Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 95

Chapter 952,925 wordsPublic domain

Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; Pole verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; Pole-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; Pole-axe verb. met eene bijl dooden; Pole-axe isolation will be necessary against the rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled crocks, only fit to be pole-axed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt om gedood te worden; Pole-star = poolster.

Polecat, poulkat, bunzing.

Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: Polemics = polemiek.

Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.

Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted police = bereden politie; A number of troops will be necessary to police the country = orde en regel te brengen in; Police-commissioner = commissaris; Police-constable = agent; Police-court = politierechtbank; Police-inspector = inspecteur; Police-magistrate = politierechter; Policeman = agent; Police-office = bureau (Police-station); Police-officer = ambtenaar bij de politie.

Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid, wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best policy = eerlijk duurt het langst; Life policy = levensverzekeringspolis.

Polish, pouliš, Poolsch.

Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; Polish verb. polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten polijsten: He polished his eye-glasses = veegde af; To polish glass = glas slijpen; May I polish off that job for you? = dat zaakje ... opknappen; I polished him off in no time = zette hem gauw op z’n plaats; Polished = gepolijst, beschaafd; Polishing: Polishing-cloths = wrijflappen; Polishing-paste = poetspommade; Let us give it a polishing = polijsten, politoeren, poetsen.

Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. Politeness.

Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body Politic = burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk, staats - -, staatkundig: Political Economy = staathuishoudkunde; Politician, politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics, politiks, staatkunde, politiek, slimheid: They were talking politics the whole evening = zij hadden het den geheelen avond over staatkunde; Polity, politi, regeerings(vorm), inrichting.

Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and polking; Polka, poulkə, polkə, polka.

Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = Poll-parrot.

Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst, stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; Poll verb. toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren, slaan (sport): The poll is over = de stemming is afgeloopen; At six the poll closed = sloot het stembureau; To go to the poll = gaan stemmen; kandidaat zijn; He was at the head of the poll = hij had de meeste stemmen; The ordinary or poll (ook pol uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was polled = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen beslissing (Amer.); Poll-cattle = ongehoornd vee; Poll-tax = hoofdelijke omslag; Polling-booths = (verplaatsbare) stembureaux; Polling-clerk = officieel stemopnemer; Polling-place (Poll-station) = stembureau.

Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. Pollard willow = knotwilg); dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie Chub), zemelenmeel.

Pollen, pol’n, stuifmeel; Pollenize = bevruchten met stuifmeel; Pollinary (Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination = bevruchting door insecten.

Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.

Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen; Polluted(ness); Polluter; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting, bevlekking.

Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).

Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.

Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.

Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.

Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk; Poltroonery = lafheid; Poltroonish = laf.

Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.

Polyanthus, polianthəs, tuberoos.

Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous; Polygamy = polygamie.

Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj. Polyglottous.

Polygon, poligon, veelhoek; Polygonal, Polygonous, pəligən’l, pəligənɐs, veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni, duizendknoop (grassoort).

Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende werken, veelschrijver; adj. Polygraphic(al), poligrafik(’l).

Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië; Polynesian = van P.; Polynesiër.

Polyp(e), polip, poliep.

Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.

Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.

Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable, polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.

Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.

Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = Polytechnic-school = polytechnische school.

Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in veelgodenleer; adj. Polytheistic(al).

Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj. Pomaceous = appel...

Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; Pomade verb. pommadeeren.

Pome, poum, appelvrucht; Pomegranate, pomgranit, pɐmgranit, granaatappel.

Pomerania, poməreinjə, Pommeren: Pomeranian = Pommersch; Pommeriaan, keeshond; Pomfret, pomfrət.

Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.

Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; Pommel verb. slaan, bont en blauw slaan: They pommel(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To pommel to a jelly = tot moes slaan.

Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v. (leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.

Pomp, pomp, praal, praalvertooning.

Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius, pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.

Pompion, pɐmpj’n, pompoen.

Pompom, pompom, revolverkanon.

Pompon, pompən, pompon.

Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid; adj. Pompous, pompəs, subst. Pompousness; Pomposo, pompousou, statig en waardig (muz.).

Pond, pond, vijver, poel.

Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He pondered the past = hij bepeinsde wat er gebeurd was; Ponderability = weegbaarheid; Ponderable = weegbaar; Ponderosity = zwaarte, gewicht, gewichtigheid; Ponderous = zwaar, gewichtig, saai; subst. Ponderousness.

