Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 60

Chapter 603,209 wordsPublic domain

Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; Hood verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen: The hood and leathern apron of the carriage = kap; All hoods make not monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; Hood-cap = soort kaproen; soort zeehond; Hoodman = blindeman (in het spel); Hoodman-blind = blindemannetje; Hood-moulding = lijst boven deur of venster; Hoodwink = blinddoeken, verschalken; ook subst.

Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; Hoof verb. loopen: To beat (pad) the hoof = te voet (op Apostelpaarden) gaan; Hoof-bound = volhoevig, kreupel.

Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; Hook verb. met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien, vasthaken, stelen: By hook or by crook (Zie Crook); Off the hooks = in wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the hooks = het hoekje om (= dood) gaan; I wished him off the hooks = wou, dat hij dood was; You must do it on your own hook = op eigen gelegenheid, verantwoording; She kept him on the hooks = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the hooks = doodgaan; To take one’s hook = uitsnijden; They hooked it = zij zijn er van door; She hooks-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen; Hook-nose(d) = (met een) haviksneus; Hook-pin = haakbout; Hooked = krom, haakvormig; subst. Hookedness; adj. Hooky.

Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.

Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.

Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!

Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism = straatschenderij, woeste, liederlijke jool.

Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, Hoop verb. met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); Hoop-iron = bandijzer; Hoop-petticoat, Hoop-skirt = hoepelrok; Hooper = kuiper.

Hooping, hûpiŋ: Hooping-cough = kinkhoest.

Hoosier, hûžə, bewoner van Hoosier state = Indiana; Hoosier cake = soort peperkoek (Amer.).

Hoot, hût, subst. gejouw; Hoot verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil); Hooter = autohoorn.

Hoove, hûv, koliek bij vee.

Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: Hop-o’-my-thumb = klein duimpje; Hop verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He escorted her at party or hop = naar partijen en bals; He has had many girls on the hop = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take) on the (ground) hop = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds overvallen, snappen; He is a hop out of kin = hij slaat geheel uit den aard; I can hop that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To hop the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen; Hopped over the twig = over den puthaak getrouwd; Hop-back = hopzeef; Hop-bind, Hop-bine = hopstengel; Hop-joint = opiumkit; Hop-picker = hopoogster; Hop-pole = hopstaak; Hopscotch = hinkspel; soort balletjes; Hop-vine = hopstengel; Hop-yard = hopveld; Hopper = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = Hopper barge.

Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; Hope verb. hopen, verwachten; vertrouwen: Young hopeful = veelbelovend jongmensch (ironisch); Hopefulness; Hopeless = hopeloos; subst. Hopelessness.

Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; Hopples = kluisters voor vee in de weide.

Horace, horis.

Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.

Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.

Horde, höd, subst. horde, bende, troep; Horde verb. in horden of benden leven of zich vereenigen.

Horehound, höhaund, witte malrove.

Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible horizon = schijnbare horizon; Rational, Real, True horizon = werkelijke horizon; The plain of literature that is horizoned by 1801 = het veld der literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness; Horizontality.

Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij ’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); Horn verb. van horens voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of horn spectacles; Horn of Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the horn = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his horns = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the horn = vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a horn = ik waag het, erop of eronder; To show one’s horns = de tanden laten zien, flink optreden; Take a horn = neem een borrel (Amer.); To wear the horns = hoorndrager zijn; Horn-beak = gewone geep; Hornbeam = hagebeuk; Horn-bill = neushoornvogel; Horn-blower = hoornblazer; Horn-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met handvat; Horn-distemper = hoornziekte (van vee); Horn-eel = smelt; Horn-finch = stormvogeltje; Horn-fish = zeenaald; Horn-pipe = oud blaasinstrument; horlepijp; Horn-work = hoornwerk (vestingbouw); Horned = van horens voorzien; Horned horse (Zie Gnu); Horning = het wassen of afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); Horny = hard, hoornig: Horny coat of the eye = hoornvlies; Horny hands = vereelte.

Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of hornets about one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.

Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology = uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.

Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her horoscope = haar horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst te voorspellen.

Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.

Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. Horribleness.

Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand; treurig; subst. Horridness.

Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw vervullen, doen sidderen.

Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge rijst.

Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The horrors = delirium tremens; zwaarmoedigheid: To give the horrors = afschuw inboezemen; To have the horrors = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; Horror-stricken, Horror-struck = door afgrijzen verpletterd.

Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead horse), ezelsbrug; Horse verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near horse = bij-de-handsche paard; Off horse = van-de-handsche; Dark horse = nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the Horse = opperstalmeester; Those who cannot flay the horse, flay the saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead horse = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high horse = een hoogen toon aanslaan; To look a gift horse at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark horse then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free horse to death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a horse very well = hij rijdt goed; To take horse = te paard stijgen; I will win the horse or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I have often been horsed in this school myself = ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden; Horse-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on horseback = te paard; Horse-bean = paardeboon, tuinboon; Horse-block = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; Horse-boat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten; Horse-box = wagon voor paarden; stalafdeeling; Horse-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; Horse-car = tramwagen (Amer.); Horse-car-track = tramweg (Amer.); Horse-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen; Horse-chestnut = paardekastanje; Horse-cloth = paardedek; Horse-coper = paardenkooper; Horse-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; Horse-cucumber = groote groene komkommer; Horse-dealer = paardenkooper; Horse-doctor = paardenarts; Horse-drench = paardendrank; Horse-emmet = roode mier; Horse-faced = met een lang, grof gezicht; Horse-faker = paardenkooper (Zie Fake); Horse-flesh = paardevleesch; paarden: The age of horse-flesh = de diligencetijd; He knows little of horse-flesh = hij heeft geen verstand van paarden; Horse-fly = paardenvlieg; Horse-Guards = bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; Horse-hair = paardenhaar; Horse-hoe = groote egge; Horse-jockey = pikeur, paardenkoopman; Horse-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.; Horse-knacker = paardenvilder; Horse-laugh = luide en ruwe lach; Horse-latitudes = streek der windstilten; Horse-leech = paardenarts, bloedzuiger; vrek; Horse-litter = baar door paarden gedragen; Horse-load = paardenvracht; Horse-lock = paardenkluister; Horseman = ruiter; Horsemanship = rijkunst; Horsemarines: Tell that to the horsemarines = maak dat je grootje wijs; Horse-marten = groote hommel, torenzwaluw; Horse-meat = paardevoer; Horse-mill = rosmolen; Horse-milliner = paardetuig- en zadelmaker; Horse-play = ruwe grap, ruwe wijze van doen; Horse-pond = paardewed; Horse-power = paardekracht: Horse-race = wedren; Horse-radish = mierik, meerradijs, peperwortel; Horse-railroad = tramweg (Amer.); Horse-rake = paardehark, groote egge; Horse-rider = kunstrijder; Horseshoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig); Horse-shoeing = beslaan van paarden; Horse-stinger = paardenbijter; Horse-tail = paardestaart; Turksche standaard; Horse-way (Amer.) = rijweg; Horse-whip, subst. paardezweep; Horsewhip verb. met de paardezweep slaan, afranselen; Horsewoman = paardrijdster, amazone; Horse-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen jongen hangt.

Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory, hötətori, vermanend.

Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.

Hosanna, həzanə.

Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek, brandspuitslang, tuinslang (= Hose-pipe); Hose verb. bespuiten: You have got your legs into twisted hose there = dat hebt gij glad mis; Hose-man = spuitgast.

Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; Hosiery = sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.

Hosea, houzîə, Hosea.

Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.

Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. Hospitableness; Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis: Hospital-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er = hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.

Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; Host verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of Hosts = de Heer der Heerscharen; Hostess = gastvrouw.

Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.

Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge); Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.

Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti, vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).

Hostler, oslə, stalknecht.

Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is hot at hand = is vurig en hard in den bek; In hot haste = overijld, snel; We found ourselves in hot water = we zaten er leelijk in; Hot water tin = waterstoof; X. is becoming too hot for him = hij kan het te X. niet meer uithouden; I’ll make it hot for him = ik zal hem mores leeren; Brandy hot = warme cognacgrog; Hot-bed = broeibak; broeinest; Hot-blast = stroom van heete lucht; Hot-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; Hot-brained = oploopend, heethoofdig; Hot-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; Hot-flue = droogkamer (katoenfabr.); Hot-foot = zoo snel mogelijk; Hot-head = driftkop, heethoofd; Hot-headed = heethoofdig, driftig; subst. Hot-headedness; Hot-house = broeikast, droogkamer; Hot-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; Hot-press = pers (voor het satineeren van papier of het decateeren van laken); Hot-spirited = vurig van geest, driftig; Hot-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj. doldriftig; Hot-spurred = driftig, onstuimig; Hot-tempered = opvliegend.

Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.

Hotel, hətel, logement: Hotel-car = restauratiewagen (Amer.); Hotel-keeper = hotelier.

Hotri, houtri, Brahmaansch priester.

Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.

Houdah, hauda. Zie Howdah.

Hough, hɐf.

Hough, hok. Zie Hock.

Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.

Hound, haund, (jacht)hond; Hound verb. met honden jagen, aanzetten, ophitsen, wegjagen: Master of Fox-hounds = jagermeester, hoofd van de Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the hounds = jagen (op vossen); He rides well to hounds = hij is een goed vossenjager; Hound’s-tongue, = hondstong.

Hounslow, haunzlou.

Hour, auə, uur; Hours = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae; After hours = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) hours = hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early hours = vroeg opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small hours = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil hour = te kwader ure; What is the hour of day = hoe laat is het op den dag? Hour-angle = uurhoek; Hour-circle = uurcirkel; Hour-glass = zandlooper; Hour-hand = uurwijzer; Hour-line = uurlijn; Hour-plate = wijzerplaat; Hourly = (van) ieder uur.

Houri, hûri, hauri, houri.

Housage, hauzidž, pakhuishuur.

House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een planeet, één twaalfde v. het firmament; House verb. onder dak brengen, huizen: There is a house = er is zitting van het Parlement; No house = geen zitting; As safe as a house = bepaald zeker, gewis; Like a house on fire = snel als de wind; The House = de Beurs (in ’t City slang); A house of call = arbeidsbeurs, herberg; House of correction = gevangenis, verbeterhuis; House of God = Godshuis, tempel; House of keys = de 24 leden van het Court of Tynwald, een wetgevend lichaam op het eiland Man; Free house = een herberg waarvan de waard vrij is om zijn dranken te koopen bij wie hij wil; tegenover Tied house, een herberg behoorende aan een firma bij wie alle drank gekocht moet worden; His speech brought down the house = werd stormachtig toegejuicht; The piece drew a full house = trok veel publiek; They played at keeping house = zij speelden huishoudentje; He keeps open house = hij ontvangt iedereen, houdt open tafel; Every house has its trial = ieder huisje heeft z’n kruisje; The house was out of windows = het ging er wild langs, het hek was van den dam; House-agent = agent voor het verhuren v. huizen, het ophalen der huur, enz.; House-boat = woonschip (gemeubileerd als zomerverblijf); House-bote = recht om hout te kappen (Jur.); House-breaker = slooper; inbreker; House-breaking = inbraak; House-dog = waakhond; House-duty = House-tax; House-father; House-flag = de bijzondere vlag van een firma; House-flannel = wrijflappen; House-fly = huisvlieg; Household, subst. huisgezin, huishouding; adj. huiselijk, huishoudelijk, alledaagsch: Household bread = gewoon brood; Household brigade = lijfwacht (inf. en cav.); Household franchise (House suffrage) = huismanskiesrecht; Household management = bestuur eener huishouding; Household stuff = huishoudingsartikelen en meubelen; Household troops = de 3 inf. en 3 cav. reg. van de lijfwacht; Household words (songs) = bekende of gemeenzame woorden (liederen); Householder = hoofd van een gezin (huurder of eigenaar); Househunting = het zien van huizen als men wenscht te huren; Housekeep = het huishouden doen (Amer.); Housekeeper = huishoudster; Housekeeping = huishouding, adj. huis..., huishoud...: Housekeeping book = huishoudboek; Housekeeping money = huishoudgeld; Houseleek = huislook; House-line = huizing (scheepst.); Housemaid = dienstmeid, werkmeid; Housemaid’s closet = meidenkamertje; Housemaid’s knee = leewater; House-mate = huisgenoot; House-party = de familie met logé(e)s; House-room = ruimte in een huis, logies in een hotel: I can give you house-room till to-morrow = kan u logeeren; House-sparrow = huismusch; House-steward = intendant; House-surgeon = inwonend chirurg (van een hospitaal); House-tax = belasting op huizen van minstens £ 20 huurwaarde; House-warming = inwijdingsfeestje bij het betrekken van een huis; House-wife, hauswaif, huisvrouw, necessaire of naaikistje (in de laatste beteekenis steeds hɐzif uitgesproken); House-wifely gelijk eene huisvrouw, huishoudelijk, spaarzaam; Housewifery, hauswaifri, hɐzifri, hɐzwifri, huishouding, huishoudelijkheid; Houseless = dakloos; subst. Houselessness.

