Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 80
Mitral, maitrəl, als een mijter: Mitral valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; Mitre verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.
Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without mitts = pak flink aan; To give (get) the mitt = een blauwtje geven (krijgen).
Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof naar het andere.
Mity, maiti, vol mijten.
Mitylene, mitilîn.
Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I advise you never to mix your wines = wijn door elkaar te drinken; He got mixed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; Don’t mix up my silks = maak niet in de war; Mixmax = allegaartje, verwarde hoop; Mixed affair = dolle boel; Mixed marriage = gemengd huwelijk; Mixed pickles = groenten in mosterdzuur; Mixtilineal, Mixtilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; Mixture, mikstjə, mengsel.
Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: Miz(z)en mast = bezaansmast; Miz(z)en-rigging = bezaanswant; Miz(z)en-sail = bezaan; Miz(z)en-shrouds = bezaanswant; Miz(z)en-top = kruismars.
Mizzle, miz’l, subst. motregen; Mizzle verb. motregenen; er van “doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.
Mizzy, mizi, poel, moeras.
Mnemonic, nimonik, geheugen..: Mnemonics = geheugenleer.
Moabite, mouəbait.
Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; Moan verb. kermen, kreunen, betreuren, bejammeren: To make one’s moan = zijn leed klagen.
Moat, mout, subst. gracht; Moat verb. met eene gracht omgeven.
Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met banden (= Mob-cap); Mob verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna loopen: He found himself mobbed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; Mob-law = wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); Mobocracy, mobokrəsi, de tirannie van het gepeupel.
Mobile, məbîl.
Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.
Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz, mobiliseeren.
Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ = motor-car.
Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.
Mocha, moukə, Mokka; Mocha-coffee.
Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt, onecht; Mock verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen: To make mock at = To make a mock of = bespotten; Mock combat (Mockfight) = spiegelgevecht; Mock-heroic poem = komisch-heroisch vers; Mock moon = bijmaan; Mock-nightingale = zwartkop; Mock-orange = (boeren)jasmijn; Mock sun = bijzon; Mock-turtle = nagemaakte schildpadsoep; Mock-velvet = katoenfluweel; Mocker; Mockery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; Mocking: Mocking-bird = spotlijster.
Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn, wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud, wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the Mode = naar de nieuwste mode; Mode-book = modejournaal.
Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; Model verb. naar een bepaald model vormen, modelleeren: Model dwelling; Model gown; To model oneself upon; Modeller = modelleur; Modelling: Modelling-board = modelleerplank, schabloon; Modelling-clay = boetseerklei.
Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.
Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd; subst. gematigde; Moderate verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen; voorzitten; subst. Moderateness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: Moderates, verkort tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): Moderator-lamp = moderateurlamp; Moderatorship.
Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: Modern authors (English, history); A poet of the modern = van onzen tijd; A modern; The moderns = de modernen; Modernism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; Modernization, subst. v. Modernize = moderniseeren; Modernizer; Modernness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.
Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk; subst. Modesty.
Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.
Modification, modifikeiš’n, wijziging; Modification verb. Modify, modifai.
Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. Modishness; Modist = fat.
Modiste, mədîst, modiste.
Mods, modž; Zie Moderate.
Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.
Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).
Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.
Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).
Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) Mogul = de groote Mogol (1526–1857).
Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.
Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch); Mohammedism; Mohammedize = tot de leer van Mahomed bekeeren.
Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke straatschenders.
Mohican, məhîk’n.
Mohocks = Mohawks.
Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.
Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).
Moiety, môiəti, helft, aandeel.
Moil, môil, subst. vlek, smet; Moil verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To Moil and toil = zwoegen en sloven.
Moist, môist, vochtig, nattig; Moisten, môis’n, vochtig worden, bevochtigen: To Moisten one’s throat = er eentje pakken; Moistness, Moisture, môistjə, vochtigheid.
Moither, môidhə, zwoegen, sloven.
Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.
Molar, moulə, malend; maal(tand) = Molar-tooth.
Molasses, məlasiz, melasse.
Moldavia, moldeiviə.
Moldwarp, mouldwöp, mol.
Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; Mole-catcher; Mole-cricket = molkever; Mole-eyed = bijziende, blind; Mole-hill = molshoop: To make a mountain out of a mole-hill; Mole-rat = blindmuis; Moleskin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; Mole-track = molsgang; Molewarp = mol.
Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule, moləkjûl.
Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. Molestation, moləsteiš’n; Molester.
Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.
Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden, opperrechter.
Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.
Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification = verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel; Mollify, molifai, verzachten, verteederen.
Mollusc, moləsk, weekdier; Mollusca, molɐskə, klassen der weekdieren; Molluscan, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.
Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; Molly-coddle verb. verweekelijken; Molly-coddle little lads = moederskindjes.
Moloch, moulok, Moloch.
Molten, moult’n, part. perf. van to melt.
Moluccas, molɐkəz, de Molukken.
Moly, mouli, soort look.
Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of great moment = van groot gewicht; At a moment’s notice = in minder dan geen tijd; In a moment = On the moment = oogenblikkelijk; Momentariness, subst. v. Momentary = voor een oogenblik, vluchtig; Momentous, məmentəs, gewichtig; subst. Momentousness; Momentum, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).
Momma, momə, Amer. voor Mama.
Momus, mouməs.
Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).
Monaco, monəkou, Monaco.
Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.
Monagasque, monəgask, van Monaco.
Monarch, monək, subst. monarch; Monarchal, = Monarchic(al), mənâkik(’l), monarchaal; Monarchism = éénhoofdige regeering; Monarchist; Monarchy = monarchie.
Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery (monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism = kloosterleven, monnikenstand.
Moncrieff, monkrîf.
Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black Monday Zie Black.
Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: Monetary difficulties; Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel maken, eene standaard waarde geven.
Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: Money down, Money out of hand = baar geld, contant; Money of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current money = gangbare munt; Earnest money = godspenning; Ready money = baar geld, contant; Small money = kleingeld; Spare money = geld dat over is; I am out of money at present = niet bij kas; Money makes the man; Money makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert (turn) into money = te gelde maken, verzilveren; It is like eating money = het verslindt geld; To fling good money after bad; To keep a person in money = van geld voorzien; To keep a person out of his money = laten wachten op; I laid out my money in a necklace = besteedde aan; It looks like money = het is peperduur; To make money = geld verdienen; He made my money spin = liet rollen; To roll in money = zich baden in; What’s the money? = wat kost het; That’s not my money = dat is niets voor mij; That is the man for my money = dàt is m’n man: Money-agent = geldwisselaar; Money-bag; Money-bill = wetsontwerp tot het toestaan van gelden: Money-box = spaarpot; Money-broker, Money-changer = geldwisselaar; Money-dropper = kwartjesvinder; Money-grabber = Money-grubber = geldwolf; Money-lender = geldschieter; He has a Money-making business = verdient geld als water; Money-market = fondsen-, geldmarkt; Money-matters = geldzaken; Money-order = postbewijs (ook Post-office Money-order genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is money-proof = laat zich niet omkoopen; Money-spider = geluksspinnetje; Money-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; Money-wort = penningkruid; Money’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his money’s worth = eischte waar voor zijn geld; Moneyed = rijk, vermogend; gemunt; Moneyer = geldmunter; Moneyless.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, Mongolian, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; Mongrelize = tot een mongrəl maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor (oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); Monk’s-hood = monnikskap; Monk’s Latin = middeleeuwsch Latijn; Monkery = monnikenstaat; Monkhood = monnikschap; Monkish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500 dollar): To have (get) one’s monkey up = den duivel in krijgen, nijdig worden; To suck the monkey = met behulp van een strootje drank opzuigen uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; Monkey-bread = apenbrood(boom); Monkey-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous = éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch; Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; Monographer, mənogrəfə; adj. Monographic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj. Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd; Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; Monopolizer; Monopoly = monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig, vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe (1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot, monsterachtig; Monster verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. Monstrousness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano, monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth; Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery, məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar month = maanmaand; This day month = vandaag over eene maand; This last month = For this month past = sedert vier weken; At three months’ date = 3 maanden na dato; Monthly, subst. maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): Monthly-nurse = baker; Monthly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl; Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The Monument = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); Monumental, monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in one’s moods = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the mood = in de stemming zijn, lust hebben aan; Moodiness, subst. v. Moody = gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; Moon verb, doelloos rondzwerven, droomen, droomerig rondkijken: The Moon was at the full (near her full, within two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue Moon = met St. Jutmis; To cry for the Moon = het onmogelijke begeeren; I wished him over the Moon = op de Mookerhei; Moon-beam = manestraal; Moon-calf = maankalf, misgeboorte; Moon-eye = maanoog (bij paard.); Moon-eyed = maanoogig; Moon-face = vollemaansgezicht; Moon-fish = maanvisch; Moon-glade = maneschijn op het water; Moonlight, subst. maanlicht; Moonlighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben ingenomen (Ierl.); Moon-lit = door de maan beschenen; Moon-raker = uilskuiken; Moon-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin; ook adj.: It is the merest moonshine; It’s all moonshine = niets dan onzin, vertoon; Moonshiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.); Moonshiny = door de maan beschenen; onzinnig; Moonstricken, Moonstruck = maanziek, sentimenteel, halfwijs; Moon-year = maanjaar; Moonless; Moony = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; Moorish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; Moorage = ankerplaats; Mooring; Mooring-buoy = meerboei; Mooring-ring; She is at her Moorings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was driven from her moorings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; Moor-cock = mannetje, en Moor-hen = vrouwtje van Moor-fowl, Moor-game = Schotsche korhoenders; Moorland = heide, veengrond; Moorish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; Moot verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was first mooted in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; Moot-case, (Moot-point) = open vraag, geschilpunt; Moot-court = soort van debatingclub voor juristen; Mooter = iemand, die aan een Moot-court een geschilpunt inleidt.
Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; Mop verb. gezichten trekken (To mop and mow), dweilen, afvegen: A mop of waving hair = golvende haardos; He mopped up the ink with blotting-paper = nam op; Mop-headed = met een ragebol (haar); Mopstick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst. droomer: To mope away one’s time = versuffen; He is in the mopes = knorrig, gemelijk: Mope-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit mope = zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. Mopishness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje; Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld, zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a moral that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the moral of Auntie = het evenbeeld; The story points a moral = bevat eene zedeles; Morals = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; Moral law = zedenwet; Moral philosophy = zedenkunde; Moral sense = zedelijkheidsgevoel; Morale, mərâl, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s moral (morale) is much shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; Moralist = bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; Morality, məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van “Sinne”; Moralization, subst. v. Moralize = moraliseeren; Moralizer.
Morass, məras, moeras: Morass ore = oer; adj. Morassy.
Moravia, məreivjə, Moravië; Moravian, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The Moravians = The Moravian Brethren = Hernhutters; Moravianism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: Morbid anatomy = pathologische anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = Morbidness; Morbific(al) = ziekte veroorzakend: Morbific matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: More and more = steeds meer; And more than that = en wat meer zegt; He never did it any more = nooit weer; Much more = veel meer; No more = niet meer bestaande, dood, evenmin; Not more = evenzeer; Once more = nogmaals; So much the more = des te meer; The more the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; More or less = min of meer; More to the purpose = doelmatiger; Moreover = bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade; morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: Morganatic marriage = huwelijk met de linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes morish = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; Mormonism; Mormonite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the morning = ’s morgens, den volgenden morgen; Of a morning = op een morgen; Morning-coat = jacket; Morning-gown = ochtendjapon, kamerjapon; Morning-paper, Morning-print = ochtendblad; Morning-star = morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. Moroseness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of Morpheus = in Morpheus armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži, morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the morrow = He troubles himself about no morrows = hij is niet bezorgd voor den dag van morgen; To-morrow = morgen; To-morrow morning = morgenochtend; On the morrow = morgen, den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): Morse alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a morsel of bread = tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte, hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.
Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: Mortal enemy, foe = doodvijand; Mortal fright = doodsangst; Mortal hour = stervensuur; Four mortal hours = vier eeuwiglange uren; There is no mortal power that can release you = geene macht ter wereld; Mortal sin = doodzonde; You may wish any Mortal thing = al wat ge maar wilt; Mortality, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke natuur; Mortally offended = diep beleedigd; Mortally wounded = doodelijk gewond.
Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): Mortar-apparatus for life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten; Mortar-board = platte vierhoekige barret (Iron.).
Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; Mortgage verb. hypothekeeren, verpanden: I gave it him in mortgage = heb het hem verpand; To foreclose a mortgage = opzeggen; To lend on mortgages; He took up money on mortgage; Mortgage-bank = hypotheekbank; Mortgage-bonds = pandbrieven; Mortgage-deed = hypothecaire acte: To prepare a mortgage-deed = opmaken; Mortgagee, mögidžî, hypotheekhouder; Mortgager, mögidžə, hypothecair schuldenaar.
Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet, zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen, dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.
Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; Mortise verb. met pen en gat verbinden: To hold the mortise = weerstand bieden.
Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).
Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats, lijkenhuis.
Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: Mosaic law; Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.
Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.
Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.
Mo-sleigh = Motor-sleigh.
Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); Moslemism.
Mosque, mosk, Moskee.
Mosquito, moskîtou, muskiet: Mosquito-net.
Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: Moss-clad, Moss-grown = met mos bedekt of begroeid; Moss-land = veenbodem, veengrond; Moss-rose = mosroos; Moss-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en Schotland); Mossiness, subst. v. Mossy = met mos bedekt, mosachtig, donzig.