Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 54
Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never — the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He —d us our lessons = overhoorde; —say = praatjes, geruchten; I have it by (from) —say, on —say evidence = van hooren zeggen; —er = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of — = hardhoorigheid; Hard (Thick) of —; Quick of — = fijn van gehoor; Hardness of — = hardhoorigheid; He is within (out of) — = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair — = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.
Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.
Hearne, hɐ̂n.
Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; — verb. kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); —-cloth = baarkleed.
Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in ’t kaartspel): What the — thinks the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own —s = naar hartelust; He is brave at — = in den grond is hij dapper; — alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my — do it = ik deed het om den dood niet; In his — of —s = in het binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good — = uitstekend; To be — and mind interested in = met hart en ziel; My — failed me = de moed ontzonk mij; Her — leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His — sank low (into his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s — = zijne moeder het hart; He could not find it in his — to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by — = van buiten te leeren; To have the — = het hart, den moed hebben; To have a — of gold; To have at — = beoogen; I had it in my — to tell you so = was van plan; On seeing this I had (felt) my — in my mouth = toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good —, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my — out = me doodlachen; To lay to — = ter harte nemen; He put some — into me = sprak mij moed in; Set your — at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his — on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my — = het sprak tot mijn hart; To take to — = zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to — = neem ter harte; He took (summoned) — of grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his — on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; —-ache = zielesmart; —-blood of —’s-blood = hartebloed (ook fig.); —-break = hartzeer; —-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok; —-broken = verpletterd; —-burn, subst. zuur (in de maag); —-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; —-complaint, —-disease = hartziekte; —-failure = hartverlamming; —-felt(ly) = diep, oprecht, innig; —-rending = hartverscheurend; —’s ease = driekleurig viooltje; —-sick = diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; —-sickening = bedroevend; —-sickness = zwaarmoedigheid; —-sore = hartzeer, groote smart; —-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; —-struck = getroffen; —-thrilling; —-touching = hartroerend; —-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen hart; —en = aanmoedigen, bezielen; —iness = hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; —less = harteloos, laf, flauw; subst. —lessness; —y = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in), opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my —y = doe het, dan ben je een bovenstbeste!
Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; —-broom, —-brush = haardstoffer; —-money = belasting op de stookplaatsen; —-rug = haardkleedje; —-stone = haardplaat; schuursteen.
Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur, loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; — verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot realise the white — of his wrath = zijne groote woede; His nature was at white — = was in gloed; He wrote this novel almost at a — = “aus einem Guss”, uit één stuk; —-wave; —er = verwarmer, verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).
Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; —-cock = korhaan; —-game = korhoenders; —-hen = korhen; —-pout = korhaan; —en, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; —endom = heidendom; —enish = heidensch, ruw, wreed; —enism, hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.
Heather, hedhɐ, heide(kruid); —-bell = gewone dopheide; —-tuft = heidetrosje; —y.
Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling; — verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: —s = dampigheid; To — the lead = looden (peilen); She —d a sigh = slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To — about = over stag gaan; To — down = kielhalen; — down the sails = strijk, haal neer de zeilen; — out the sails = gooi de zeilen los; To — to = bijdraaien; — up = vomeeren: Let us — up that design = laten we dat plan laten varen; —r = hefboom; losser: Coal-—r.
Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh — = in den zevenden hemel; He moved — and earth to get it = wendde alles aan; It smells to — = schreit; The — may fall, and we may have larkpie for supper; Zie Lark; — of —s = de hemel der hemelen; —-born = van den hemel gedaald, hemelsch; —-bred = van goddelijken oorsprong; —-directed = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; —-gate = hemelpoort; —-gifted = door den hemel geschonken; —high = hemelhoog; —liness, subst. v. —ly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel; —ly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. —ly-mindedness; —-sent = door den hemel gezonden; —ward(s) = hemelwaarts.
Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand, slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware cavalerie; —-armed = zwaar gewapend; He did the — business, i.e. van den —man = speelde de père noble rollen; — cavalry = zware ruiterij; A — father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble; —-gaited = met moeielijken, langzamen gang; —-handed = lomp, despotisch; —-laden = zwaargeladen; —-lidded = met zware, hangende oogleden; A — loss; —-spar = zwaarspaath; — type = vette letter; —-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.); His life hangs — (up)on his hands = valt hem zwaar.
Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch.
Hebe, hîbî, Hebe.
Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.
Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsche taal; —-wise = in tegengestelden zin.
Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides (The), dhəhebridîz.
Hecate, hekətî, Grieksche godin.
Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande.
Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een stroom.
Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat onder het mes genomen wordt (Schotl.).
Hecla, heklə.
Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.
Hectic, hektik, teringachtig; subst. = —-fever = teringkoorts, teringblos.
Hectogram(me), hektəgram, hectogram.
Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.
Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).
Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; — verb. snoeven, bluffen, onbeschaamd behandelen: He —ed it out of me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit (Vergel. He —ed me out of it = kreeg het van mij door br.); He —ed over me = negerde, donderde mij.
Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).
Hecuba, hekjuba.
Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs, klimopdragend, voortbrengend.
Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; — verb. met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk wedden, zich koest houden: Over — and ditch = over heg en steg; You are on the wrong side of the — = gij hebt het mis, zijt verkeerd; —-berry = vogelkers; —-bill = snoeimes; —-born = van lage geboorte; onecht; —-creeper = landlooper; —hog = egel; —hog thistle = nopal; vijgdistel; —-hyssop = genadekruid; —-marriage = geheim huwelijk; —-parson, —-priest = hageprediker; —-row = haag; —-school = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); —-schoolmaster = meester van die school; —-sparrow = bastaard-nachtegaal; —-stake = heiningpaal, stut; —-writer = prulschrijver; —r = haagmaker, haagsnoeier.
Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.
Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take — = pas op; He —ed my words = lette op en deed naar; —ful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. —fulness; —less = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. —lessness.
Hee-haw, hî-hô, balken.
Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk, overhelling naar eene zijde; — verb. een hak of hiel zetten aan, van een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it —s over head = hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and —s = in de volle (lichaams)lengte; The police are at (upon) his —s = zit hem op de hielen; His shoes are down at —s, out at —s = afgetrapt, versleten; To cool one’s —s = lang (moeten) wachten; To fling up one’s —s = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep to — = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s —s (Zie Fling up); To kick one’s —s = wachten; They were laid by the —s = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed their —s, took to their —s = lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to — = achter blijven loopen; He always treads upon a man’s —s = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up the —s = doodgaan; —-ball = mengsel van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken; —-piece, subst. achterlap, hakstuk; —-tap, subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No —-taps! = uitdrinken!
Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); — verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-—er = acteur, die de beteekenis van zijn rol afmeet naar de lengte; —y = zwaar.
Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni, hegemonie.
Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).
Heifer, hefə, vaars.
Heigh, hei, hai, hei! holà! —-ho = ha, och, o wee!
Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the — of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the — of the season = toen de “season” in vollen gang was; The — of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.
Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. —ness.
Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; — verb. erven; —-at-law, —-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; —-general = universeele erfgen.; —-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt); Joint — = mede-erfgenaam; —ess = erfgename; —less = zonder erfgenamen; —loom = erfstuk; —ship = erfrecht.
Held, held, imp. en part. perf. van to hold.
Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.
Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en ondergaande,
Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.
Helical, helik’l, spiraalvormig; —-spring = spiraalveer.
Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.
Heligoland, heligəland, Helgoland.
Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.
Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.
Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; — verb. heliographeeren; adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie; Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer, hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.
Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron. instrument).
Helium, hîliəm, helium.
Helix, heliks, hîliks (Meerv. —es, hîliksiz, Helices, helisîz), spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor; huisjesslak; schelpslak.
Hell, hel, hel, speelhuis: What the — do you want? Where the — are you driving at? To play — and Tommy = de beest spelen; —-cat = feeks = —-hag; —-hated = verfoeid en veracht als de hel; —-hound = helhond, cerberus; —ish.
Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.
Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic, helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists, helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.
Hellespont, heləspont.
Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; — verb. besturen: At the — (of) = aan ’t roer (ook fig.); —less = zonder roer of helm; —sman = roerganger.
Helmet, helmət, helm; —ed.
Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik, wormen verdrijvend (middel).
Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene; —ism = toestand van een heloot; —ry = staat van een heloot; de gezamenlijke heloten.
Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; — verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen: There is no — for it = er is niets aan te doen; That is but my second — = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large —(ing)s = groote porties; He couldn’t — himself = kon er niets aan doen; He shan’t go if I can — it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t — attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you for —ing me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He —ed me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me — you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He —ed me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you — me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To — out with = aanvullen met; He —ed me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I — you to a potato = mag ik u geven? He —ed me to my coat = verschafte mij; —mate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = —meet; —er; —ful = hulpvaardig, heilzaam; subst. —fulness; —ing = portie voedsel: I have not yet finished my first —ing of veal = mijne eerste portie kalfsvleesch; —less = hulpeloos, machteloos, radeloos, ongeneeslijk: He was —lessly drunk = stomdronken; subst. —lessness.
Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A — young fellow = onbesuisd.
Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; — verb. van een steel voorzien: That is throwing the — after the hatchet = dat is den steel naar de bijl werpen; —r = handvat.
Helvellyn, helvelin.
Helvetia, helvîšə, Helvetië; —n, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.
Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; — verb. “h’m” roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: —med in with enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings —med in my speech = beletten mij te spreken; —-stitch = zoomsteek.
Hemans, hemənz, hîmənz.
Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.
Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: —carp, hemikâp, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; —plegia, hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; —sphere, hemisfîə, halfrond; —tone, hemitoun, halve toon.
Hemlock, hemlok, dolle kervel; —-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.
Hemp, hemp, hennep, werk; —-nettle = hennepnetel; —-seed = hennepzaad: To die of a —en fever = aan de galg sterven.
Hen, hen, kip, hen: Every — must sit on her own nest = ieder moet zijn eigen zaakje opknappen; —-bane = bilzenkruid; —-coop = hoenderhok; —-harm, —-harrier = blauwe kuikendief; —-hawk = kuikendief; —-house = kippenhok; —-peck: He is a —-pecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; —-roost = hoenderrek, kippenhok; —nery = kippenloop.
Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj. weg, ruk uit; A week — = over eene week; — I am sad = dat is de reden mijner droefheid; (From) —forth, hensföth, — forward, hensföwəd, hensföwəd, voortaan.
Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke aanhanger, handlanger.
Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.
Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj. Hendecasyllabic.
Henriette, henrietə. Henry, henri.
Hent, hent, grijpen, pakken.
Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait, leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.
Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig; Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular, heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich, heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven boeken van het O. Testament.
Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.
Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst. afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.
Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; — verb. aankondigen, verkondigen: —s’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; —ic, həraldik, wapenkundig; —ry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = —ship.
Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); —-woman = groentevrouw; —aceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; —age, hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; —al = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; —alist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; —arium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; —iferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; —ivora, hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. —ivore; —ivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; —orize = botaniseeren.
Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: — beetle = Herculeskever.
Hercynian, hɐ̂siniən: — forest = groot bergwoud.
Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; — verb. in kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To — cattle; —-book = rundveestamboek; —’s-grass = weidegras; —’s-man = veehoeder = —er (Amer.) ook (fig.).
Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: —’s to J.! = daar gaat (= ik drink op) J.; It was Sir P. —, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór en na; It’s Mr. D. —, and Mr. D. there; That is neither — nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; — you are = alstublieft; —about(s) = hieromtrent, hier in de buurt; —after = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan; —at = hierbij; —by = dichtbij; —in = hierin; —of, hiervan, hier vandaan; —on = hierop; —to = hiertoe, hierbij; in overeenstemming hiermede; —tofore = eertijds, vóór dezen; —upon = hierop; —with, —widh, hiermede, bij deze(n).
Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment, həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar (van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.
Hereford, herfəd.
Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy, herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l, kettersch.
Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter.
Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).
Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj. Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.
Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l), Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.
Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics, hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).
Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.
Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.
Hermione, hɐ̂maiənî.
Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood).
Hernehill, hɐ̂nhil.
Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. —l; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van —, verhandeling over breuken.
Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.
Hero, hîrou, held, halfgod; —-worship = heldenvergoding; —ic, hirouik, heldhaftig, helden...: He goes into —ics = vervalt in bombastische taal; —ic age = de heldentijd; —ic treatment = drastische behandeling (van een ziektegeval); —ic verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); —ine, herouin, heldin; —ism, herouizm, heldenmoed; —-ship = heldendom.
Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII, 15 en 16).
Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; —ry = reigerhut.
Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).
Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.
Herring, heriŋ haring: Fresh — = panharing; Pickled — = pekelharing; Red — = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry should not end in a savour of red — = zulk een onderzoek moet niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor is gebracht; I suppose that line will be your red — with the jury = met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken (hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared — = zure; —-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk; —-buss = haringbuis; —-fishery = haringvisscherij; —-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the —-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.
Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.
Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.
Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.
Hertford, hâfəd; —shire, hâfədšə = Herts, hâts.
Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.
Hervey, hɐ̂vi.
Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. —ic, hîsiodik.
Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation, heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj. Hesitative.
Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst. (bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides, hesperidîz, de Hesperiden.
Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen; politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: — boot = hooge rijlaars met kwastjes van voren; — fly = eene kleine mug, wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).
Hest, hest, bevel, gebod.
Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: —oclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord); —odox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; —odoxy, hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; —ogeneous, hetərədžîniəs, ongelijksoortig; —ogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders.
Hetman, hetm’n, hetman.