Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 147

Chapter 1473,408 wordsPublic domain

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of water), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; Water verb. besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of water had flowed under the bridge (Much water had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first water = van het zuiverste water; Gentlemen of the first water = hoogsten rang; He is a prig of the first water = een verschrikkelijke kwibus; Bilge water = water onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low water = laag water: To be at at low water = in geldverlegenheid zijn; Slack water = dood tij; He has water on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold water = dat is lek; Your reasoning won’t hold water = uwe redeneering houdt geen steek; To make water = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul water = raakte met de kiel den bodem; To take the waters = de baden gebruiken; He threw cold water over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread water = watertreden; This kept my head above water = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at water = als je over een sloot moet springen To go by water = over zee gaan; To convey by water = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all waters = van alle markten thuis; We were in deep water(s) = in een moeilijke positie; You have got into hot water = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like water; To spend money like water; My mouth waters = het water loopt me om de tanden; The flowers were waterd = werden begoten; To water horses = water geven; It made my mouth water = het deed me watertanden; To set a person’s mouth watering = doen watertanden; After watering we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; Water-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; Water-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: Water-bath = waterbad; Water-bearer = Waterman (Dierenriem); Water-bed = waterbed; Water-bottle = karaf; Water-buck = waterbok (Z.-Afr.); Water-bug = watertor; Water-butt = water- of regenton; Water-carriage = vervoer te water; Water-cart = sproeiwagen; Water-closet = closet, W.C.; Water-cock = waterkraan; waterhoen; Water-colour = waterverf, schilderij in waterverf = Painting in water-colours; Water-colourist = waterverfschilder; Watercourse = stroompje, stroom, waterloop; Water-craft = schepen, booten, enz.; Water-crane = waterpomp (voor een locomotief); Water-cress = waterkers; Water-crowfoot = water-boterbloem; Water-cure = waterkuur: Water-cure establishment; Water-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; Water-dog = waterhond; Water-drain = draineerbuis; Water-drainage = draineering; Water-dray = soort zolderschuit; Water-dressing = koudwatercompres; Water-drop = droppel water, traan; Water-engine = schepmolen; Waterfall = waterval; Water-flag = gele lisch; Water-flea = watervloo; Water-flood = overstrooming; Water-fly = oevervlieg; Water-fowl = watervogel; Water-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; Water-furrow verb. draineeren door greppels; Water-gall = gat in den grond door hevigen regen; bijregenboog; Water-gas = watergas; Water-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; Water-gauge = peilglas; Water-gilder = iemand die de kunst verstaat van Water-gilding = watervergulding; Water-gruel = watergruwel; Water-gruelish, flauw, smakeloos; Water-hen = waterhoen (-hennetje); Water-kelpie = watergeest; Water-level = waterstand, waterpas-instrument; Water-level-line = waterpeil; Water-lily = waterlelie, plomp; Water-line = waterlijn (diepgang van een schip); Water-logged = vol water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; Water-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); Water-man = schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; Water-mark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; Water-meadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; Water-melon = watermeloen; Water-meter = watermeter; Water-mill = watermolen; Water-nymph = najade; Water-omnibus = trekschuit; Water-ordeal = waterproef; Water-parsnip = breedbladige watereppe; Water-pitcher = waterkan; Water-plant = waterplant; Water-poise = hydrometer, waterpas; Water-pot = waterpot, waterkan; Water-power = waterkracht; Water-pox = waterpokken; Waterproof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; Waterproof verb. ondoordringbaar maken voor water; Water-ram = hydraulische ram; Water-rat = waterrat; Water-rate = waterbelasting; Water-ret = Water-rot; Water-rocket = waterrot (vuurwerk); Water-rot = roten; Water-scape = rivier- of zeegezicht (schilderij); Watershed = waterscheiding; Waterside = waterkant; Water-snake = waterslang; Watersouchy. Zie Zoutch; Water-spaniel = waterhond; Water-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; Water-supply = wateraanvoer; Water-tank = reservoir; Water-tap = waterkraan; Water-tight = waterdicht; Water-vole = waterrat; Water-wagtail = gele kwikstaart; Waterway = waterloop, waterweg, vaarwater; Water-weed = waterpest; Water-wheel = scheprad; Water-works = de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); Water-worn = door het water gerond of afgesleten; Waterage, wôtəridž, loon voor vervoer te water; Watered = gewaterd, moiré: A watered-down belief = verwaterd; Watering: Watering-can = gieter; Watering-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; Watering-cart = sproeiwagen; Watering-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; Watering-pot = gieter; Watering-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig, verwaterd; subst. Waterishness; Waterless = droog, zonder water. Zie Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: Watery eye = vochtig oog; Watery kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v. acacia (Australië); Wattle verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; Wattle-bark = bast der Austral. acacia; Wattle-bird = soort bijenwolf; Wattle-work = werk van gevlochten teen; Wattled; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven); Wave verb. golven, wapperen, wenken, wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the waves = op (door) de golven