Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 118
Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; — verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: — notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; — sheep = verdoold schaap, verdoolde; — visitor = toevallig; He —ed from the right path = raakte van het goede pad af; —er, —ling = verdwaalde, afgedwaalde.
Streak, strîk, subst. streep, ader; — verb. strepen vormen, aderen; uitsnijden (= To — it): I had a — of luck, and followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van; —iness, subst. v. —y = gestreept, doorregen; verontrust (Amer.).
Stream, strîm, subst. stroom, strooming; — verb. stroomen, uitstroomen, zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen: — of air (light, words); Tributary —s = zijrivieren; To row against the — = tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float) with the —; Up, down the — = stroom op, stroom af; —er = wimpel, lamfer, serpentine; —ers = noorderlicht; —let = stroompje, riviertje; —y = rijk in stroomen of lichtbundels.
Streel, strîl, sleepen: Her train —ed after her like the tail of a comet = sleepte haar na.
Street, strît, straat: In (the middle of) the — = (midden) op straat: The — was blocked, stopped up = de straat was versperd; The man in the — = het groote publiek; To be on the —s = op straat staan (fig.); She is on (walks) the —s, Went upon the —s = is, ging de baan op (fig.); To turn out into the — = op straat zetten; —-arab = verwaarloosd kind; —-car = tramwagen (Amer.); —-door = voordeur; —-orderly = straatveger, vuilnisman; —-sweeper = straatveger; —-walker = prostituée.
Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid, weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with me on the — of having seen me there = op grond dat; He recovered — very soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A “Try-your-—” machine = krachtmeter op kermissen; Strengthen = versterken, bevestigen, doen toenemen; —er = versterker, versterkend middel; Strengthless.
Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: — exertion = krachtige poging of inspanning; subst. —ness.
Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak, gewicht; — verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even — = hoofdklem, zwevende klem; Ill through — of work = door overwèrken; Under the — of circumstances = drang; Under a — of weather = in zwaar weer; He laid — upon it = drong er op aan, legde er nadruk op; The second syllable is —ed = de klem ligt op de tweede lettergreep.
Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval van nood (On —), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht einde van een baan, richting; — verb. uitstrekken, uitsteken, rekken, op de leest slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen, in gestrekten galop rijden: At (On) a — = achtereen, zonder ophouden; You can get this at a — = desnoods, op zijn hoogst; To keep on (put upon, to) the — = in spanning houden, spannen; We —ed south = voeren naar het Z.; Shall I — the gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to — my legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To — metals = metaal uitsmeden; To — a point = zich bijzonder inspannen, veel moeite doen; You are —ing the truth = doet der waarheid geweld aan; He —ed forth his hands = stak uit; Stretcher = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust bij het roeien), leugen: —-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen; Stretching-course = streksche steenen.
Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien: Illustrations — almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk geïllustreerd; —n = gestrooid.
Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit, gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation, straieiš’n.
Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: — in age, in years = hoogbejaard; — down in the full bloom of youth = weggenomen, gestorven.
Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.
Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a — watch over us = hield streng toezicht; This won’t do in — grammar = dat kan er streng grammatisch niet door; subst. —ness; Stricture, striktjə, kritische opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He passed —s on me = maakte aanmerkingen op mij.
Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; — verb. schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock — = het is maar eene haneschree; Giant’s — = zweef (gymn.); To get into one’s — = op streek komen; To take long —s.
Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous, stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.
Strife, straif, strijd, twist: To be at —.
Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4 bushels; werkstaking; — verb. slaan, stooten, botsen, treffen, strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken, munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to go on — = het werk staken; To declare a — off = opheffen; To — accounts = rekeningen afsluiten, opmaken; To — an attitude = zich in postuur stellen; To — foolish attitudes = dwaze houdingen aannemen; To — a bargain = een koop sluiten; To — a blow = een slag toebrengen; The camp was struck, marching orders having been received = het kamp werd opgebroken; To — coins = munten slaan; To — fire = vuur slaan; To — one’s foot against = stooten met; We struck hands with them = sloten een verdrag; To — a match on one’s sleeve = aanstrijken; To — oil = een petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden rock = stootte op een blinde klip; To — sail = strijken; To — the sands = op ’t strand loopen; We could — no soundings there = konden er geen grond vinden; To — work = het werk staken; Heaven has struck him blind (dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It —s cool after these hot rooms = ’t voelt kil, komt kil aan; To — home = raak slaan, gevoelig treffen; An idea —s me = daar valt me in; It —s me that you are pale = het valt mij op; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes back, I — for a subscription = zal ik een poging doen om hem te laten inteekenen; Here the cricket struck in = viel mee in, begon mee te doen; He died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; I’ll try to — in with your wishes = te doen overeenkomstig; Let us — into that green track = inslaan; — off a shilling = doe er af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He struck off the heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl = verliefd op; He struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen uit (bij het zwemmen); To — out for oneself = zich zelf een weg banen (fig.); Why did you not — out this word? = heb je niet doorgehaald; I have struck out an entirely new plan = bedacht; To — to = zich overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in; I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb aangeknoopt; —-measure = strijkmaat; —r = wie of wat slaat, treft, enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker, verouderde term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A —-looking person = met een opvallend uiterlijk; I wind up the —-part, —-work = slagwerk.
String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar, koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); — verb. aan een touwtje rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken nemen: Schubert’s Quartette for —s = voor strijkorkest; Have you got a bit of — for me = een touwtje; He has two —s to his bow = meer dan een pijl op zijn boog; A — of endearing names = eene reeks “lieve” namen; A pretty — of prattling schoolgirls = een snoezig troepje; In a — = op een rijtje, aan een risje; He has all the world in a — = alles danst naar zijn pijpen; I have an other on the — = achter de hand; To have a person on a — = aan ’t lijntje; All his nerves were strung to the utmost = waren ten hoogste gespannen; She felt completely strung up = zeer krachtig en vol leven; To — beads = kralen aanrijgen; To — beans = boonen afhalen; —-band = strijkorkest; —-beans = snijboonen; —ed: —ed instrument; —ed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.
Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte, gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.
Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol pezen; —-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); —-barker = jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van —-bark gemaakt).
Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): —s = karwats, tuchtiging; — verb. afstroopen, strippen, ontkleeden, ontdoen, onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was —ped of everything = beroofd; She —ped off her gloves = trok uit; —-leaf = strippeling; —per = die afstroopt; namelker; —pings = de laatste melk uit eene koe.
Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; — verb. strepen, strepen vormen, striemen: He has got (lost) his —s = hij heeft de strepen gekregen (is gedégradeerd); —d = gestreept.
Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jong, jeugdig.
Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden, wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen; —r.
Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot, plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With (At) a — = met één slag; This is a good (capital) — = een goede zet, stoot, enz.; I have done a good — of business = een goeden slag geslagen; — of fate = slag van het noodlot; — of the sun = zonnesteek; Not a — of work = geen slag werk; It was on the — of eleven = op slag van; He has had a — = beroerte; He fetched me a back — = gaf mij een slag in ’t geniep, steek onder water; To give (set) the — = den slag aangeven; To keep — = slag houden; He rowed — in our boat = hij roeide slag in onze boot; —-oar = —sman = slagroeier.
Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do not know how to — him the right way = gij weet niet met hem om te gaan; You — him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land op.
Stroll, stroul, subst. wandeling; — verb. slenteren, wandelen, ronddwalen: To go for (To take) a —; —er = zwerver, rondreizend acteur; —ing actors = rondreizende tooneelisten; —ing-booth = kermistent.
Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond, talrijk, hel, schel: He is a little too — = hij overdrijft wat al te zeer; To come (go) it — = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By the — arm = met geweld; To take a — line = flink aanpakken; — box = cassette; — breeze = krachtige bries; — cigar = zware; — faith; — injunctions = nadrukkelijke bevelen; He used — language = hij vloekte; — memory; Grammar is not her — point; — pulse = krachtige; — room = safe, kluis; — verbs; — wall = brandmuur; — waters = spiritualiën; —-bodied = sterk, pittig; —hold = vesting; bolwerk (fig.); —-minded = flink, onvrouwelijk; —-set = krachtig, stevig.
