Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 64

Chapter 642,619 wordsPublic domain

Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.

Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. Inexcusableness.

Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible, inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive, inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.

Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l, onverbiddelijk; subst. Inexorableness.

Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid; adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.

Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.

Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; Inexperienced = onervaren, onbevaren.

Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. Inexpertness.

Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. Inexpiableness.

Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable, ineksplikəb’l, onverklaarbaar: Inexplicables = broek; subst. Inexplicableness.

Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; Inexpressibles = broek; Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.

Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk, onneembaar.

Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.

Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. Inextricableness.

Inez, ainîz.

Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid; Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. Infallibleness.

Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi, schande, laagheid.

Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.

Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder...: Infant in arms = schootkindje; Infant games; Infant mortality; Infant-school, Infants’ school = bewaarschool; His infant son = zoontje; Infanta, infantə, Infante, infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); Infanticide, infantisaid, kindermoord(enaar); Infantile, inf’nt(a)il, Infantine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = Infantlike.

Infantry, inf’ntri, infanterie: Infantryman = infanterist.

Infatuate, infatjueit; Infatuated = blind ingenomen met, dwaas verliefd op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.

Infect, infekt, besmetten, aansteken; Infection = besmetting, smetstof: To catch (take) the infection = besmet, aangestoken worden; Infectious, infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. Infectiousness; Infective = Infectious.

Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.

Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk, ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.

Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; Inferable = afleidbaar, volgend; Inference, infərens, gevolgtrekking; Inferential, infərenš’l, afleidbaar = By inference; I could only gather it inferentially = slechts uit het medegedeelde opmaken.

Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am inferior to none in love of country = doe voor niemand onder; Inferiority, infîrioriti, minderheid.

Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: Infernal machine = helsche machine; Infernal-stone = helsche steen.

Inferno, infɐ̂nou, de hel.

Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.

Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig maken, kwellen; wemelen van (= To be infested with); subst. Infestation.

Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); Infidelity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.

Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst. Infiltration.

Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; Infinitesimal, infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti, oneindigheid.

Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend; Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.

Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; Infirmarian, infɐ̂mêriən, ziekentrooster; Infirmary = ziekenhuis; Infirmity = zwakheid (ook fig.); ziekelijkheid = Infirmness.

Infix, infiks, inplanten, inprenten.

Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend worden: He inflamed them against England = zette ze op tegen; Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l, ontvlambaar (Inflammables = brandbare lichamen); subst. Inflammableness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.

Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen, uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; Inflater = fietspomp; Inflation = opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The inflation of (To inflate) worthless securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.

Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; Inflection = (ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; Inflectional = buigings...; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).

Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen, toebrengen; Infliction, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last, bezoeking.

Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.

Inflow, inflou. Zie Influx.

Influence, influens, subst. invloed, macht; Influence verb. invloed hebben op, inwerken op: He has influence at Court = invloed aan het hof; These things have no influence with me = hebben geen invloed; He bragged of influence over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.

Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.

Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan, bezielen: He informed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He informed me of it = berichtte het mij; His book is informed with intense conviction = is bezield door, gloeit van; Informed with one spirit = bezield; Informant = aanbrenger, zegsman; Information, infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; Informer = aanklager: Common informer = verklikker.

Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.

Infra, infrə: Infra dig = beneden de waardigheid.

Infract, infrakt, schenden; Infraction = schending, breuk: Infraction of faith = trouwbreuk.

Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent, infrîkw’nt.

Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst. Infringement; Infringer.

Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: Infuriate verb. (infjûrieit), woedend of razend maken.

Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken, drenken: He infused his life into his poetry = legde in, doordrong; Infuser; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.

Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. Infusorial = tot de infusoria behoorend of die bevattende; Infusorian = infusiediertje.

Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of Ingathering (2 Mos. 23, 16).

Ingelow, indžəlou.

Ingeminate, indžemineit, herhalen.

Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig; subst. Ingeniousness = Ingenuity, indžənjûiti.

Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.

Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. Ingenuousness.

Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. Ingestion.

Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the ingle of a window = hoekje; Ingle-nook = hoekje van den haard.

Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. Ingloriousness.

Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een ambt aanvaardend.

Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).

Ingraft, ingrâft, enten; Ingrafter = enter; Ingraftment.

Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd, ingeworteld, doortrapt; Ingrain verb. ingrein, ingrein, in de wol verven, doordringen, verzadigen; Ingrain(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.

Ingram, iŋgram.

Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l, ondankbaar.

Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds reflexief.

Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.

Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.

Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.

Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.

Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.

Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; Inhabitable = bewoonbaar; Inhabitancy = woonplaats, domicilie; Inhabitant = bewoner, inwoner; Inhabitation = bewoning.

Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren: Inhaler = respirateur, inhaleertoestel.

Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.

Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).

Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; Inherence, Inherency, inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; Inherent = inhaerent: It is inherent in the blood = zit in het bloed.

Inherit, inherit, erven; Inheritability, erfelijkheid, overerving; Inheritable = erfbaar; Inheritance = erfenis, erflating; Inheritor = erfgenaam; vr. Inheritress = Inheritrix.

Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. Inhibition, inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen, aangaan van schulden, geven van crediet; adj. Inhibitory.

Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst. Inhospitality.

Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An inhuman hunger = verschrikkelijke honger; subst. Inhumanity, inhjumaniti.

Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.

Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.

Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l, onnavolgbaar; subst. Inimitableness.

Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.

Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l, ongevoelig.

Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter, vóórletter; Initial verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the initiative in; Initiatory = inleidend, inwijdend.

Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: Inject-cock = injector; Inject-pipe; Inject-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.

Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. Injudiciousness.

Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; Injunction = opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict injunctions to = To lay strong injunctions upon a person = iemand op het hart binden.

Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen, kwetsen; Injurer; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend; subst. Injuriousness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking, verwonding: He is detained by an injury to his leg = door eene wond aan zijn been.

Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).

Ink, iŋk, subst. inkt; Ink verb. zwart maken, met inkt besmeren; Ink-bag = inktblaas (bij visschen); Ink-blot = vlek; Ink-bottle = inktflesch; Ink-eraser = inktgomelastiek; Ink-fish = inktvisch; Ink-holder = reservoir; Ink-lines = gelinieerd blad; Ink-slinger = broodschrijver, journalist (Amer.); Inkstand = inktkoker, inktstel; Ink-stone = inktsteen; Inkiness = inktachtigheid, zwartheid; Inking: Inking-ball = drukbal; Inking-pad = inktkussen; Inky = inktachtig, zwart; Inkyburn = de Hel: I wished him at Inkyburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.

Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.

Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an inkling of it = hij weet er iets van; I gathered an inkling of their project = kreeg er de lucht van.

Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.

Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.

Inland, inland, binnenlandsch: Inland duty = accijns; Inland navigation = binnenscheepvaart; Inland revenue = binnenlandsche rechten; Inland sea = binnenzee; Inland town = landstad, binnenl. stad.

Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; Inlay verb. inlei, inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A mother-of-pearl inlaid desk = met paarlemoer ingelegde.

Inlet, inlet, ingang, baai, inham.

Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an inly-written law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled inly = lachte in zich zelf.

Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was crumbled up, and most of the inmates killed = inzittenden.

Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.

Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: Inns of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in vroeger tijd); Inns of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple, Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s (Chambers) hebben; Inn-keeper = herbergier.

Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: Innate ideas = aangeboren begrippen; subst. Innateness.

Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The inner man = inwendige mensch, maag; The inner office = kantoor van den chef; That’s an inner = een mooi schot; He has made an inner = hij heeft in de roos (behalve de “witte”) geschoten; Innermost = binnenste.

Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling (versterking); Innerve = sterken.

Inning, iniŋ: Innings = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid, kans: To have one’s innings = “aan slag” zijn (fig.); He had a long innings = prachtige gelegenheid.

Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig; Innocentius: You needn’t do the innocent with me = je van den domme houden; Massacre of the Innocents = Innocents’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).

Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. Innocuousness.

Innominate, in-nominit, naamloos: Innominate bone = schaambeen.

Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden; Innovator.

Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. Innoxiousness.

Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.

Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l, ontelbaar, talloos = Innumerous.

Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.

Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant, inobzɐ̂v’nt, achteloos.

Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.

Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.

Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. Inoffensiveness.

Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.

Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.

Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep inordinate hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.

Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.

Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw verband staan.

In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).

Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s inquest = gerechtelijke lijkschouwing.

Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.

Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: Inquire after him = informeer naar; He inquired into the matter = onderzocht; Inquire within = informatiën hier te verkrijgen; Inquirer; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of Inquiry = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; Inquiry-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend, nieuwsgierig; subst. Inquisitiveness; Inquisitor, inkwizitə, rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.

Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an inroad upon = inbreuk maken op.

Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.

Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity, insəl(j)ûbriti.

Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. Insaneness = Insanity, insaniti.

Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l, onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.

Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten (Inscribe on the memory), beschrijven; Inscriber; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.

Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l, onnaspeurlijk; subst. Inscrutableness.

Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein, verachtelijk: Insect-powder; Insecticide, insektisaid, praeparaat om insecten te dooden; Insectivora, insektivərə, insecten-etenden; Insectivorous, insektivərɐs, insectenetend.

Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.

Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.

Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l, onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: Insensible of danger, Insensible of pain, Insensible to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.

Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l, onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. Inseparableness; Inseparate = onscheidbaar (from).

Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; Insertion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.

Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.

Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.

Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.

Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn inside out = binnenste buiten; Inside callipers = bolpasser; Insider, insaidə, ingewijde.

Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. Insidiousness.

Insight, insait, inzicht, begrip.

Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.

Insignificance, Insignificancy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj. Insignificant.

Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity, insinseriti.

Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They insinuated the pony among carts and baskets; She insinuated herself into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.

Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. Insipidity, insipiditi.

Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be insisted on = hierover behoeven we niet uit te weiden; Insistence (Insistance) = halstarrigheid, aandrang; adj. Insistent.

Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; Insnarer.

Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.

Insociable, insoušəb’l, ongezellig.

Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.

Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l, onoplosbaar, onverklaarbaar.

Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt, subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.

Insomnia, insomniə, slapeloosheid.

Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.

Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).

Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; Inspection, inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind inspection = ter inzage; Inspector = inspecteur; Inspectorate = Inspectorship = opzienerschap, inspectie (-district).

Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; Inspirational = geinspireerd, inspireerend; Inspirationist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: Inspiratory muscle = longspier; Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.

Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed geven.

Inspissate, inspisit, adj. verdikt; Inspissate verb. (inspiseit, inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.

Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.

Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; Installation = installatie; Installment = installatie, afdoening, termijn (van betaling), gedeelte: They bought a piano on the installment plan = op afbetaling in termijnen; The article will be inserted in installments = bij gedeelten.

Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval, voorbeeld; Instance verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the instance of = op aandrang van; He resigned at the instance of popular clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For instance = bij voorbeeld; It was a kind thought in the first instance = in de eerste plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This instant, On the instant = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. Instantaneousness; Instanter, instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it instantly = elk oogenblik.

Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.

Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.

Instead of, instedəv, in plaats van.

Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the instep = den neus in den wind steken.

Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst. Instigation: Under the instigation of = op aansporing van; Instigator, instigeitə, aanzetter, ophitser.

Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. Instillation = Instilment.

Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield, doordrongen van, vol: Instinct with life; Instinctive, instiŋktiv, instinctmatig, spontaan.

Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; Institute verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen: An inquiry was instituted into (as to) his actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: Institutor of law = wetgever.

Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To instruct national opinion = opvoeden; He was instructed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); Instruction = onderwijs, bevel, last; Instructional = onderwijs - -, opvoedings; Instructive = onderwijzend, leerzaam; subst. Instructiveness; Instructor, onderwijzer, instructeur; vr. Instructress.