Category: Language & Communication

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al); —-duct; het — in —-duct staat daarom alléén in plaats van Acoustic, dus van het niet tusschen haakje...

Chapters

1. Part 1

1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al);...

2. Part 2

Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was —ed from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; —ed = afgezonderd, ver...

3. Part 3

Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering, verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; — verb, bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren,...

4. Part 4

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op, bewust: The best man — = van de wereld; No man — = geen sterveling; All — = met oogen en ooren open; He is t...

5. Part 5

Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; —-American = Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst; —-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; —-cathol...

6. Part 6

Apron, eipr’n, schort, schootsvel; dekkleed, deksel op het zundgat van een kanon; de vette buikhuidbedekking v. eend of gans (Provinc.): He is tied to his wife’s —-strings = hij...

7. Part 7

Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable = sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst. metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, l...

8. Part 8

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts; B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. = Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of...

9. Part 9

Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der advocaten, rechtbank; buffet; balk (in ee...

10. Part 10

Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); — verb. (herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stamp...

11. Part 11

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats, ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; — verb. een slaapplaats aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He...

12. Part 12

Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog, afzetterij; — verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen, uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark...

13. Part 13

Blush, blɐš, subst. blos, blosje, blik; — verb. rood worden, blozen, zich schamen; At (the) first — = bij den eersten oogopslag; He put us to the — = maakte ons beschaamd; To —...

14. Part 14

Bounce, bauns, subst. plotselinge sprong, slag of stoot, terugstoot, verwaandheid, gesnoef, aplomb, onbeschaamde leugen; — verb. laten springen, uitschelden, négeren; er uit smi...

15. Part 15

Brim, brim, subst. rand, boord, kant: Full to the — = boordevol; — verb. tot den rand vol zijn of vullen: To — over = overvol zijn; —ming over with happiness = uitgelaten van; —...

16. Part 16

Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; — verb. branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn), gloeien, vonkelen: To — alive; Money —s (a hol...

17. Part 17

Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep, smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jage...

18. Part 18

Carpet, kâpət, subst. tapijt; tafelkleed, looper; adj. verwijfd, salon - -; — verb. met een tapijt beleggen; berispen: —ing = tapijtstoffen; It is on the — now = het is nu op he...

19. Part 19

Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; —ship = ambt van censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness = vitzucht; Censurable = berispelijk, laakb...

20. Part 20

Chicken, tšik’n, kuiken: You must not count your —s before they are hatched = je moet de huid niet verkoopen voor de beer gevangen is; Mother Carey’s — = stormzwaluw; iemand die...

21. Part 21

Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap; — verb. klappen, knallen, tikken, kloppen, slaan (met iets plats), plotseling bijeendrijven, haastig dichtslaan, met...

22. Part 22

Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; — verb. overhalen,...

23. Part 23

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): — verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een com...

24. Part 24

Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were —ed = verbeurd verklaard; —ed c...

25. Part 25

Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: — of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In — of = in weerwil van; To hold in — = verachten; —ible = verachtelijk, nietig;...

26. Part 26

Corporate, köpərit, tot één lichaam vereenigd: Body — = rechtspersoon; Corporation, köpəreiš’n, staatkundig of wetgevend lichaam, gilde, gemeentebestuur; dikke buik (scherts.):...

27. Part 27

Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking; kram of klemhaak; dwang, belemmering; adj. moeilijk, lastig; — verb. krampachtig vertrekken; trekken, neerdrukken, beperken, acht...

28. Part 28

Cudgel, kɐdž’l, subst. knuppel, stok; — verb. knuppelen, afrossen: Let us cross the —s = den strijd eindigen; I’ll take up the —s for you, in your behalf (favour) = het voor u o...

29. Part 29

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; — verb. bloemen in stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen, damasceeren; —-steel = Damascus-staal; Damask...

30. Part 30

Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; — verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: — nisi, naisai, voorwaardelijke be...

31. Part 31

Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the —(s) of...

32. Part 32

Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their —ed heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering,...

33. Part 33

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your — = tot uw dienst, te uwer beschikking; The — in marriage = u...

34. Part 34

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; —s = binnenl. producten (Amer.); — animals = huisdieren; — economy = huishoud...

35. Part 35

Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (ze...

36. Part 36

Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; — verb. aren vormen: No — for music = geen muzikaal gehoor; I am all —, all —s = geheel gehoor; I would not say anything against him...

37. Part 37

Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my — in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; —s = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal...

38. Part 38

Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, — = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow — = zeer gemakkelijk; That’s right — = volkomen juist; Sure — = voorzeke...

39. Part 39

Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig, onveranderlijk: The — = de Eeuwige, God; — flower = immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = ee...

40. Part 40

Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not —ed to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in blijde verwachting; —ance = verwachtin...

41. Part 41

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn d...

42. Part 42

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien:...

43. Part 43

Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: —-cause = einddoel: He does not believe in —-causes = hij ontkent de teleologie; — dec...

44. Part 44

Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; —-wool = wol van het levende sch...

45. Part 45

Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzett...

46. Part 46

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = v...

