Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 31
Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; Dash verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen, besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door, teleurstellen, snel bewegen: Dash of the pen = pennestreek; A dash of romance = tintje; A dash under the word = streep; A morning dash through the Park = morgenritje; At first dash = op het eerste gezicht; He wanted to cut a dash (figure), and lived above his income = wou bluf slaan; I got a dash of German = een hap en een snap; I dashed at him = vloog op hem aan; I dashed this paper off in two hours’ time = ik heb dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I dashed it out = ik streek het uit; Dash it = wat duivel! Dash-board, dašböd, spatbord (vooraan een rijtuig); Dasher = schepbord, stamper; fat; Dashing = kranig, flink, voornaam, zwierig; Dashy = opzichtig, fijn gekleed.
Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; Dastardliness = lafhartigheid, blooheid; adj. Dastardly.
Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.
Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; Date verb. dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of date, up to date = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me under date Oct. 2; To date = totnutoe; Dateless = zonder datum; Date-palm.
Dative, deitiv, dativus.
Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.
Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; Daub verb. besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren, grof vleien; Dauber = knoeier, kladschilder; grove vleier; Daubery = knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig, lijmerig.
Daughter, dôtə, dochter; Daughter-in-law = schoondochter; Daughter of Heth = zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).
Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; Dauntless = onbevreesd; subst. Dauntlessness.
Dauphin, dôfin, dauphin; Dauphiness; Dauphiny = Dauphiné.
Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel; Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.
Davits, deivits, davits (scheepst.).
Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to Davy Jones’s Locker of Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.
Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).
Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.
Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular dawdle(r) = echte zeur.
Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit. Ind.); Dawk verb. eene inkeping maken.
Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.
Dawn, dôn, subst. dageraad; Dawn verb. licht worden, dagen, aanbreken: At dawn of day = bij het aanbreken van den dag; It dawned upon me = er ging me een licht op, ’t werd me bewust; Dawning = dageraad; flauw idee.
Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: Day by day = dag aan dag; A day to order = uitgezochte; All day (long) = den geheelen dag; Every day = alle dagen; Every other day = om den anderen dag; One day = op een dag; One of these days = een dezer dagen; This day fortnight, sennight = vandaag over veertien, acht dagen; For ever and a day = voor eeuwig; To-day = vandaag; These systems have had their day = hun tijd; We lost the day = den slag; The emperor won the day = behaalde de overwinning; A day’s march; A several day’s journey; Day of grace = dag der genade; Days of grace = respijtdagen; Day-bed = rustbank, sofa; Day-blush = dageraad; Day-boarder = scholier in den halven kost; Daybook = journaal; Daybreak = het dagen; Day-coal = bovenste kolenlaag; Day-dream = mijmering, luchtkasteel; Day-fly = eendagsvlieg; Day-labourer = daglooner; Daylight; Day-scholar = externe; Day-room = zitkamer, huiskamer; Daysman = scheidsrechter (Job. IX 33); Dayspring = dageraad; Day-star = morgenster; Day-ticket = dagkaart; In the day-time = overdag; Day-wearied = vermoeid van het dagwerk; Daywork = dagwerk; Day’s-work = bestek (zeeterm).
Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving; mica; Daze verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle, daz’l, subst. schittering; Daze verb. verblinden, verwarren, verbijsteren.
Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained, i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); Deaconess = diacones; Deaconry = Deaconship = ambt van een deacon.
Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep, pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald, blind, somber: He is a dead man = een man des doods; Just dead = pas gestorven; Dead and gone = gestorven, al lang begraven; He was dead of small-pox = gestorven aan; At dead of night = in het holle van den nacht; In the dead of winter = in het hartje; The book fell dead-born from the press = werd doodgezwegen; To stop dead (= To come to a dead stop) = plotseling blijven staan (steken); The wind was dead against us = vlak tegen; (He is) dead-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom (Slang); I had it a dead bargain = spotgoedkoop; Dead-beat = doodop; Dead-broken = geruineerd; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; Dead capital = renteloos kapitaal; Dead certain = beslist zeker; Dead colour(ing) = doodverf, grondeering; Dead copper = dof koper; Dead drunk = stomdronken; It was a dead failure = het mislukte totaal; He went off (into) a dead faint, fainted dead away = viel geheel van zich zelf (in zwijm); Dead head = bezitter van een vrijbiljet voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a dead heat = kamp; Dead horse = vooruit betaald werk; The actor was dead letter-perfect = volkomen rolvast; Dead letter = onbestelbare brief; The country is a dead level = volkomen vlak; Dead lift = zware last; Dead-lights = luiken; phosphorisch lichten van doode visch; We have him at a dead-lock = in onze macht, tot staan, vastgezet; Things have come to (are at) a dead-lock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; Dead in love = smoorlijk verliefd; The band played the dead-march in Saul = de marche funèbre uit Saulus; How many dead men did you count? = ledige flesschen; Dead on end = in tegengestelden koers; Dead-reckoning = raming; gegist bestek; The Dead Sea = de Doode Zee; A dead security = waarborg van geen waarde (bijv. stilstaande fabriek); The dog made dead-sets at me = venijnige aanvallen; He is a dead shot = schiet nooit mis; We were in a dead stand = in groote verlegenheid; I made a dead stand against him = ik verzette mij krachtdadig tegen hem; Dead stock = renteloos kapitaal; It came to a dead stop = hield in eens op; Dead-struck = doodelijk getroffen; vervuld van afgrijzen; Dead wall = blinde muur; Dead-water = kielwater; Dead-weight = doode last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal; voorschot van de Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of gepensionneerd zijn; Deads = uitgeworpen gesteente bij het graven; Deaden = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans ontnemen; Deadlihood = de staat der dooden; Deadliness = doodelijkheid, gevaarlijkheid; Deadly = doodelijk, vergiftig, vreeselijk: Deadly nightshade = belladonna; Deadly sin = doodzonde.
Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is deaf-and-dumb = doofstom; Deaf-mute = doofstomme; Deaf of an ear = doof aan één oor; Deaf to prayers = doof voor; I am deaf with the noise = doof van het lawaai; Deafen = verdooven, doof maken: The floor was deafened = ondoordringbaar gemaakt voor geluid.
Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten), deel (hout); Deal verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen, handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White deal = vurenhout; Red deal = grenenhout; A deal = een hoop; A great (good) deal of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The deal is with me, I have the deal, I have to deal = ik moet geven; To make a deal = eene overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal at? = waar koopt hij zijne waren; Deal by others as you wish to be dealt by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te worden; He deals in wines and spirits = handelt in; He has troublesome customers to deal with = hij heeft met lastige klanten te doen; I deal with him = ben bij hem in den winkel; Deal-box = spanen doos; Dealer = koopman, handelaar; Dealing = omgang, verkeer, handeling.
Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); Dean and chapter = domkapittel; Rural dean = geestelijk hoofd van eenige plattelandsgemeenten; Deanery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van een Deanship = ambt van een Dean.
Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh dear! = hemeltjelief! Dear me = Goede Genade; There’s a dear = dan ben je een beste; My dear = lieve (ook mv. dears); M. is such a dear = zoo’n snoes; Dear-bought = duurgekocht; Dearly = innig, dolgraag: I should have dearly liked to go there = had er dolgraag heen gewild; Dearness = duurte, kostbaarheid; innigheid; Dearth, dɐ̂th, schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede; Deary = lieveling, schat.
Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of nacht): To bore to death = doodelijk vervelen; To do to death = dooden; overdrijven; To drink oneself to death = doodzuipen; Frightened to death, Frozen to death = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put to death = ter dood brengen; To ride a free (willing) horse to death = misbruik maken van iemands goedheid; To be in at the death = tegenwoordig zijn bij het dooden van den vos; ook fig.: bij de tragische ontknooping; You will be the death of me = je zult nog mijn dood zijn, ik zal het besterven (ook van lachen); It was war to the death with Germany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland; Death when it comes, will have no denial; Death is deaf, and hears no denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s breath is another man’s death = den eene zijn dood is den ander zijn brood; Death devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; Death keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; Death-bed; Death-bell; Death-blow = doodelijke slag, genadeslag; Death-duties = successierechten; Death-hurt = doodelijke wonde; Death-rates = sterftecijfers; Death-rattle = gerochel; I have been at death’s door several times = ben er na “aan toe” geweest; Death’s head = doodskop; Deathsman = beul; Death-stroke = doodelijke slag; Death-struggle, Death-throe = doodstrijd; Deathtrap = valluik voor een gevangene, gevaarlijke plaats; Death-warrant = bevelschrift tot terdoodbrenging; Death-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks getik eertijds geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); Deathful = doodelijk: Deathless = onsterfelijk; Deathlike = als dood, doodelijk; Deathly sick = doodziek.
Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht, ondergang, val.
Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.
Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.
Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst. Debasement; Debaser.
Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat, woordenstrijd; Debatable verb. debatteeren, nadenken over (on, upon), behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.
Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; Debauch verb. bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn; Debauchedness = liederlijkheid; Debauchee, debôšî, lichtmis; Debaucher = verleider; Debauchery = losbandigheid, verleiding.
Debenture, dibentjə, obligatie (= Debenture Bond); betalingsmandaat; mandaat door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men terugkrijgt: Debenture holder = obligatiehouder; Registered debentures = obligatiën op naam; Debentured goods, goederen waarvoor men de betaalde rechten terugkrijgt.
Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking; Debility = zwakheid.
Debit, debit, subst. debet, debetzijde; Debit verb. debiteeren: To the debit of = ten laste van; No one could be credited or debited with any knowledge of it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij er iets van wist.
Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.
Deborah, debərə.
Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street is to debouch into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst. Debouchment.
Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.
Debt, det, schuld: An action of debt = schuldvordering; Debt on call = opzegbare schuld; You are in my debt, head over ears in debt = bij mij in de schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the debt of nature = tol der natuur; To run into debt = schulden maken: Debtor, detə, schuldenaar, debiteur; Debtor-side = debetzijde.
Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) = debutant(e).
Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.
Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).
Decadence, Decadency, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent = decadent.
Decagon, dekəgon, tienhoek.
Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.
Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.
Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.
Decameron, dikaməron, Decamerone.
Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.
Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.
Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.
Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; Decanter, dikantə, wijnkaraf.
Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst. Decapitation.
Decapod, dekəpod, tienpootig: Decapods = Decapoda, dikapədə, de tienpootigen.
Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization; Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.
Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.
Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj. Decasyllabic.
Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; Decay verb. vervallen; vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) decay = in verval geraken, te gronde gaan; A decayed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away will soon decay = rust roest; Decayedness = toestand van verval.
Decease, disîs, subst. dood, overlijden; Decease verb. sterven: The deceased = de overledene(n).
Deceit, disît, bedrog, begoocheling; Deceitful = bedriegelijk, listig; subst. Deceitfulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen; subst. Deceivableness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen, teleurstellen; Deceiver = bedrieger.
December, disembə, December; Decemberly = winterachtig.
Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj. Decemviral; Decemvirate = decemviraat.
Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.
Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.
Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.
Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; Decentralization verb. Decentralize.
Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive = bedriegelijk; subst. Deceptiveness.
Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).
Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He decided me to go there = kreeg er mij toe; Decidedly true = bepaald waar.
Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst. Deciduousness.
Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst. tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points) of decimals; Decimal fraction = tiendeelige breuk; Decimal six = nul komma zes = 0,6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden, in grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre, desimîtə.
Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; Decipherable = ontcijferbaar; Decipherer.
Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive, disaisiv, beslissend, afdoend: Decisionness = vastberadenheid.
Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); Deck verb. tooien, versieren, bedekken, van een dek voorzien: The decks were cleared = alles werd in orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the decks = hebt gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.); Decked out = getooid; Deck-chair = rieten dekstoel; Deck-passenger.
Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He declaimed against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen; Declaimer = declamator; Declamation = redevoering, voordracht, hoogdravende rede; Declamatory = gezwollen, hoogdravend.
Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; adj. Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə, verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I declare = ik moet zeggen; The result was declared as follows = bekend gemaakt; He declared himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had not yet declared himself = nog geen partij gekozen; His name was declared at the Exchange = werd aangeslagen op de beurs als failliet; Anything to declare? = iets te declareeren; I have declared the contract off = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten; Declared = openlijk; Declarer.
Declassed, diklâst, uitgestooten.
Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking, verbuiging; bedanken (Amer.).
Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval, achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: Declination of the needle (compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend, afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van een hof (Schotl.).
Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering; Decline verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen, uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a decline = uitteren; He is on the decline = gaat achteruit; Prices are declining = gaan achteruit; Declining age = hooge ouderdom.
Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous = schuin, hellend = Declivous.
Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. Decoction.
Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.
Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt, bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.
Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite, Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.
Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.: A decompound leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.
Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n, versiering, sieraad, decoratie: Decoration day = 30 Mei (in Amerika), bestemd tot versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden (1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend; Decorator = versierder, (decoratie)schilder.
Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. Decorousness; Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.
Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi; Decoy verb. verlokken, verleiden; Decoy-duck; Decoy-man = kooiker.
Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen (van het water); Decrease verb. dikrîs, verminderen, (langzaam) afnemen.
Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; Decree verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: Decree nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig zoolang geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To decree levies = lichtingen uitschrijven.
Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.
Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.
Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.
Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.
Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo (Muz.).
Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een decreet behoorend.
Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet brengen.
Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent = liggend, bedlegerig.
Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; Decuple verb. vertienvoudigen.
Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.
Decussate, dikɐsit, kruisstandig; Decussate verb. dikɐseit, dekəseit = kruiselings snijden.
Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; Dedicate verb. dedikeit, toewijden, opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen; Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory = bij wijze van opdracht.
Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); Deducement = gevolg; Deducible = af te leiden uit (from).
Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges deducted = na aftrek van kosten; Deduction = vermindering, afneming, gevolgtrekking; The deductive method = de deductieve methode.
Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; Deed verb. bij akte overdragen (Amer.): Deed of gift = schenkingsakte; Deed of partnership = acte v. vennootschap; Deed of sale = koopakte; Deed of trust = volmacht; He was caught in the very deed = op heeterdaad; Deed-poll = hoofdelijke akte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt; Deedy = ijverig, knap.
Deem, dîm, oordeelen, denken: He deemed it an honour = achtte het eene eer.
Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.
Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag, achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog, donker, sluw: He is a deep one = een slimmerd; Of a deep blue (colour) = donkerblauw; They have drunk deep = zwaar gedronken; He lied deep = loog schandelijk; To play deep = hoog spelen; A deeply-bitten sketch of the city of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The deep-mouthed thunder = krachtige en holklinkende; Deep-read in the classics = zeer belezen; The deep-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen diepte; Deep-set = diepliggend; Deep-toned instruments = zwaar (plechtig) klinkende; Deepen = verdiepen, donkerder (sterker) worden of maken; Deepmost = diepste, verste; Deepness = scherpzinnigheid, sluwheid.
Deer, dîə, hert; goedje: The small deer = het kleine grut; Deermouse = eekhorentje (Canada); Deer-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een paard); Deer-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met oorkleppen) door deze jagers gedragen; Deer-stalking, stôkiŋ, jacht op herten (door ze te besluipen).
Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan; bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. Defacement.
Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten; verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing; Defalcator, Defalcator = verduisteraar.
Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame, difeim, lasteren, eerrooven.
Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); Default verb. bij verstek veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.): Judgment by default = veroordeeling bij verstek; To go by default = bij verstek veroordeelen; door afwezigheid van een der partijen niet doorgaan; He made (a) default = hij verscheen niet; To suffer a default = verstek laten gaan; In default of = bij gebreke van: A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in default = subsidiair 7 dagen gevang.; Defaulter = woordbreker, misdadiger, wanbetaler.
Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing; Defeasanced = vernietigbaar = Defeasible.
Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving, ongeldig verklaring; Defeat verb. verslaan, verijdelen, van nul en geener waarde maken; berooven.
Defecate, defikit, adj. gezuiverd; Defecate verb. defikeit, zuiveren, klaren; subst. Defecation.