geslingerd; He waved his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand; Wave-length = afstand tusschen twee golven; Wave-motion = golvende beweging; Wave-offering = beweegoffer (Levit. VIII, 27); Wave-shell = golving (bij aardbevingen); Wave-worn = door de golven afgesleten of gerond; Waved = gegolfd, gewaterd; Waveless = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; Wavelet = golfje, rimpel; Wavelike = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I waver in my conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; Waverer = weifelaar, besluitelooze; Waverous, Wavery = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; Wax verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter worden: As close (tight) as wax = zoo dicht als een pot; He sticks to me like wax = hij hangt aan me als een klit; There is a man of wax = jij bent een beste kerel; A stick of sealing-wax = pijp lak; His eyes are waxing dim = worden dof; Wax-candle = waskaars; Wax-chandler = waskaarsenmaker; Wax-cloth = wasdoek; Wax-doll = wassen pop; Wax(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; Wax-flower = kunstbloem (van was); Wax-light = waskaars; Wax-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); Wax-match = waslucifer; Wax-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in was); Wax-taper = waskaars; Wax-tree = pruikenboom; Wax-vesta = waslucifer; Wax-wick = waspit; Waxwork = wassenbeelden, anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s Waxworks (familiaar: Waxers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The waxwork room = wassenbeeldenzaal; Waxworker = die in was werkt, bij; Waxed = gewast; Waxen = van was, wasachtig, week als was; Waxiness, subst. v. Waxy = als was, met was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a way with him = hij heeft zoo iets over zich; Where there is a will there is a way = willen is kunnen; That’s the way = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that way, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; That’s the way of wives = zoo doen onze vrouwtjes; It is the other way about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; Way in, way out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told me so by the way = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my photo by way of apology = bij wijze van excuus; That is by way of learning a trade = het is met het doel om; We went there by way of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a long way = op lange na de eerste maal niet; For once in a way = bij uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my way = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your way for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general way = over ’t algemeen; The picture is, in a way, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the way of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the way here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the way? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-way place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the way on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my way = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the way = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s way = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his way to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; I won’t go out of my way to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the way = hier tegenover; The ship got under way (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of way for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; Ways and means = bronnen van inkomsten: The committee of ways and means has granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any way he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad way = er slecht aan toe; He has got into bad ways (fallen in evil ways) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every way = in alle opzichten; She is in the family way = ze moet bevallen; The village lies half way between the towns = halverwege tusschen; He went London way = den weg naar Londen op; He begged his way back to his native village = ging al bedelende; Clear the way, there! = maak ruim baan; Come this way, sir = kom eens hier, baas(je); Come your way(s) = allo! ga mee; He elbowed his way through the crowd = baande zich een weg door; He got his own way = kreeg zijn zin; He went his way(s) = ging heen, vertrok; He has gone the way of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long way with the minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) way = zijn zin hebben; Will you lead the way? = vooropgaan; I had lost my way = ik was verdwaald; He is sure to make his way in the world = zal zijn weg wel vinden; At your age you must make (a) way for another = moet ge plaats maken, wijken; We made the best of our way home = maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own way = gij moet zelf weten wat ge doet; He took his way to Antwerp = vertrok naar; interj. (= Away) weg: Way back! = terug; Go (your) way = ga weg! Oh, do way John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) ways = stapelblokken (Scheepst.); Way-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een vrachtwagen): Express, ordinary, parcel way-bill = lijst van de ijl-, vracht-, bestelgoederen; Way-board = leemader; Way-bread = groote weegbree; Wayfarer = reiziger; Wayfaring = het reizen; Wayfaring-tree = wollige sneeuwbal; Waygoing = vertrekkend, reis—: Waygoing crop = oogst van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; Way(z)goose = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; Waylay, weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); Waylayer = belager; Way-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; Way-maker = baanbreker, voorlooper; Way-mark = wegwijzer; Way-passenger = onderweg opgenomen passagier (Amer.); Wayside, subst. weg, kant van den weg: Tales of a wayside inn = verhalen in eene herberg aan den weg; Way-station = tusschenstation (Amer.); Way-warden = wegopzichter; Waysore = Way-worn = moe van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. Waywardness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); Waywode-ship.