47. Part 47

Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; — verb. grappen maken: That was the — of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much — = niet erg leuk zijn; I did...

48. Part 48

Gasp, gâsp, subst. snik; — verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last — = bij den laatsten snik, op sterven; With a — = verbaasd (als naar adem...

49. Part 49

Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly — of the trigger = he...

50. Part 50

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the — with precision = slaan den spijker juist op den kop; —-beater = goudpletter,...

51. Part 51

Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of worden: Do you see any — in my eye = zie ik...

52. Part 52

Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-s...

53. Part 53

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; — verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval: I did it at —hazard = op den bof, op go...

54. Part 54

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never — the last of it = houdt dat...

55. Part 55

Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; —adactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; —agon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; —ahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig;...

56. Part 56

Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; — Hall = plaats waar men zich niet b...

57. Part 57

House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een plane...

58. Part 58

Idea, aidîə, denkbeeld, begrip, meening, thema, plan: The — of such a thing! = ’t idee! Stel je voor! His fixed — = idée fixe; —l = ideaal, denkbeeldig; subst. ideaal; —lism = i...

59. Part 59

Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an — on my brother’s c...

60. Part 60

Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; —ism = individualisme, zelfzucht; —ity, individjualiti, eigenaardig karakter, indivi...

61. Part 61

Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They —d the pony among carts and baskets; She...

62. Part 62

Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; —ion = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure —ion = een grove leugen; The —ions = Tentoonstelling der uitvindingen...

63. Part 63

Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; — verb. plotseling rukken, schudden of stooten, kramp...

64. Part 64

Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; — verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervull...

65. Part 65

L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria...

66. Part 66

Lath, lâth, subst. lat; — verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a — = zoo mager als een houtje; —-and-plaster = van bepleisterde latten; —-work; —y = (zoo)...

67. Part 67

Legal, lîg’l, wettig, wettelijk: — fare = tarief; — tender = betaling in rijksmunt; There were several — types in the court = rechtsgeleerden; —ism = wettelijkheid; —ist = ieman...

68. Part 68

Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbe...

69. Part 69

Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; — verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It...

70. Part 70

Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; — verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: — God = Amor; —-all! = beide partijen niets...

71. Part 71

Maid, meid, maagd, meid, meisje: Children’s —; House— = tweede meid; Ladies’ — = kamenier; Parlour — = binnenmeid; Thorough — = flink; — of honour = hofdame; — of all work = mei...

72. Part 72

March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of — =...

73. Part 73

Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat, middenterm, middel: — distance = gemiddelde; The — Englishman = gewone; A golden — = middelweg; To adopt a happy...

74. Part 74

Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: —-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = — Sittings); cursus van 1 Oct...

75. Part 75

Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A — is as good as a mile...

76. Part 76

Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: — enemy, foe = doodvijand; — fright = doodsangst; — hour =...

77. Part 77

Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass — = dat kan er (niet) d...

78. Part 78

Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, om...

79. Part 79

Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the —; — of wax = meegaand persoon; Yo...

80. Part 80

Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; — verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon — = bij gelegenheid; On...

81. Part 81

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee...

82. Part 82

Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister,...

83. Part 83

P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen; P. staat verkort voor page, parti...

84. Part 84

Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel, breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; — verb. evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overe...

85. Part 85

Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; —age, peitrənidž, patrənidž, beschermi...

86. Part 86

Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri, volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His commands are — = dulden geene tegenspraak;...

87. Part 87

Pick, pik, subst. soort houweel, keur, het beste; — verb. met iets puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken, plukken, afknagen, kiezen, uitkiezen,...

88. Part 88

Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; — verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to — out), sch...

89. Part 89

Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; — verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in —, out of — = ik win, verlies; I am out...

90. Part 90

Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; — verb. aanplakken, op de kaak stellen, stat...

91. Part 91

Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade; — verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events had —d me in his eyes = hadden mij bij hem kwa...

92. Part 92

Private, praivit, subst. gewoon soldaat; —s = geslachtsdeelen; adj. alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The letter was headed “—” = boven den brief st...

93. Part 93

Prose, prouz, subst. proza; adj. prozaïsch, vervelend; — verb. vervelend schrijven of verhalen: This writer never preaches nor —s = moraliseert of verveelt nooit; The poet’s way...

94. Part 94

Purchase, pɐ̂tšis, subst. verkrijging, koop, het gekochte, hefboom en hefboomseffect; — verb. verkrijgen, koopen, aankoopen, opheffen door middel van hefboom: It is mine by — =...

95. Part 95

Queen, kwîn, subst. koningin; — verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to — = dam maken; — of the meadows = Meadowsweet; —-apple = renet...

96. Part 96

Rake, reik, subst. hark, krabber; losbandig mensch; helling van steven, mast of schoorsteen; — verb. harken, of bijeenschrapen, verzamelen, ophoopen, zoeken, ophalen, naspeuren,...

97. Part 97

Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They —led against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; —ler = Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The G...

98. Part 98

Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; — verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows it off the — = op zijn duimpje; I am f...

99. Part 99

Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmidde...