Pondicherry, pondišeri.

Pone, poun, maïsbrood (Amer.).

Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.

Poniard, ponjəd, subst. dolk; Poniard verb. doorsteken.

Ponsonby, pons’nbi.

Pont, pont, veerschuit, veerpont.

Pontic, pontik: Pontic Sea = Zwarte Zee.

Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester; bisschop, paus; Pontifex-maximus = eerste dezer priesters, de Paus; Pontiff = hoogepriester, paus (= Supreme Pontifex); Pontifical, pontifik’l, subst. het liturgische boek voor de bisschoppelijke bedieningen; adj. hoogepriesterlijk, pauselijk: Pontifical States = de kerkelijke staat; Pontificals = onderscheidingen gedragen door bisschoppen en prelaten: In full pontificals = in pontificaal; Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke waardigheid.

Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een paard).

Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton, kiellichter (scheepst.); Pontoon-bridge = pontonbrug; Pontoon-train.

Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een (klassiek)schrijver; Pony verb. zulk een vertaling gebruiken: To put down the pony = opdokken; Pony-engine = rangeerlocomotief.

Poodle, pûd’l, poedel.

Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To pooh-pooh = met verachting van zich werpen: He pooh-poohed the possibility of ever doing such a thing.

Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart), totalisator; Pool verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden tot gezamenlijk doen van iets: The swimming pool and the wading pool = zwembassin en “pierenbak”; Pool-counter = fiche; Pool-ticket = totalisatorkaart; Pooler = stok om te roeren.

Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.

Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; Poop verb. over den achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old poop.

Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend, treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The poor and the rich = armen en rijken; Poor Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are making a poor dinner = ge eet weinig; A poor excuse = een armzalig excuus; In poor health = in slechte gezondheid; Poor Law = armenwet; It’s a poor look-out = ’t ziet er miserabel voor ons uit; Poorhouse = armenhuis; Poor-rate = armenbelasting; Poor-spirited = ellendig, lafhartig; subst. Poor-spiritedness; I feel very poorly to-day = voel me lang niet goed; How is the patient? Poorly indeed = hoe is het met de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. Poorness.

Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje); interj. floep! poef! Pop verb. plotseling binnenkomen of voor den dag komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen, verpanden: Pop goes the weasel! = en weg was het! Pop, bang, fire! = pief-paf-poef! The pop of bottles = floep; To go pop = op de flesch gaan; He came in pop = plotseling; He was a regular attender at Sunday Pops = Popular Concerts; To pop corn = maïs poffen tot de korrels er uit vliegen; She popped her head out of the window = zij kwam in eens met haar hoofd buiten het raam; He popped the question = hij vroeg om hare hand; To pop into bed = springen; I could not think you would pop in upon me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually popped off = verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He popped a wanting hand on the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan; Pop-corn = maïs die geschikt is gepoft te worden; Pop-eyes = uitpuilende oogen; Pop-gun = klein pistooltje; Pop-shop = pandjeshuis; Pop-visit = onverwacht bezoek; Popper = mand van ijzerdraad om maïs te poffen; poffer, pistool.

Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; Pope-Joan, poupdžoun, zeker kaartspel; Pope’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van ossen of schapen; Pope’s-head = lange bezem; Pope’s nose = stuit van een gebraden vogel; Popedom = pausdom, pausschap; Popehood; Popery = Roomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The No-Popery Plots = de anti-R.-Katholieke samenzweringen.

Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.

Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm van een papegaai), windbuil.

Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.

Poplar, poplə, populier = Poplar-tree.

Poplin, poplin, popeline.

Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel loopen; lieverd, popje, marionet.

Poppa = papa (Amer.).

Poppy, popi, papaver.

Poppycock, popikok: It’s all poppycock = allemaal onzin.

Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti, populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize, popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken, voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol menschen; subst. Populousness.

Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.

Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein...: Porcelain-clay = porseleinaarde; Porcelain-ware; Porcelainize = door hitte in eene porseleinachtige stof veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs, pösəleinəs, pöselənɐs, porseleinachtig, porselein...

Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The Porch = school der Stoïcijnen.

Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.

Porcupine, pökjupain, stekelvarken: Porcupine quill.

Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To pore over, on, upon one’s books), nauwkeurig onderzoeken.

Pore, pö, porie.

Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).

Poriform, pôriföm, als eene porie.

