amer.); Doughnut = soort pannekoek; Doughy = week, bleek.

Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.

Douglas, dɐgləs.

Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).

Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; Douse verb. plotseling onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.

Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); Dove-cot(e), Dove-house = duivenhok, duiventil; Dove’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; Dovetail, subst. zwaluwstaart; Dovetail verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages dovetail into one another = sluiten in elkander.

Dover, douvə: The Straits of Dover = het Nauw van Calais; Dover Court = een luidruchtige bijeenkomst.

Dowager, dauidžə, douairière: Queen dowager = koningin-weduwe (moeder).

Dowden, daud’n.

Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj. ouderwetsch, slonzig = Dowdyish.

Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; Dowel verb. met pennen verbinden.

Dower, dauə, subst. weduwengoed; Dower verb. een uitzet geven; Dowerless = zonder bruidschat, arm.

Dowlas, dauləs, grof linnen goed.

Dowl(e), daul, pluim, veder.

Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin, schapenweide: The Downs = een groote reede aan de kust v. Kent; Downy = donzig, piekfijn.

Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; Down verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: Down the country = weg van de hoofdstad; Down the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; Down the stream = stroomafwaarts; Down town = naar het centrum (handelswijk) der stad; To be down at heel = afgetrapt; To be down for a club = vóórhangen; To be down in the mouth = neerslachtig = Down on one’s luck = in moeielijkheden; Down the wind = met den wind mee; I like her down to the ground = dolgraag; That part suits you down to the ground = is geknipt voor je; From the mayor down to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be down on = uitvaren tegen; I’ll be down upon you = ’k zal je wel krijgen; To be down with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; Down with him = weg met hem; To feel down = somber, neerslachtig; To go down into the country = naar buiten gaan; That will not go down with me = dat wil er bij mij niet in; He has gone down = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten); The wind is down = is gaan liggen; To look down upon = neerzien op; To pay down = kontant; To turn upside down = onderste boven keeren; In writing for children, be careful not to write down too much = niet te kinderachtig te schrijven; He is not to be downed by censure = laat zich niet ontmoedigen; To downbear = drukken, verdrukken; A downcast look = sombere blik; Downcome = plotselinge val, omverwerping; He is a down-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); Downfall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; Downhaul = touw om een zeil neer te halen; Downhearted = neerslachtig; Downhill = bergafwaarts: Downhill work = gemakkelijk werk; Down-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af); Down-passenger = passagier met een Down-train; Downpour = plasregen; Downright = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A Downright fool = gek in folio, echte dwaas; subst. Downrightness; Downstairs = (naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was down-thump on him = pakte hem (te) hard aan; Down-stroke = neerhaal, neergaande beweging; Down-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); Down-trod(den) = platgetreden, overheerscht; Down-weed = roerkruid, viltkruid; Downy = sluw.

Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.

Dowse, daus. Zie Douse.

Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.

Doxy, doksi, liefje; snol.

Doze, douz, subst. dutje, sluimering; Doze verb. sluimeren, dutten, suffen.

Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s dozen = dertien.

Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.

Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (Drabs = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too drab to last = te zwak; Drabbish = vuil, geelgrauw; Drabby = vuil, slonzig.

Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met een grondangel.

Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.

Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt; nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.

Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den bodem; vliegende draak = Draco volans, soort van hagedis (Indië en Afrika); Draconian, drəkounj’n, Draconic(al), drəkonik(’l), Draconisch.

Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of schelvischduivel.

Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and draff = volkomen waardeloos iets.

Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht, rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig voor een schip; Draft verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren: Finnish battalions will be drafted into the Russian regiments; He was drafted off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; Draft bill = concept. Zie ook Draught.

Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.), sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans met vier paarden; Drag verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen, uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet vlotten: The affair Dragged = vlotte niet; Drag-bar = koppelstang; Drag-chain = remketting; Drag-hunt, Zie Anise; Dragman = visscher, die een sleepnet (Drag-net) gebruikt; Drag-rope = trektouw.

Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A draggle-tail, a draggle-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; Draggled skirts = vuile rokken.

Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).

Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw); sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid, keizersalade; Dragon’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); Dragon-fish = pitvisch; Dragon-fly = paardebijter, waterjuffer; Dragon’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.); Dragon-tree = drakenbloedboom; Dragonet = kleine draak.

Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); Dragonnade verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder; Dragoon verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The military vice of dragooning is unsuited to civic life = van “donderen”.

Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; Drain verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy drain on my purse = dat kost veel geld; Drains = korrels uit de brouwerskuip; Drainable = wat gedraineerd kan worden; Drainage, dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; Drain(age)-pipe = draineerbuis; Drainer = vergiet, schep; Draining-engine = pompmachine (voor waterafvoer); Drain(ing)-tiles = draineerpannen; Draining-well = zinkput; afvoerput.

Drake, dreik, woerd: Drake-stone = steentje, om over het water te keilen.

Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje; Dram verb. zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, trakteeren: Not a dram = geen zier; Dram-drinker = borrelaar; Dramshop = kroeg.

Drama, drâmə, drama; Dramatic, drəmatik, dramatisch: The dramatic speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown Dramatically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.

Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; Draper = lakenhandelaar: The Drapers’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; Drapery = lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie; Drape verb. drapeeren.

Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).

Drat, drat: Drat the boys = die “duivelsche” jongens.

Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug, drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp, klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; Draughts = damspel; Draught verb. ontwerpen, concipieeren: At a draught = in één teug; A boat with a light draught = met geringen diepgang; Ale on draught = bier van het vat; Draught and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; Draught-animals = trekdieren; Draught-board = dambord; Draught-dog = trekhond; Draught-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); Draught-ox = trekos; Draught-screen = tochtscherm; Draughtsman = teekenaar; Draughty = tochtig.

Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; Draw verb. trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken, wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen; leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The draw of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure draw = trok veel menschen; The game ended in a draw = bleef onbeslist; To draw a bead upon = mikken op; To draw blood = een bloedende schram of wonde veroorzaken; To draw bridle = stilhouden; To draw a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To draw a curtain = dicht trekken; To draw a fox = doen ‘uitvaren’; To draw a letter = opstellen; To draw the long bow = met spek schieten; To draw a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; Draw it mild = maak ’t niet te erg; To draw money = trekken, opnemen; To draw a parallel; He draws a straight furrow = hij is een eerlijke kerel (Amer.); What water do you draw = hoe diep ligt gij? The ship draws twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To draw along = voorttrekken; To draw back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To draw forth = uittrekken, ontlokken; To draw in = intrekken, aantrekken, inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings are drawing in = de dagen worden langer; The time draws near = nadert; His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be able to draw him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led off on that subject to draw out my guest = om mijn gast aan ’t praten te krijgen; They don’t draw well together = harmoniëeren niet; They were drawing together = er ontstond toenadering; A report was drawn up = opgesteld; To draw up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were drawn up in array of battle = opgesteld in slagorde; She draws kindly with him = harmoniëert goed; Drawback, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a drawback which disappears in time = een gebrek; The drawback is, that - - = er is tegen, dat...; Draw-bar, drôbâ, koppelstang; Draw-bridge, drôbridž, ophaalbrug; Draw-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang; Draw-net, drônet, vogelnet; Draw-plate, drôpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te verdunnen of te rekken; Draw-well, drô-wel, put met ketting; Drawee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; Drawer = trekker, putter, tapper, trekdier, lade: A pair of drawers = onderbroek; Bathing-drawers = zwembroek; Chest of drawers = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of drawing = slecht geteekend; Drawing-board = teekenplank; Drawing-book; Drawing-chalk; Drawing-knife = polijststaal; snijmes; Drawing-master = teekenleeraar; Drawing-paper; Drawing-pen = trekpen; Drawing-pin = punaise, stiftje; Drawing-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s drawing-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel drawn to that conclusion = voel mij getrokken tot: A drawn battle (game) = onbeslist; Drawn butter = gewelde; A drawn fowl = schoongemaakte vogel; A drawn and wrinkled face = strak.

Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een persoon in Buckingham’s Rehearsal).

Drawl, drôl, subst. temerige spraak; Drawl verb. temerig spreken; adj. Drawly.

Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; Dray-horse; Drayman = sleeper; Drayage = gebruik en huur van een dray.

Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; Dread verb. vreezen, duchten: Dreadnought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); Dreadful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny dreadfuls = goedkoope sensatieromans; subst. Dreadfulness; Dreadless = onbevreesd; subst. Dreadlessness.

Dream, drîm, subst. droom; Dream verb. droomen, in een droom zien, zich verbeelden: Dreams go by contraries = komen altijd anders uit; He dreams away his life = hij verbeuzelt zijn leven; Dreamer = droomer; Dreamy = droomerig.