Strontium, stronšiəm, strontium.
Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; — verb. aanzetten, scherpen: The bird —ped his beak upon the tree.
Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.
Stroud, straud.
Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel met de Roodhuiden.
Strove, strouv, imperf. van to strive.
Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.
Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: —-measure = Strike-measure.
Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure, strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.
Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; — verb. worstelen, spartelen, zwoegen, strijden (—s = trekkingen): The — for life (existence) = de strijd om het bestaan; The — of life = levensstrijd; He —d hard to get out of it = spande zich zooveel mogelijk in; —r.
Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I — a little = speel een beetje; I heard the —ming all the evening = dat getjingel; She was —ming her music-lesson = studeerde voor.
Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous, Strumous, strûməs, klierachtig.
Strumpet, strɐmpət, subst. slet.
Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.
Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by het loopen; stut; — verb. trotsch en gemaakt deftig stappen, stutten; —ter.
Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.
Strychnine, striknin, strychnine.
Stuart, stjûət.
Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; — verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at the — = op stam koopen; To — one’s foot (toe) = met den voet stooten tegen (Amer.); —-nail = kopspijker.
Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.
Stubble, stɐb’l, stoppel: —field; Stubbly = stoppelig.
Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig, volhardend; subst. —ness.
Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.
Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; — verb. stukadoren: —-ornaments; —er.
Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a — pig = hij kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A —-up fellow = een pedant of trotsch kereltje.
Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel, overhemds- of manchetknoopje; — verb. met knopjes of spijkertjes beslaan of versieren, bezaaien: A high —ded room = eene hooge kamer op pilaren; The entrance of the house was low —ded = laag onder verdieping; The —ding had already given shape to the building = het paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen; —ded with quotations = vol; —-bolt = schroefbout; —-book = paarden- of hondenstamboek; —-farm = stoeterij; —-horse = stamboekpaard, dekhengst.
Studding, stɐdiŋ: —-sail = lijzeil.
Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: — of nature; We don’t call them —s at Oxford or Cambridge, we call them ‘undergraduates’; —ship = beurs; Studied, stɐdid, bestudeerd, vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it —ly = met voordacht; Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig, ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is — of performing your wishes = doet zijn best om; subst. —ness; Study, stɐdi, studie, nadenken, ijver, leergierigheid, onderzoek; studie, étude; studeervertrek; — verb. studeeren, bestudeeren, nadenken; zich beijveren, rekening houden met: He is a quick — = kan vlug leeren; His face was quite a — = het was de moeite waard om te zien wat gezicht hij zette; He was in a brown — = in somber gepeins verzonken; I’ll make it my — to please you = mijn best doen; Her under— = de actrice die voor haar invallen moet in geval van nood; I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe wenschen te voorkomen.
Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.
Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen, rommel, goed(je), dwaasheid; — verb. farceeren, opvullen, volproppen, volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He had the — of a statesman in him = was geknipt voor; What you say there is — and nonsense = klinkklare onzin; This poetry is — and trash = armzalige rijmelarij; Food —s = levensmiddelen; The — = “duiten”; A —ed tiger = opgezette; — a cold and starve a fever = bij een verkoudheid moet men veel, bij koorts weinig gebruiken; The birds had —fed their nests in all corners = hadden gestopt; —ing = werk, bladvulling, pakking, vulsel; —ing-box = werkbus, pakkingbus; —iness, subst. v. —y = benauwd, benepen, volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and —y theatre = een heete en benauwde schouwburgzaal.
Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.
Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai, verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.
Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; — verb. struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, zich stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen: Many — at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen (zuigen) de mug uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that never —s = het beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it when looking for something else = trof het toevallig; To — over a thing = struikelen; —r; Stumbling-block (—-stone) = struikelblok, steen des aanstoots.
Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar, paaltje van een wicket bij het cricketspel, (—s = beenen); — verb. knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket), doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke redevoeringen houden: I shall make you use your —s = je beenen maken; To bestir one’s —s = beenen maken; To be (go) on the — = het land doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to the — = houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went —ing = hielden verkiezingsredevoeringen; He —ed the country = reisde al redevoeringen houdende het land af; We have —ed it = zijn er uitgesneden; Now I am —ed = zit ik er in, ben ik verlegen; To — up = opdokken; —-foot = horrelvoet; —-orator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; —-oratory = verkiezingswelsprekendheid; —-speaker = —-orator; —-speech = verkiezingsrede, bombastische toespraak; —y = vul stompen, knoestig, kort en dik; subst. geld, “centen”.
Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; —ner = harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a —ner? = is hij niet een kranige, bovenste beste vent; That’s a —ner = dat is een kolossale leugen, groote opsnijderij; A —ning thing = iets dat verbazend groot, mooi, enz. is.
Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.
Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.
Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.
Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei achterlijk is; — verb. belemmeren, den groei beletten; —ed = in den groei belemmerd; subst. —edness.
Stupe, stjûp, subst. warme omslag; — verb. zulk een omslag leggen.
Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier = verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal, machtig; subst. —ness.
Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity, stjupiditi, domheid, stompheid = —ness.
Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: — of a limb = het slapen.
Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch; brutaal: — beggar.
Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).
Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.
Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; —er; He brought it out —ingly = kwam er stotterend mee voor den dag.
Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het oog); — verb. in een kot opsluiten, leven.
Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: — darkness = helsche duisternis.
Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier, voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; — verb. betitelen, noemen, aanwijzen: New — = Gregoriaansche tijdrekening; Old — = Juliaansche tijdrekening; That is the — = zoo hoort het, zoo is het naar den aard; He lives in — = voornaam; In bad — = onbetamelijk; In good — = volgens goeden smaak; Stylet = stilet, stijl, tentijzer; Styliform = stijlvormig; Stylish = naar de mode, fijn, chic: A — dress = een “chique” japon; subst. —ness; Stylist = stylist; Stylite, stailait, styliet, pilaarheilige; Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen; Stylography, stailogrəfi, teeken- of graveermethode met de stift; Styloid, stailôid, priemvormig.
Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend (middel).
Styria, stiriə, Stiermarken; —n, subst. en adj. (bewoner) van Stiermarken; Styx, stiks.
Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).
Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar (in civiele zaken).
Suakin, swâkin.
Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity, swaviti.
Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.: eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; —agent; —beadle = onderpedèl; —committee; —deacon; —dean; —-distinction; —-editor = tweede redacteur; —-genus = onderverdeeling; —governor; —-lieutenant = 2e luitnt. = Second l.; —-order = onderverdeeling; —prior = onderprior; —rector = conrector; —-species = tweede soort; —-title; —-treasury = depart. v. financiën van sommige Amer. steden; —-tutor = ondermeester; —-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.
Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.
Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.
Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.
Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur eener provincie; inlander met kapiteinsrang.
Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.
Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar of officier onder den rang van kapitein); —ate, sɐbəltɐ̂nit, ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.
Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water (gevormd, levend).
Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.
Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.
Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.
Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.
Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: — syringe = injectiespuitje.
Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l, onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.
Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen, overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: —d humour = ingehouden humor; —r = overwinnaar, onderwerper.
Suberic, siuberik: — acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous, Suberous, siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.
Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.
Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver, patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig, genegen: I approached the — with great predilection = vatte de taak op; To dwell on a — = er bij stilstaan; — to his approval = afhankelijk van zijne goedkeuring; — to fits of anger = opvliegend; — to my order = te mijner beschikking; To hold — to a person = ter beschikking houden; —-matter = onderwerp van gedachte of gesprek, stof.
Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection = onderwerping, afhankelijkheid: To bring to —; Subjective = subjectief; Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.
Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I — the following remarks = voeg hier aan toe; —ed = hiernevens.
Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden; subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.
Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In — to = verbonden met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).
Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.
Sublet, sɐblet, onderverhuren.
Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit, sublimaat: Our time tries to — away many dogmas = vele leerstukken, al verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst. Sublimation.
Sublime, səblaim, adj. verheven; — verb. sublimeeren, gesublimeerd worden; verheffen, veredelen: The — = het verhevene; — Porte = de Verheven Porte; From the — to the ridiculous there is but one step; Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His — = titel van den Sultan.
Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.
Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (—dier); ook — boat.