Pork, pök, varkensvleesch; Pork-butcher; Porker = (gemest) varken; Porkopolis = bijnaam voor Cincinnati en Chicago.

Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography = pornographie.

Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus; subst. Poroseness.

Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend; Porphyry, pöfiri, porfier.

Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a porpoise = zoo vet als modder.

Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. Porrection.

Porridge, poridž, havermeelpap.

Porringer, porinžə, kommetje, nap.

Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang, bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; Port verb. het roer naar links overleggen: Free, Inner, Outport = vrijhaven, binnenhaven, buitenhaven; The ship made (the) port = liep... binnen = put in at the port; Port of departure, destination, distress, refuge (ook fig.); Port-admiral = havencommandant; Port-bar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort af te sluiten; Port-charges, Port-dues = havengelden; Portcullis = hamei; Porthole = patrijspoort; Port-lanyard (Port-rope) = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; Portlast = dolboord; Port-lid = deur eener geschutpoort; Port-side = bakboordzijde; Port-town; Port-vein = poortader; Port-wine.

Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar, draagbaar; subst. Portableness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon, afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten worden gedragen).

Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.

Porte, pöt: The Sublime Porte = de Verheven Porte.

Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent, (slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend, monsterachtig, ijselijk; subst. Portentousness.

Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier): Porter’s lodge = portierswoning; Porterage, pötəridž, kruiersloon, draagloon, bestelloon; Porteress = portierster.

Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The portfolio for Foreign Affairs.

Portico, pötikou, overdekte zuilengang.

Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel, huwelijksgift; Portion verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen; Portionist = een van de beursstudenten van Merton College (Oxf.); clergyman die met anderen de inkomsten van een living deelt; Portionless, zonder huwelijksgift.

Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: Portland cement = cement; Portland stone.

Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.

Portmanteau, pötmantou, valies.

Porto, pötou, Oporto.

Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length portrait = portret ten voeten uit; Half-length portrait = kniestuk, buste; I will have my portrait taken = mijn portret laten maken; Portrait-painter = portretschilder = Portraitist; Portraiture = portret, de kunst van portretten maken, schildering.

Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; Portrayal = schildering, beschrijving; Portrayer = schrijver, beschrijver.

Portsmouth, pötsməth.

Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch; Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj. Portugees(che taal), Portugeezen.

Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; Pose verb. eene bepaalde houding of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren, verlegen maken, in de war brengen; Poser = moeielijke vraag, streng examinator, “harde noot”: That’s a poser = dat is moeilijk te verklaren.

Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.

Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand, betrekking, stelling: Of inferior social position = van minderen stand; I am not in a position to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet, zoo iets te beweren; You cannot make good this position = die bewering niet bewijzen; He took up his position there = hij nam daar positie, zijne positie in.

Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj. stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig, koppig: I am quite positive = weet het zeker; I am positive in your doing this = ik sta er op dat gij dit doet; He is not naturally positive = het ligt niet in zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven staan; Positive degree = stellende trap; Positive electricity = glas-electriciteit; Positive philosophy = positivisme, de wijsgeerige richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de zinnen kan worden waargenomen; Positive quantity = positief getal; subst. Positiveness; Positivist = aanhanger van Positivism.

Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong posse of police; Posse Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.

Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van, beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) possessed = als een bezetene: He possesses himself = hij kan zich beheerschen; Great awe possesses my soul = mijne ziel is vervuld van; Possess your soul in patience = bezit in lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom, bezitting: Possession is nine points of the law = zalig zijn de bezitters; A writ of possession = een rechterlijk bevel van den Sheriff om iemand in het bezit van een stuk grond te stellen; The man in possession = Broker’s man (who is put in possession of the house till the execution is paid out); To be in possession; To get possession of; I gave him possession of (put him in possession of) his property = stelde hem in het bezit van; He recovered possession of his goods = hij herkreeg bezit van; He took possession of his own = hij nam wat het zijne was; To take possession of a house = betrekken; Possessive case = tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. Possessory = bezittend, betrekking hebbende op het bezit.

Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of azijn, gekruid en zoet gemaakt; Posset verb. stremmen.

Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If possible = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot possibly assist you = ik kan u onmogelijk helpen.

Possum, posəm, subst. opossum: To act (play) possum = zich dood houden, ziek houden; To play possum with = bedriegen.

Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; Post verb. aanplakken, op de kaak stellen, stationneeren, per post verzenden, geheel op de hoogte brengen, boeken, snel of met postpaarden reizen; adv. spoedig, snel: General Post = een gezelschapsspel; algemeene promotie; The last post = laatste post; taptoe signaal (nu gewoonlijk geblazen bij de begrafenis van een soldaat); To answer (reply) by (return of, the first, the earliest) post = per (keerende) post; Lost in the post = verloren geraakt; To ride post = als koerier rijden, snel rijden; To send by post = per post; I was sent from post to pillar, and from pillar to post = ze stuurden mij van ’t kastje naar den muur; He is on the wrong side of the post = verkeert in een moeilijke positie; You ought to have posted me about him = mij ’t noodige omtrent hem te hebben meegedeeld; A notice was posted up in the market-place = eene bekendmaking werd aangeplakt; He is well posted (up) in this branch of learning = hij is goed op de hoogte; Her diary was posted up from her fifteenth year = dagboek was bijgehouden; Post-box; Postboy = postillon; Post-captain = rang tusschen commodore en captain (na 3 jaar dienst); Post-card = briefkaart; Post-chaise, subst. postkar, postwagen; Post-chaise verb. rijden met eene Post-chaise; Post-day = dag, waarop de post aankomt of vertrekt; Post-free = franco; Post-haste, subst. groote spoed; Post-horn = hoorn van den postillon; Posthorse = postpaard; Posthouse = posthuis; Postman = brievenbesteller; Postmark = postmerk; Postmaster = postmeester, directeur van een postkantoor; Postmaster-general = directeur generaal der posterijen (lid van het Cabinet); Post-office = postkantoor; Post-office box; Post-office clerk = postambtenaar; Post-office money-order = postwissel; Post-office savings-bank = postspaarbank; Post-paid = franco, gefrankeerd; Post-stage = poststation (om te rusten en van paarden te verwisselen); Post-time; Post-town = stad met een postkantoor; Postage = port (van een brief): Additional postage = strafport; Postage-stamp = postzegel; Postal = tot de posterijen behoorende: Postal evolution = ontwikkeling van het postwezen; Postal matters; Postal order = postbewijs = Postal note (Amer.); Poster = renbode, postpaard, aanplakbiljet; Poste restante = poste restante (“to be left till called for”); Posting: Posting-bill = aanplakbiljet; Posting-hôtel, Posting-house = poststation, posthuis.

Post, poust (in samenst.), na, achter: Post-communion = het deel van den dienst na het avondmaal; gebed na de mis; Postdate, poustdeit, latere datum; Postdate verb. poustdeit = later dateeren; Postdiluvian = subst. en adj. na den zondvloed levende; Post-entry = latere boeking, latere aangifte; Post-fix = achtervoegsel; Post-fix verb. poustfiks; Post-meridian, subst. en adj. namiddag; Post-mortem = na den dood: A Post-mortem examination = lijkschouwing; Post-nuptial = na het huwelijk gebeurende; Post-obit, poust-oubit, poust-obit, obligatie waarbij zich de debiteur verplicht na den dood van een bepaald persoon eene grootere som te betalen; Post-position = plaatsing na of achter iets anders; Post-positive = na of achter geplaatst; Post-prandial = na den maaltijd: A Post-prandial speech = rede aan het dessert gehouden; Post-scenium = achtertooneel; Postscript = postscriptum.

Posterior, postîriə, later volgend: Posteriors = achterste; Posterity, posteriti, nakomelingschap.

Postern, poustən, kleine deur, geheime ingang (ook: Postern-door; Postern-gate), gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting.

Posthumous, postjumɐs, na ’s vaders dood geboren, na den dood van een schrijver uitgegeven: Posthumous papers, writings = nagelaten papieren, geschriften.

Postil, postil, postille.

Postil(l)ion, poustilj’n, postiljon, voorrijder (op het linker paard).

Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; subst. Postponement = uitstel; Postponer.

Postulant, postjul’nt, vrager, sollicitant candidaat; Postulate, postjulit, subst. postulaat; Postulate verb. (postjuleit) zonder bewijs aannemen, verlangen, eischen; subst. Postulation.

Posture, postjə, houding, stand, toestand: In a posture of defence = in verdedigende houding; Posture-maker, Posture-master = acrobaat.

Posy, pouzi, dichterlijk motto; bloem(tuiltje).