Housing, hauziŋ, herberging, onderdak, transportkosten, pakhuishuur: Housing Bill = Ontwerp Woningwet.

Housing, hauziŋ, dek, schabrak.

Houston, h(j)ûstən.

Houyhnhnm, hwinm, hûinm.

Hove, houv, imperf. van to heave.

Hovel, hov’l, hɐv’l, subst. hut, afdak voor vee; Hovel verb. in eene schuur plaatsen, onderdak brengen, aanbrengen v. een schoorsteenkap; bergen; Hovel(l)er = berger (persoon en vaartuig).

Hover, hovə, hɐvə, zweven, dralen, weifelen, zwerven.

How, hau, hoe, op welke wijze, hoever; You must do it anyhow and everyhow = hoe dan ook; I did it somehow = ik heb het op de eene of andere wijze gedaan gekregen; I must say how-(de)-do (gemeenz. voor how-do-you-do) to him = hem goedendag zeggen, groeten, bezoeken; How about your friend = hoe staat het met uw vriend? Howbeit = hoewel, niettegenstaande, echter; However = hoe dan ook, in elk geval, nochtans, echter: However he manages it, I do not know = hoe drommel hij hem dat levert; Howsoever = hoedanig ook, hoe ook.

Howard, hauəd.

Howdah, haudə, overdekte tentvormige zitplaats op den rug v. een olifant.

Howe, hau; Howells, hauəlz.

Howel, hauəl, kuipersschaaf, dissel.

Howes, hauz; Howitt, hauit.

Howitzer, hauitsə, houwitser.

Howker, haukə. Zie Hooker.

Howl, haul, subst. gehuil, geschreeuw, kreet, gejank; Howl verb. huilen, janken, brullen, schreeuwen, gieren (van den wind): All the children were on the full howl = al de kinderen waren zoo hard mogelijk aan het gillen, schreeuwen; Howler = huiler; brulaap, stommiteit: To go a howler = zwaar verliezen; Howling = akelig, vreeselijk.

Howlet, haulət, uil. Zie Owlet.

Hoy, hôi, subst. soort v. lichter; interj. hei! helà! Hoyman = schuitevaarder.

Hoyden, hôid’n. Zie Hoiden.

Hub, hɐb, uitsteeksel, doelwit, gevest, naaf: The universe is large, and has many hubs = dient velerlei bedoelingen, doeleinden.

Hubble-bubble, hɐb’lbɐb’l, gemompel, warboel; pijp; Zie Hookah.

Hubbub, hɐbɐb, verwarring, verward geraas, rumoer; Hubbubboo, hɐbəbû, gejank, gegier, gekerm.

Hubby, hɐbi = Husband.

Hubert, hjûbət.

Huck, hɐk, Donauzalm.

Huckaback, hɐkəbak, groflinnen, oogjesgoed.

Huckle, hɐk’l, heup, bult; Huckle-backed = met ronden rug; Huckleberry, hɐk’lberi, blauwe boschbes; Huckle-bone = bikkel.

Huckster, hɐkstə, subst. venter, kramer, bedrieger; Huckster verb. schacheren, venten: To be in huckster’s hand = bij den duivel te biecht, voor de haaien; Hucksterage = kleinhandel, kramerij; Hucksteress.

Huddle, hɐd’l, subst. menigte, gedrang; Huddle verb. haastig doen, door elkaar gooien, slordig bij elkaar pakken, opeendringen, aangooien (on), haastig en verward voortdringen: It is all in a huddle = ligt alles door elkaar; Peace was huddled up with the enemy = er werd een overhaaste vrede met den vijand gesloten; Huddler = knoeier.

Hudibras, hjûdibras.

Hue, hjû, kleur, tint, schakeering; luid geschreeuw: They raised the hue and cry after the thieves = zij zetten de dieven na, schreeuwende: “Houd den dief”; Hued = getint; Huer, hjûə, persoon op eene verhevenheid, die de bewegingen van eene school haringen nagaat en door roepen bekend maakt.