We, wî, wij: It is we = wij zijn het.

Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig: This coffee is as weak as ditch-water = zoo slap als spoelwater; He is as weak as water in his wife’s hands = als was in de handen van zijne vrouw; That is his weak side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde; The weak spot in the scheme = het zwakke punt; In the struggle for life the weakest go to the wall = bezwijken de zwaksten; Weak verbs = zwakke werkwoorden; Weak-eyed = met zwakke oogen; Weak-headed = met gering verstand; Weak-hearted = flauwhartig; Weak-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; Weak-made = zwak gebouwd, onsterk; Weak-minded = zwak, besluiteloos; Weak-sighted = met een zwak gezicht; Weak-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; Weakener; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a weakness for = zwak hebben voor.

Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen; Weal verb. striemen: Weal and woe = wel en wee; The common, general, public weal = het algemeene welzijn of nut.

Wealth, welth, rijkdom, overvloed = Wealthiness; adj. Wealthy = rijk.

Weald, wîld, open boschland: The Weald = zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.

Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to wean him from Bessie = aan B. te onttroggelen; Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.

Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no weapon handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen! Weaponed = gewapend, toegerust; Weaponless = ongewapend.

Wear, wîə.

Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode; Wear verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had suffered much from the wear and tear of time = door den tand des tijds; There is yet a good year’s wear in that coat = die jas kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for wear = nog niet veel versleten; To be all the wear = algemeen gedragen worden; She wears the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to wear it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You wear your sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To wear the willow = om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day wears away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks will never wear away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will wear off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To wear out = afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van, uitgeput; To wear ill = zich slecht houden; His patience is wearing thin = raakt op; This cloth wears well = houdt zich goed in het dragen; You wear (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; Wearable = geschikt om te dragen; Wearer = drager, wat uitslijt; Wearing: Wearing-apparel = lijfdracht, kleederen.

Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend; subst. Wearisomeness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk; Weary verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for): I am weary of working = het werken moe; I am weary with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of patience = zijn geduld verliezen.

Weasand, wîz’nd, luchtpijp.

Weasel, wîz’l, wezel: Catch a weasel asleep! = jij zult mij te pakken nemen! Weasel-faced = met een scherp en mager gezicht.

Weather, wedhə, subst. weder of weer; Weather verb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen: Fair, fine, settled weather = mooi, bestendig; Foul, Wild weather = slecht, onstuimig; How is the weather? = What is the weather like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of weather = had met hevige stormen te kampen; The weather has been very settled these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The cold weather at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship makes good (bad) weather = houdt zich goed (slecht) in een storm; To sing and dance all weathers = de huik naar den wind hangen; Weather and wind permitting = wind en weder dienende; To weather a cape = bovenlangs zeilen; To weather a point = bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden; To weather a ship = de loef afsteken; This ship is sure to weather (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in; Weather-anchor = anker aan de windzijde; Weather-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A weather-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; Weather-bitten = verweerd; Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= Weather-boarding); Weather-boarding verb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; Weather-bound = door het weer teruggehouden of opgehouden; Weather-box = weerhuisje; Weather-breeder = een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; Weather-cloth = verschansingskleed, presenning; Weathercock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather weathercocky = wispelturig; Weather-eye: He keeps his weather-eye open = hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; Weather-fish = modderkruiper; Weather-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the weather-gauge of a person = iemand de loef afsteken; Weather-glass = weerglas; Weather-house = weerhuisje; Weather-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster); Weather-proof = tegen het weer bestand; Weather-prophet = weervoorspeller; Weather-quarter = loefzijde, windkant; Weather-report = weerbericht; Weather-roll = het overhalen van het schip naar loefzijde; Weather-side = loefzijde; Weather-strip = tochtlat; Weather-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; Weather-vane = windwijzer; Weather-wise = weerkundig; Weather-worn = verweerd; Weathered = door het weer geteisterd, verweerd; Weathering = verweering; glooiing, afwatering; Weatherly = loefgierig.

Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To weave all pieces on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; Weaver-bird = wever(vogel); draaikever; Weaver-fish = pieterman; Weaver’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: Weaving-loom = weefgetouw.

Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A weazen, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! Weazen-faced = met mager, uitgedroogd gelaat; zie Wizen.

Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; Web verb. als met een weefsel bedekken; Web-eye = nagelvlies op het oog; Web-foot = zwempoot; Web-footed = met zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: Webbed feet; Webbing = geweven banden voor gordels, etc.

Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He has been wedded to truth from his infancy = de waarheid is zijne leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It was only a marriage and no wedding, there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond wedding = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china wedding = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; Wedding-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; Wedding-cake = bruiloftstaart; Wedding-card = huwelijkscommunicatie; Wedding-day = trouwdag; Wedding-dower = huwelijksgift; Wedding-favours = rozetten door de bedienden gedragen; Wedding-feast = huwelijksfeest; Wedding-garment; Wedding-gown; Wedding-ring = trouwring; Wedding-tour, Wedding-trip = huwelijksreis(je).

Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge); Wedge verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin (small) end of the wedge = hoed u voor den eersten stap; To wedge one’s way = dringen door; Wedge-bone = wiggebeen; Wedge-inscription = opschrift in spijkerschrift; Wedge-shaped = wigvormig = Wedgewise.

Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder Josiah Wedgwood (1730–95).

Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of wedlock = buiten huwelijk geboren; To enter upon wedlock = in ’t huwelijk treden.

Wednesbury, wenzb’ri.

Wednesday, wenzdi, Woensdag.

Wee, wî, klein: A wee bit = een klein beetje.

Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meest weeds); Weed verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover of the weed? = rookt gij graag; Ill weeds grow apace (never wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) weeds = in haar weduwenrouw; Many defects will have to be weeded out first = uitgeroeid; Weed-grown = met onkruid begroeid; Weed(ing)-hook = wiedijzer; Weed-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; Weeder = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding: Weeding-shears = wiedschaar; Weeding-tongs (Weeding-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.