Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 150
Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To wind a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen; To wind a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To wind up a letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; Wind (up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een failliet zijn; Wind-up = likwidatie: Wind-up sale = finale uitverkoop; Winding-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; Winder, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.
Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.
Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai...: Winding-engine = kraan; Winding-horn = waldhoorn; Winding-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); Winding-staircase = Winding-stairs = wenteltrap; Winding-tackle = hijschtakel.
Windlass, windləs, lier, gangspil; Windlass verb. opwinden met een lier of gangspil.
Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.
Window, windou, venster, loket; Have you got French windows or sash-windows in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in the window at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the windows = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got out at the window = en ging weg door het raam; He looked out at the window = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the window = hij keek uit het raam naar buiten; Window-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = Window-curtain = gordijn; Window-cleaning company = glazenwasscherij; Window-dresser = étaleur; Window-dressing; Window-duty = belasting op vensters; Window-frame = vensterkozijn; Window-glass = vensterglas; Window-pane = ruit; Window-sash = het op- en neergaande deel van een raam; Window-seat = vensterbank; Window-slot = venstergleuf; Window-tapper = porder; Window-tax = belasting op de vensters; Windowed = met (veel) vensters.
Windsor, winzə, stad: Windsor-chair = met hoogen rug; Windsor-soap = soort toiletzeep.
Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still wine = niet parelende wijn; Sparkling wines = parelende wijnen; Wine and water = grog van wijn; Spirit of wine = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this wine = te verdunnen; He never mixes his wines = drinkt nooit door elkaar; Good wine needs no bush = behoeft geen krans; When wine is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the wine is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; Wine-bag = wijnzak; Wine-bibber = pimpelaar; Wine-bin = wijnkist; Wine-biscuit = wijnbeschuitje; Wine-bottle; Wine-cask = wijnvat; Wine-cellar = wijnkelder; Wine-cooler = koelvat (voor wijnen); Wine-decanter = karaf; Wine-glass = wijnglas; Wine-grower = wijnbouwer; Wine-growing; Wine-lees = wijnmoer; Wine-merchant = wijnkooper; Wine-press = wijnpers; Wine-shop = wijnhuis; Wine-skin = wijnzak; Wine-stone = wijnsteen; Wine-vault = groote wijnkelder; Wine-vaults = proeflokaal; Wine-vinegar = wijnazijn.
Winfred, winfred, Winfried.
Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; Wing verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; We are on the wing = aan den arbeid; The general was on the left wing = aan den linker vleugel; She went there under the wing(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the wings of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its wings against its prison = sloeg met; To clip a person’s wings = iemand kortwieken; His soul has taken wing = is (het lichaam) ontvloden; They took wing = gingen aan den haal; The angel winged his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can wing the ruffian = onschadelijk kan maken; Wing-case = vleugelschild; Wing-shell = vleugelhoren; Wing-shot = schot op een vliegenden vogel; Wing-stroke = vleugelslag; Winged = ge- of bevleugeld, vlug: Winged words = gevleugelde woorden; Wingless = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; Winglet = vleugeltje.
Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; Wink verb. knipoogen, wenken: I did not get a wink of sleep last night, I never slept a wink = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a wink to a person = To tip a person the wink = een wenk geven; I will just take forty winks = ga even dutten; He winked at my shortcomings = zag door de vingers; Wink-a-peep = guichelheil; Winker = wimper, oog, oogklep; It was done like winkey, like winking = zeer snel en flink.
Winkle, wiŋk’l, alikruik.
Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).
Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.
Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; Winnower; Winnowing: Winnow-basket (-machine, -sieve).
Winslow, winzlou.
Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; Winter verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of winter, in the depth of winter = in het hartje van den winter; Winter apple = winterappel; Winter barley = wintergerst; Winter citron = soort v. winterpeer; Winter cough = chronische bronchitis; Winter crop = winteroogst, wintervrucht; Winter moth = wintervlinder; Winter pear = winterpeer; Winter quarters = winterkwartieren; They went into winter quarters = betrokken de winterkwartieren; Winter solstice = winterzonnestilstand; Winter suit = winterpak; Winter-garden = wintertuin; Wintergreen = wintergroen; Winter-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; Winter-kill = door strenge koude dooden (Amer.); Winter-service = winterdienst; Winter-time = wintertijd; Winter-weather = winterweer; Winterly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.
Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.
Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); Wipe verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a wipe = afvegen; He gave me a wipe = gaf me een lik; I wiped his eye = stak hem de loef af; To wipe one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be wiped away as we wipe writing from a slate; Everything was wiped off = afgeveegd, weggevaagd; To wipe off a score = een rekening vereffenen; To wipe out = het levenslicht uitblazen; He was wiped (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; Wipe it out = veeg of wisch het uit; I have wiped up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; Wiper = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (Wiping-clout) = doek.
Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; Wire verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by wire = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the wires = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a wire = telegram; That boy seems to be all on wires = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has wired away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; Wire back, please = antwoord per draad verzocht; Wire-blind = horretje; Wire-bridge = hangbrug; Wire-brush; Wiredraw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; Wiredrawer = draadtrekker; Wiredrawing (fig.) = zaniken; Wire-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); Wire-entanglement = draadversperring; Wire-grate = chassinet; Wire-gauze = fijn metaalgaas; Wire-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; Wire-pulling = geheime invloed, intrige(s); Wire-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (Wireless station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His wiry chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather wiry, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.
Wisconsin, wiskonsin.
Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; Wisdom-tooth = verstandskies: Has he cut his wisdom-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.
Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three Wise men of the East = de Wijzen uit het Oosten; Wise woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be wise after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the wiser? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the wise is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, Wiseacre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; Wise-hearted = wijs, bekwaam; Wiseness = Wisdom.
Wise, waiz, wijze: In any wise = op de een of andere manier; In no wise = op geenerlei manier, geenszins; On this wise = op deze manier.
Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; Wish verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his wish = iemands wensch vervullen; To have one’s wish = zijn wensch vervuld krijgen; I wish he may do it = ik wou dat ....; I wish you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I wish you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To wish a person at the devil (Jericho); I wished for your return = verlangde naar; I wished him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; Wish(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a wish(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); Wishing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); Wisher; Wishful = wenschend, verlangend, smachtend: To be wishful of; subst. Wishfulness.
Wishart, wišət.
Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.
Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; Wisp verb. afvegen: A wisp of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; Wisp of hair; adj. Wispy.
Wist, wist, oud imperf. van to wit.
Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. Wistfulness.
Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.
Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.
Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To wit = namelijk, te weten: Mother wit = natuurlijk gezond verstand; Ready wit = gevatheid; He is at his wit’s end, at his wits’ end = ten einde raad; Are you in your wits? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his wits = is de kluts kwijt, gek; He has all his wits about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s wits again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his wits = dol maken; You have frightened them out of their wits = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s wits only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your wits to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your wits = gebruik uw verstand; Witless = dom, onverstandig, dwaas; subst. Witlessness; Witted: Dull-wited, Quick-witted = suf, scherpzinnig; Wittingly = voorbedachtelijk.
Witch, witš, subst. heks; Witch verb. beheksen, betooveren: He is no witch = geen heksenmeester; Witchcraft = Witchery; Witch-elm = bergiep; Witch-hazel = hamamelis; Witch-meal = groote wolfsklauw; Witchery = betoovering, bekorting.
Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).
With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind with fear; Frantic with despair = gek van wanhoop; Stiff with cold; Thirsty with walking; I have no power with him = invloed op hem; One year with another = het eene jaar door het andere; I am with you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.
Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He withdrew from business = trad uit; Withdrawal = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; Withdrawer; Withdrawing: Withdrawing-room = Drawing-room; Withdrawment = Withdrawal; Withdrawn, p.p. van Withdraw.
Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.
Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; Withered = verdord, uitgedroogd; Withering = vernietigend (fig.).
Wither, widhə: Wither-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; Wither-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The wither are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung wither = de gevoelige snaar aanroeren; My wither are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.
Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; Withholder; Withholdment = onthouding, etc.
Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is within mine = men komt in zijne kamer door de mijne; Within call = te beroepen; Within doors = binnenshuis; Within my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; Within a mile of = nog geen mijl; It is not within my power = in mijne macht; Within my price = in mijn prijs; Within a month’s time = binnen eene maand; The deer was within range = onder schot; Within sight; He was within a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s within = wie is daar? To live within one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think within oneself = by zich zelf.
Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: Without day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; Without doors = buitenshuis; Without funds in hand = zonder dekking; Without one’s reach = buiten bereik; The station is without the town = buiten de stad; I can get ready without you = zonder u; I can do without it = ik kan het missen, heb het niet noodig.
Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.
Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; Withstander = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.
Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.
Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.
Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular witness); Witness verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In witness whereof = ten bewijze waarvan; Witness for the crown, for the prosecution = getuige à charge; Witness for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear witness to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to witness = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without witness = laat zich niet onbetuigd; I took him to witness = nam hem tot getuige; You have been romping, witness your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever witnessed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever witness such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were witnessed = door getuigen gestaafd; Witness-box = getuigenbank.
Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.
Witwal, witwôl, groene specht.
Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most wived man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.
Wiveliscombe, wilsk’m.
Wivern, waivən; Zie Wyvern.
Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.
Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; Wizen verb. verwelken, verschrompelen; Wizen-faced = met verschrompeld gelaat.
Woad, woud, weede (plant); Woaded = met weede, blauw gekleurd.
Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and wobbled off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.
Woburn, wubən, woubən.
Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: Woe is me = wee mij; Woe worth the chase = wee zij de jacht; Woe worth the day = wee den dag; Woebegone = naargeestig, in smart gedompeld; Woeful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. Woefulness; Woe-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.
Wolcot(t), wulkət.
Wold, would, woud, bosch, heuvelland.
Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; Wolf verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A wolf in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries wolf = maakt altijd valsch alarm; I have a wolf by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a wolf in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the wolf from our door = nauwelijks den mond open houden; Wolf-dog = wolfshond; Wolf-fish = zeewolf; Wolf-net = wonderkuil (soort v. net); Wolf’s bane = gele monnikskap; Wolf’s-claw, Wolf’s foot = wolfsklauw; Wolf’s-peach = tomaat; Wolfish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; Wolfkin, Wolfling = jonge wolf.
Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.
Wolverine, wulvərin, veelvraat.
Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.
Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: Woman of the town = prostituée; Woman of the world = vrouw van de wereld; My good woman = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s woman = kamenier; The New Woman = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet Woman = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley woman = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the woman = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a woman in the wind = daar zit eene vrouw achter; Woman-born = uit eene vrouw geboren; Woman-built = door vrouwen gebouwd; Woman-doctor = doctores; Woman-hater = vrouwenhater; Woman-saint; Woman-servant; Womanhood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; Womanish = vrouwelijk, vrouwen...; (Woman tears), verwijfd; subst. Womanishness; Womankind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; Womanlike = vrouwelijk, zacht; Womanliness, subst. v. Womanly = Womanlike; Women, wim’n, vrouwen; Women-folk = vrouwvolk; Women’s rights = rechten der vrouw; Women’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; Womenkind = Womankind.
Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the womb = uitzakken; Womb-fury (med.); Womb-passage = (hals der) scheede.
Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.
Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; Wonder verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: Wonders will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) wonders = wonderen doen; To look all wonder = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ wonder = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ wonder = baart ooit lang opzien; In the name of wonder = om ’s hemels wil; It is no wonder he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a wonder = zoowaar (vreemd genoeg); The seven wonders of the world = de zeven wonderen der wereld; I wonder where he can have been = ik ben benieuwd; I wonder how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; Wonderland = land der wonderen; Wonder-stricken = Wonder-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; Wonder-working = wonderdadig; Wonderer = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. Wonderfulness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.
Won’t, wount, samentr. v. Will not: It won’t do = dat gaat niet.
Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; Wont verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (Wont oneself): Wonted = gewoon, gewend; Wontless = ongewoon, niet gewend.
Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They woo the battle = zoeken den strijd; Wooer; Wooing: To go a-wooing = uit vrijen gaan.
Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; Wood verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the wood = van het vat getapt; In a wood = verward, verlegen; The ale is in the wood = in het vat: The Palace in The Wood = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the wood = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the wood again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of wood yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the wood for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; Wood-ant = boschmier; Wood-ashes = houtasch; Wood-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; Woodbine = wilde kamperfoelie; Wood-bird = boschvogel; Wood-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; Wood-carver = houtsnijder; Wood-carving = houtsnijwerk; Woodchuck = soort v. marmot; Wood coal = bruinkool; Woodcock = houtsnip; sukkel; Woodcraft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; Woodcut = houtsnee(plaat); Wood-cutter = houthakker, maker van houtsneden; Wood-drink = afkooksel van medicinale planten; Wood-engraver = houtgraveur; Wood-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; Wood-fretter = houtworm; Wood-gear = raderwerk van hout; Wood-grouse = auerhaan; Wood-hole = Wood-house = houtloods; Wood-knife = hertsvanger; Woodland, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; Woodlark = boomleeuwerik; Wood-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); Wood-louse = houtluis; Woodman = boschwachter, boschbewoner, houthakker; Wood-mite = houtworm; Wood-mouse = boschmuis; Wood-nymph = boschnimf; Wood-paper = papier uit hout vervaardigd; Wood-pavement = houten bestrating; Woodpecker = specht; Wood-pigeon = houtduif; Wood-pile = houtmijt; Woodreeve = houtvester; Wood-rick = Wood-pile; Wood-rock = bergvlas, soort v. asbest; Wood-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; Wood-sare = koekoekspog; Wood-screw = houtschroef; Woodshed = houtloods; Wood-skin = boot of kano van boombast (Guyana); Wood-soot = houtroet (bemesting); Wood-sorrel = boschklaverzuring; Wood-spite = groene specht; Wood-tar = houtteer; Wood-vetch = soort lathyrus; Wood-wale = Woodpecker; Wood-wax(en) = verfbrem; Woodwork = houtwerk; Wood-worm = Wood-mite; Wooded = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so wooden about? = hoe ben je zoo suf; Wooden horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the wooden horse); Wooden shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; Woodenness = houterigheid, stijfheid: That particular woodenness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: Woody fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).
Woof, wûf, inslag, weefsel.