Huff, hɐf, subst. nijdige bui, geraaktheid; Huff verb. opzwellen, rijzen, razen, tieren tegen, blazen (in het damspel): She was in a huff = had eene booze bui, was geraakt; To take huff about a thing = zich geraakt gevoelen; Huffish = boos, aanmatigend, opgeblazen; subst. Huffishness; Huffy = Huffish.

Hug, hɐg, subst. omhelzing, bepaalde manier van vastpakken (bij het worstelen): Hug verb. omhelzen, in de armen drukken, pakken, liefkoozen, vleien, dicht houden aan: She hugged herself with the idea of getting rid of him = zij verkneuterde zich in de gedachte; He hugged his constituents (constituency) = praatte zijne kiezers naar den mond; The ship hugged the shore = hield dicht langs de kust.

Huge, hjûdž, zeer groot, kolossaal; subst. Hugeness.

Hugger-mugger, hɐgəmɐgə, subst. heimelijkheid, geheimhouding; wanorde; adj. geheim, heimelijk; slordig, armzalig.

Huggins, hɐginz; Hugh, hjû; Hughenden, hjûənd’n, hitšənd’n; Hughes, hjûz.

Huguenot, hjûgənot, Hugenoot; Huguenotism.

Hulk, hɐlk, romp v. een afgedankt schip, klomp, plomp mensch: The hulks = oude schepen als gevangenis gebruikt voor galeiboeven, enz.; Hulking = plomp, log, onbeholpen = Hulky.

Hull, hɐl, schil, dop, romp (van een schip): The ship is hull down = het schip is zoo ver verwijderd, dat alleen de masten nog zichtbaar zijn.

Hullabaloo, hɐləbəlû, lawaai, drukte, geschreeuw.

Hulme, hûm.

Hum, hɐm, subst. gegons, gemompel, gebrom, gesnor (van een wiel), sterk aangezet bier, beetnemerij, mop; Hum verb. gonzen, snorren, brommen, neuriën, beetnemen: Hum and ha(w) = stotteren, niet uit zijn woorden komen; interj. h’m, hum! I do not like humming and ha’ing = ik houd niet van die bedekte, ontwijkende antwoorden; To make things hum = leven in de brouwerij brengen; doen floreeren. Zie Humming.

Human, hjûm’n, adj. menschelijk, aardsch; mensch; Humane, hjumein, humaan, menschlievend, vriendelijk, zacht: The Royal Human Society = Maatschappij tot Redding van Drenkelingen (gesticht in 1774); Humanism, hjûmənizm, humanisme; menschelijke natuur; Humanist = humanist; adj. Humanistic(al); Humanitarian, hjûmənitêriən, subst. iemand, die gelooft dat Jezus een mensch was; iemand die in de voortgaande volmaking der menschheid gelooft, philanthroop; adj. menschlievend; Humanity, hjumaniti, menschelijkheid, menschheid, menschlievendheid: The Humanities = de klassieke letteren, enz., Humaniora; Humanization, subst. v. Humanize, hjûmən’a’iz, beschaven, veredelen, menschelijk maken; Humankind, hjûmənkaind, hjûmənkaind, de menschheid; Humanly: Humanly speaking = menschelijkerwijs gesproken.

Humble, hɐmb’l, adj. nederig, bescheiden, onderdanig; Humble verb. vernederen, onderwerpen; Humble-bee = hommel; Humble-mouthed = bescheiden, deemoedig; Humble-pie = pastei van herteningewand (= Humbles) die vroeger het dienstpersoneel kreeg bij jachtmaaltijden: He has eaten humble-pie = hij heeft zoete broodjes gebakken; Humble-plant = kruidjeroermeniet.

Humbug, hɐmbɐg, subst. bedrog, onzin, larie; windmaker, bedrieger; Humbug verb. bedriegen, beetnemen; Humbugger; Humbuggery = bedotterij, bedriegerij, malligheid.

Humdrum, hɐmdrɐm, subst. eentonigheid, gonzend geluid; vervelend mensch; adj. vervelend, eentonig, alledaagsch.

Hume, hjûm.

Humectation, hjûməkteiš’n, bevochtiging.