100. Part 100

Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; — verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, o...

101. Part 101

Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; — verb. (be)rijmen, harmonieeren: The plan has neither — nor reason = is hoogst ongerijmd en roekeloos; He answered without — or reason...

102. Part 102

Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en daardoor woest geworden olifant: He is a — in grain = aartsschurk; —’s march = marsch gespeeld als een soldaa...

103. Part 103

Rule, rûl, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel, regelmaat, reglement, orde, duimstok, liniaal; — verb. regeeren, besturen, bedwingen, linieeren, leiden, richten,...

104. Part 104

Sally, sali, subst. uitval (ook fig.), uitstapje, waterwilg; tuinkoning; — verb. een uitval doen: The garrison made a — = deed een uitval; Sallies of wit = geestige zetten; To —...

105. Part 105

Scare, skêə, subst. plotselinge schrik, paniek; — verb. verschrikken: I am not born in the woods to be —d by an owl = ik ben niet voor een klein geruchtje vervaard; —crow = schr...

106. Part 106

Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining, richting der golven, groote hoeveelheid: Chopping, Cross — = holle zee; Pitch — = stamp-zee; You are at — = op zee; g...

107. Part 107

Send, send, subst. beweging der golven; — verb. zenden, verzenden, werpen, schieten, voortplanten, etc.: Born on the — of the sea = op de bewegelijke golven; This sent him mad =...

108. Part 108

Severe, sivîə, streng, gestreng, ernstig, stipt, kritisch: I have suffered a — loss = een ernstig (zwaar) verlies; You are — with me = streng jegens mij; We will let him —ly alo...

109. Part 109

Shock, šok, subst. schok, botsing, hevige aanval, beroerte, hoop graanschoven, dikke haarbos, ruigharige hond; — verb. stooten, botsen, aanstoot geven, kwetsen; adj. ruigharig:...

110. Part 110

Sift, sift, zeven, ziften, nauwkeurig nagaan, uitvragen: To — grain from husk = To — the chaff from the wheat = het kaf van het koren scheiden (fig.); To — to the bottom = grond...

111. Part 111

Sky, skai, subst. uitspansel, hemel, lucht; — verb. in de hoogte gooien, hoog ophangen: To acclaim to the skies = hemelhoog prijzen; Their cries rent the — = verscheurden de luc...

112. Part 112

Smoke, smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends; — verb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken: There is no — without a fire = men noemt geen koe bont of er i...

113. Part 113

Song, soŋ, lied, gezang, zang, poëzie, kleinigheid: — of Solomon = Hooglied; Sacred — = gewijd gezang: Give us a — = zing eens wat; I bought the picture for a (mere) — = voor ee...

114. Part 114

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten, uitputten, verliezen: To — and be spent = geld en krachten opofferen; To — one’s breath = te vergeefs praten;...

115. Part 115

Spurt, spɐ̂t, subst. krachtige straal, aandrang, korte en plotselinge inspanning; — verb. uitspuiten, zich plotseling tot het uiterste inspannen: I heard the quick — of a match...

116. Part 116

Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); — verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, Shoo...

117. Part 117

Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkel...

118. Part 118

Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; — verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: — notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; — s...

119. Part 119

Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. —ness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen...

120. Part 120

Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be —d in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, be...

121. Part 121

Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear little — = lieve snoes = Dearest —; My —...

122. Part 122

Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; — verb. nemen, aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen;...

123. Part 123

Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; — verb. de tea gebruiken: Beef — = bouillon; Five o’clock —; High, Meat — = thee, souper met allerlei vleezen; Sw...

124. Part 124

Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden, speelruimte, bevoegdheid; — verb. vastbinden, beperken: He came to the end of his — = zijne middelen waren uitge...

125. Part 125

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s — = schrapen; These two merchants are cutting each other’s —s = werken elkaar er onder; You cut your ow...

126. Part 126

Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; — verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippe...

127. Part 127

Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To...

128. Part 128

Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To — grapes = druiven treden; To — (the) water =...

129. Part 129

True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen waar; He was — to his country and l...

130. Part 130

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a — about it...

131. Part 131

Undeceive, ɐndisîv, ontgoochelen, uit den droom helpen, de oogen openen: At last I was —d = vielen mij de schellen van de oogen; I have —d his error = hem van zijne dwaling gene...

132. Part 132

Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van...

133. Part 133

Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an — time of night = laat in den nacht; subst. —ness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, nie...

134. Part 134

Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: —s of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in — = het wordt veel gebruikt of toegepast; — and...

135. Part 135

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the — of ruin, of madness = aan d...

136. Part 136

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: — c(h...

137. Part 137

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; — verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: —-of-confidence-vote = motie van wantrouwen;...

138. Part 138

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a — with h...

139. Part 139

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The — End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A —-ender = bewoner van ’t Westeinde; — India;...

140. Part 140

Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive — = woes...

141. Part 141

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: — is me = wee mij; — worth the chase = wee zij de jacht; — worth the day = wee den dag; —begone = naargeestig, in smart gedompeld; —ful =...

142. Part 142

Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = ove...