138. Part 138Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a — with h...
140. Part 140Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive — = woes...
109. Part 109Shock, šok, subst. schok, botsing, hevige aanval, beroerte, hoop graanschoven, dikke haarbos, ruigharige hond; — verb. stooten, botsen, aanstoot geven, kwetsen; adj. ruigharig:...
122. Part 122Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; — verb. nemen, aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen;...
94. Part 94Purchase, pɐ̂tšis, subst. verkrijging, koop, het gekochte, hefboom en hefboomseffect; — verb. verkrijgen, koopen, aankoopen, opheffen door middel van hefboom: It is mine by — =...
64. Part 64Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; — verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervull...
129. Part 129True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen waar; He was — to his country and l...
49. Part 49Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly — of the trigger = he...
52. Part 52Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-s...
126. Part 126Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; — verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippe...
103. Part 103Rule, rûl, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel, regelmaat, reglement, orde, duimstok, liniaal; — verb. regeeren, besturen, bedwingen, linieeren, leiden, richten,...
116. Part 116Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); — verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, Shoo...
107. Part 107Send, send, subst. beweging der golven; — verb. zenden, verzenden, werpen, schieten, voortplanten, etc.: Born on the — of the sea = op de bewegelijke golven; This sent him mad =...
53. Part 53Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; — verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval: I did it at —hazard = op den bof, op go...
55. Part 55Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; —adactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; —agon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; —ahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig;...
10. Part 10Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); — verb. (herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stamp...
117. Part 117Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkel...
142. Part 142Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = ove...
87. Part 87Pick, pik, subst. soort houweel, keur, het beste; — verb. met iets puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken, plukken, afknagen, kiezen, uitkiezen,...
11. Part 11Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats, ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; — verb. een slaapplaats aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He...
54. Part 54Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never — the last of it = houdt dat...
118. Part 118Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; — verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: — notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; — s...
14. Part 14Bounce, bauns, subst. plotselinge sprong, slag of stoot, terugstoot, verwaandheid, gesnoef, aplomb, onbeschaamde leugen; — verb. laten springen, uitschelden, négeren; er uit smi...
69. Part 69Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; — verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It...
112. Part 112Smoke, smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends; — verb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken: There is no — without a fire = men noemt geen koe bont of er i...
68. Part 68Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbe...
51. Part 51Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of worden: Do you see any — in my eye = zie ik...
114. Part 114Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten, uitputten, verliezen: To — and be spent = geld en krachten opofferen; To — one’s breath = te vergeefs praten;...
136. Part 136Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: — c(h...
96. Part 96Rake, reik, subst. hark, krabber; losbandig mensch; helling van steven, mast of schoorsteen; — verb. harken, of bijeenschrapen, verzamelen, ophoopen, zoeken, ophalen, naspeuren,...
88. Part 88Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; — verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to — out), sch...
79. Part 79Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the —; — of wax = meegaand persoon; Yo...
89. Part 89Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; — verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in —, out of — = ik win, verlies; I am out...
128. Part 128Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To — grapes = druiven treden; To — (the) water =...
42. Part 42Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien:...
77. Part 77Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass — = dat kan er (niet) d...
70. Part 70Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; — verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: — God = Amor; —-all! = beide partijen niets...
106. Part 106Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining, richting der golven, groote hoeveelheid: Chopping, Cross — = holle zee; Pitch — = stamp-zee; You are at — = op zee; g...
45. Part 45Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzett...
84. Part 84Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel, breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; — verb. evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overe...
80. Part 80Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; — verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon — = bij gelegenheid; On...
78. Part 78Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, om...
12. Part 12Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog, afzetterij; — verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen, uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark...
22. Part 22Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; — verb. overhalen,...
3. Part 3Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering, verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; — verb, bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren,...
35. Part 35Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (ze...
123. Part 123Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; — verb. de tea gebruiken: Beef — = bouillon; Five o’clock —; High, Meat — = thee, souper met allerlei vleezen; Sw...
85. Part 85Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; —age, peitrənidž, patrənidž, beschermi...
72. Part 72March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of — =...
82. Part 82Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister,...
57. Part 57House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een plane...
46. Part 46Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = v...
100. Part 100Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; — verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, o...
44. Part 44Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; —-wool = wol van het levende sch...
41. Part 41Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn d...
76. Part 76Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: — enemy, foe = doodvijand; — fright = doodsangst; — hour =...
63. Part 63Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; — verb. plotseling rukken, schudden of stooten, kramp...
9. Part 9Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der advocaten, rechtbank; buffet; balk (in ee...
90. Part 90Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; — verb. aanplakken, op de kaak stellen, stat...
33. Part 33Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your — = tot uw dienst, te uwer beschikking; The — in marriage = u...
75. Part 75Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A — is as good as a mile...
134. Part 134Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: —s of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in — = het wordt veel gebruikt of toegepast; — and...
99. Part 99Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmidde...
97. Part 97Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They —led against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; —ler = Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The G...
27. Part 27Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking; kram of klemhaak; dwang, belemmering; adj. moeilijk, lastig; — verb. krampachtig vertrekken; trekken, neerdrukken, beperken, acht...
119. Part 119Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. —ness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen...
120. Part 120Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be —d in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, be...
21. Part 21Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap; — verb. klappen, knallen, tikken, kloppen, slaan (met iets plats), plotseling bijeendrijven, haastig dichtslaan, met...
137. Part 137Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; — verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: —-of-confidence-vote = motie van wantrouwen;...
7. Part 7Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable = sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst. metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, l...
135. Part 135Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the — of ruin, of madness = aan d...
121. Part 121Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear little — = lieve snoes = Dearest —; My —...
127. Part 127Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To...
17. Part 17Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep, smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jage...
16. Part 16Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; — verb. branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn), gloeien, vonkelen: To — alive; Money —s (a hol...
62. Part 62Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; —ion = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure —ion = een grove leugen; The —ions = Tentoonstelling der uitvindingen...
23. Part 23Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): — verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een com...
130. Part 130Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a — about it...
133. Part 133Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an — time of night = laat in den nacht; subst. —ness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, nie...
31. Part 31Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the —(s) of...
56. Part 56Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; — Hall = plaats waar men zich niet b...
2. Part 2Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was —ed from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; —ed = afgezonderd, ver...
32. Part 32Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their —ed heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering,...
30. Part 30Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; — verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: — nisi, naisai, voorwaardelijke be...
86. Part 86Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri, volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His commands are — = dulden geene tegenspraak;...
24. Part 24Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were —ed = verbeurd verklaard; —ed c...
59. Part 59Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an — on my brother’s c...
58. Part 58Idea, aidîə, denkbeeld, begrip, meening, thema, plan: The — of such a thing! = ’t idee! Stel je voor! His fixed — = idée fixe; —l = ideaal, denkbeeldig; subst. ideaal; —lism = i...
60. Part 60Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; —ism = individualisme, zelfzucht; —ity, individjualiti, eigenaardig karakter, indivi...
81. Part 81Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee...
132. Part 132Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van...