Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 57

Chapter 573,487 wordsPublic domain

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier, hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; Haul verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were hauled home = de schooten werden aangehaald; Haul the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to haul off from the shore = af te houden van de kust; He was hauled over the coals = kreeg een uitbrander; He hauled out a knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; Haulage = trekkracht; transportkosten; Hauler = soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; Haunt verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is haunted = het spookt in dit huis; Haunter = stamgast; druk bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs, subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: Have at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! Have a care = pas op! To have the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us have lots of room here = maak hier eens flink ruimte; Have done = schei uit; I had as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik liever doen; Do well and have well = die wel doet wel ontmoet; You can’t eat your cake and have it = je kunt niet het midden en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I have no money about me = ik heb geen geld bij mij; Have the tea-things away = ruim weg; You have nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den dag; I’ll have it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I will have it out with you before I go = met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; Haven verb. eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; Haver verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); Haversack = knapzak, ransel, reiszak; Havers, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; Havings = (goed) gedrag (Zie Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden wanneer geen kwartier werd gegeven; Havoc verb. verwoesten, vernielen, dooden: To cry havoc; The boys have played havoc with my furniture = mijne meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van de haagdoorn; aarzeling, hapering; Haw verb. haperen, ö - - ö zeggen, aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke in his Haw-haw-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a haw-haw swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt haw, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is haw and gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest; Hawk verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op; schrapen; rondventen; Hawk’s-bill = haviksbek; Hawk-eyed = met scherpen blik; Hawk-moth = sfinx, avondvlinder; Hawk-nosed = met arendsneus; Hawker = marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) hawse = dwars voor den boeg; He has crossed my hawse = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride hawse fallen (hawse full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker rijden van een schip in stormweer; Hawse-hole, (Hawse-pipe) = kluisgat: He came in at the hawse-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop begonnen; Hawser = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make hay = hooien: Make hay while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making hay in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making hay with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war; Hay-asthma, (Hay-fever) = hooiasthma (hooikoorts); Hay-box = hooikist; Hay-cock = hooiopper; Hay-field = hooiland; Hay-fork = hooivork; Hay-loft = hooizolder; Hay-knife = hooisteker; Hay-maker = hooier; boerendans; Hay-market; Hay-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); Hay-rick = Haystack; Hay-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any hay in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit? Haystack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a haystack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning hazard is, als de bal der tegenpartij, en a losing hazard, als des spelers bal gestopt wordt; Hazard verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the hazard of his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the hazard = op het spel zetten; I intend to run the hazard = de kans te wagen; Hazarder = waaghals; Hazardous = gevaarlijk, gewaagd; subst. Hazardousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid; Haze verb. misten; pesten, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren; in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; Hazel-earth = mengsel van zand en klei; Hazel-eyed = met lichtbruine oogen; Hazel-nut = hazelnoot; Hazel-tree; Hazel-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister, aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....

Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei, persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk, hoofd...; Head verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five head of cattle = stuks vee; A fine head of hair = kop met haar; The heads of a speech = onderafdeelingen; The heads of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious head of expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell head-first, head-foremost into the water = hals over kop; Head-on = Head-first = recht tegenover; I fell into it head and ears = heelemaal; He is in debt over head and ears = tot over de ooren; He rose head and shoulders above them = stak een heel eind boven uit; He came down head over heels from the tree = viel holderdebolder; To carry a grey head on green shoulders = jong blijven; Give him his head = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their heads = vier de teugels; To have a long head = ver vooruit zien; They laid their heads together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make head against that accusation = te weerleggen; He made head against the enemy = hield stand tegen; I cannot make head or tail of it = kan er geen touw aan vast maken; To take the head = de leiding nemen; steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your head completely = je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a head = bereikten een crisis; The ulcer has come to a head = is rijp geworden; He did it of his own head = uit eigen beweging; He hit the right nail on the head = sloeg den spijker op den kop; It is on your heads to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my head = maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was running under a full head of steam = stoomde met volle kracht; I see through the back of your head = ik doorzie u geheel; The wine went into his head = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be headed down = moeten gesnoeid worden; She tried to head off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I approached the subject, he would head me off = placht hij mij er af te brengen; The boat was heading towards the ship = stuurde in de richting van; Headache = hoofdpijn; Head-band = hoofdverband, kapitaalband (boekb.); Head-band verb. kapitalen; Head-boy = primus; Head-butler = eerste huisbediende; Head-cheese = hoofdkaas; Head-clerk = chef, boekhouder; Head-dress = kapsel; Head-fast = boegtouw; Head-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); Head-hunter = koppensneller; Head-land = voorgebergte, kaap; braakland; Head-light = licht (vooraan de locomotief); Head-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); Headlong = hals over kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write headlong = zoo maar weg; Headman = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer; Headmaster = hoofd, directeur, rector; Headmastership = de betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; Headmistress = directrice; Head-money = hoofdgeld; Headmost = voorste; Head-mould = schedel, vorm van het hoofd; Head-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); Head-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; Head-post = paal bij de ruif; Head-quarters = hoofdkwartier; Head-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren); kussen; Head-sail = vóórzeil; Head-sea = stortzee; Headshake = beteekenisvol schudden met het hoofd; Head-ship = hoogste waardigheid; Headsman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; Head-stall = hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); Head-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); Headstrong = koppig, onhandelbaar; Head-voice = kopstem; Head-waiter = oberkellner; Head-water = bovenloop; Head-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been making head-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten; Head-wind = tegenwind; Head-word = hoofdwoord; Head-work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; Head-workman = vóórman, werkbaas; Header = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; Headiness = koppigheid; Heading = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld, schuim; Heady = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen; Heal-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; Healable = geneesbaar; The Healing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of health = gezondheidspas; Clean bill of health = schoone lei (fig.); Board of Health = gezondheidscommissie; Officer of Health = inspecteur van de volksgezondheid; The public health; He is out of health = ongesteld; Your health = santé! Health-committee = gezondheidscommissie; Health-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; Health-officer = ambtenaar van den gezondheidsdienst; Health-resort = badplaats, kurort; Healthful = gezond, heilzaam; subst. Healthfulness; Healthiness, subst. v. Healthy = gezond, krachtig, heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: Heap verb. ophoopen, opstapelen: All of a (on a) heap = allemaal door elkaar; He was struck all of a heap = stom van verbazing; Heaps of = volop, een hoop.

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; Hear, Hear, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never hear the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He heard us our lessons = overhoorde; Hearsay = praatjes, geruchten; I have it by (from) hearsay, on hearsay evidence = van hooren zeggen; Hearer = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of hearing = hardhoorigheid; Hard (Thick) of hearing; Quick of hearing = fijn van gehoor; Hardness of hearing = hardhoorigheid; He is within (out of) hearing = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair hearing = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.

Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.

Hearne, hɐ̂n.

Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; Hearse verb. kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); Hearse-cloth = baarkleed.

Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in ’t kaartspel): What the heart thinks the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own hearts = naar hartelust; He is brave at heart = in den grond is hij dapper; Heart alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my heart do it = ik deed het om den dood niet; In his heart of hearts = in het binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good heart = uitstekend; To be heart and mind interested in = met hart en ziel; My heart failed me = de moed ontzonk mij; Her heart leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His heart sank low (into his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s heart = zijne moeder het hart; He could not find it in his heart to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by heart = van buiten te leeren; To have the heart = het hart, den moed hebben; To have a heart of gold; To have at heart = beoogen; I had it in my heart to tell you so = was van plan; On seeing this I had (felt) my heart in my mouth = toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good heart, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my heart out = me doodlachen; To lay to heart = ter harte nemen; He put some heart into me = sprak mij moed in; Set your heart at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his heart on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my heart = het sprak tot mijn hart; To take to heart = zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to heart = neem ter harte; He took (summoned) heart of grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his heart on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; Heart-ache = zielesmart; Heart-blood of Heart’s-blood = hartebloed (ook fig.); Heart-break = hartzeer; Heart-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok; Heart-broken = verpletterd; Heart-burn, subst. zuur (in de maag); Heart-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; Heart-complaint, Heart-disease = hartziekte; Heart-failure = hartverlamming; Heart-felt(ly) = diep, oprecht, innig; Heart-rending = hartverscheurend; Heart’s ease = driekleurig viooltje; Heart-sick = diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; Heart-sickening = bedroevend; Heart-sickness = zwaarmoedigheid; Heart-sore = hartzeer, groote smart; Heart-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; Heart-struck = getroffen; Heart-thrilling; Heart-touching = hartroerend; Heart-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen hart; Hearten = aanmoedigen, bezielen; Heartiness = hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; Heartless = harteloos, laf, flauw; subst. Heartlessness; Hearty = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in), opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my hearty = doe het, dan ben je een bovenstbeste!

Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; Hearth-broom, Hearth-brush = haardstoffer; Hearth-money = belasting op de stookplaatsen; Hearth-rug = haardkleedje; Hearth-stone = haardplaat; schuursteen.

Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur, loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; Heat verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot realise the white heat of his wrath = zijne groote woede; His nature was at white heat = was in gloed; He wrote this novel almost at a heat = “aus einem Guss”, uit één stuk; Heat-wave; Heater = verwarmer, verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).

Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; Heath-cock = korhaan; Heath-game = korhoenders; Heath-hen = korhen; Heath-pout = korhaan; Heathen, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; Heathendom = heidendom; Heathenish = heidensch, ruw, wreed; Heathenism, hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.

Heather, hedhɐ, heide(kruid); Heather-bell = gewone dopheide; Heather-tuft = heidetrosje; Heathery.

Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling; Heave verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: Heaves = dampigheid; To heave the lead = looden (peilen); She heaved a sigh = slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To heave about = over stag gaan; To heave down = kielhalen; Heave down the sails = strijk, haal neer de zeilen; Heave out the sails = gooi de zeilen los; To heave to = bijdraaien; Heave up = vomeeren: Let us heave up that design = laten we dat plan laten varen; Heaver = hefboom; losser: Coal-heaver.

Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh heaven = in den zevenden hemel; He moved heaven and earth to get it = wendde alles aan; It smells to heaven = schreit; The heaven may fall, and we may have larkpie for supper; Zie Lark; Heaven of heavens = de hemel der hemelen; Heaven-born = van den hemel gedaald, hemelsch; Heaven-bred = van goddelijken oorsprong; Heaven-directed = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; Heaven-gate = hemelpoort; Heaven-gifted = door den hemel geschonken; Heavenhigh = hemelhoog; Heavenliness, subst. v. Heavenly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel; Heavenly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. Heavenly-mindedness; Heaven-sent = door den hemel gezonden; Heavenward(s) = hemelwaarts.

Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand, slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware cavalerie; Heavy-armed = zwaar gewapend; He did the heavy business, i.e. van den heavyman = speelde de père noble rollen; Heavy cavalry = zware ruiterij; A heavy father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble; Heavy-gaited = met moeielijken, langzamen gang; Heavy-handed = lomp, despotisch; Heavy-laden = zwaargeladen; Heavy-lidded = met zware, hangende oogleden; A Heavy loss; Heavy-spar = zwaarspaath; Heavy type = vette letter; Heavy-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.); His life hangs heavy (up)on his hands = valt hem zwaar.

Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch.

Hebe, hîbî, Hebe.

Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.

Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsche taal; Hebrew-wise = in tegengestelden zin.

Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides (The), dhəhebridîz.

Hecate, hekətî, Grieksche godin.

Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande.

Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een stroom.

Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat onder het mes genomen wordt (Schotl.).

Hecla, heklə.

Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.

Hectic, hektik, teringachtig; subst. = Hectic-fever = teringkoorts, teringblos.

Hectogram(me), hektəgram, hectogram.

Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.

Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).

Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; Hector verb. snoeven, bluffen, onbeschaamd behandelen: He hectored it out of me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit (Vergel. He hectored me out of it = kreeg het van mij door br.); He hectored over me = negerde, donderde mij.

Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).

Hecuba, hekjuba.

Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs, klimopdragend, voortbrengend.

Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; Hedge verb. met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk wedden, zich koest houden: Over hedge and ditch = over heg en steg; You are on the wrong side of the hedge = gij hebt het mis, zijt verkeerd; Hedge-berry = vogelkers; Hedge-bill = snoeimes; Hedge-born = van lage geboorte; onecht; Hedge-creeper = landlooper; Hedgehog = egel; Hedgehog thistle = nopal; vijgdistel; Hedge-hyssop = genadekruid; Hedge-marriage = geheim huwelijk; Hedge-parson, Hedge-priest = hageprediker; Hedge-row = haag; Hedge-school = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); Hedge-schoolmaster = meester van die school; Hedge-sparrow = bastaard-nachtegaal; Hedge-stake = heiningpaal, stut; Hedge-writer = prulschrijver; Hedger = haagmaker, haagsnoeier.

Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.

Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take heed = pas op; He heeded my words = lette op en deed naar; Heedful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. Heedfulness; Heedless = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. Heedlessness.

Hee-haw, hî-hô, balken.

Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk, overhelling naar eene zijde; Heel verb. een hak of hiel zetten aan, van een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it heels over head = hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and heels = in de volle (lichaams)lengte; The police are at (upon) his heels = zit hem op de hielen; His shoes are down at heels, out at heels = afgetrapt, versleten; To cool one’s heels = lang (moeten) wachten; To fling up one’s heels = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep to heel = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s heels (Zie Fling up); To kick one’s heels = wachten; They were laid by the heels = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed their heels, took to their heels = lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to heel = achter blijven loopen; He always treads upon a man’s heels = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up the heels = doodgaan; Heel-ball = mengsel van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken; Heel-piece, subst. achterlap, hakstuk; Heel-tap, subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No heel-taps! = uitdrinken!