Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 131

Chapter 1312,702 wordsPublic domain

Uncoil, ɐnkôil, afrollen.

Uncoined, ɐnkôind, ongemunt, echt.

Uncoloured, ɐnkɐləd, ongekleurd, onopgesmukt.

Uncombed, ɐnkoumd, ongekamd.

Uncombinable, ɐnk’mbainəb’l, onvereenigbaar; Uncombined = niet verbonden.

Uncomeatable, ɐnkəmatəb’l, ongenaakbaar, onbereikbaar.

Uncomeliness, ɐnkɐmlinəs, subst. v. Uncomely, ɐnkɐmli, onbevallig, onwelvoegelijk.

Uncomfortable, ɐnkɐmfətəb’l, ongemakkelijk, onbehagelijk, troosteloos, droevig; subst. —ness; Uncomforted = troosteloos, ongetroost.

Uncommanded, ɐnkəmândid, niet bevolen, niet bestreken.

Uncommemorated, ɐnkəmeməreitid, niet herdacht.

Uncommended, ɐnkəmendid, roemloos.

Uncommercial, ɐnkəmɐ̂š’l, tegen de handelsusanties.

Uncommiserated, ɐnkəmizəreitid, onbetreurd.

Uncommitted, ɐnkəmitid, niet bedreven, niet toevertrouwd, niet commissoriaal gemaakt, niet gearresteerd.

Uncommon, ɐnkom’n, ongewoon, ongemeen; subst. —ness.

Uncommunicated, ɐnkəmjûnikeitid, niet medegedeeld; An uncommunicative man = zwijgend, gereserveerd persoon.

Uncompelled, ɐnk’mpeld, ongedwongen.

Uncomplaining, ɐnk’mpleiniŋ, gelaten.

Uncompleted, ɐnk’mplîtid, niet voltooid.

Uncomplimentary, ɐnkomplimentəri, zonder complimenten, ruw, lomp.

Uncomplying, ɐnk’mplaiiŋ, oninschikkelijk, onhandelbaar.

Uncompounded, ɐnk’mpaundid, niet samengesteld, eenvoudig; subst. —ness.

Uncompromising, ɐnkomprəmaiziŋ, onbuigzaam, star, onhandelbaar.

Unconcealed, ɐnk’nsîld, onverholen.

Unconceived, ɐnk’nsîvd, onbegrepen, onvoorzien.

Unconcern, ɐnk’nsɐ̂n, zorgeloosheid, onverschilligheid, kalmte: With great — = volkomen kalm; —ed = onverschillig, etc.

Unconciliatory, ɐnk’nsiljətəri, onverzoenlijk.

Uncondensable, ɐnk’ndensəb’l, wat niet verdicht kan worden; Uncondensed.

Unconditional, ɐnk’ndišən’l, onvoorwaardelijk, absoluut; Unconditioned = absoluut.

Unconfessed, ɐnk’nfest, niet beleden, ontkend, zonder gebiecht te hebben.

Unconfined, ɐnk’nfaind, onbeperkt.

Unconfirmed, ɐnk’nfɐ̂md, niet bevestigd, zwak, wankelmoedig, onervaren, niet geconfirmeerd.

Unconformable, ɐnk’nföməb’l, niet bestaanbaar of overeenkomstig, niet parallel (van lagen).

Uncongenial, ɐnk’ndžînj’l, ongelijksoortig, onsympathiek.

Unconnected, ɐnkənektid, onsamenhangend, niet verwant.

Unconquerable, ɐnkoŋkərəb’l, onverwinbaar; Unconquered, ɐnkoŋkəd, onoverwonnen.

Unconscionable, ɐnkonšənəb’l, gewetenloos, onredelijk, overdreven, enorm, kolossaal: Such an — time = onmogelijk lange tijd; subst. —ness; At an unconscionably early hour = onmogelijk vroeg.

Unconscious, ɐnkonšəs, onbewust, niet lettend op, bewusteloos: I am — of it = mij daarvan niet bewust; subst. —ness.

Unconsecrated, ɐnkonsikreitid, ongewijd.

Unconsidered, ɐnk’nsidəd, ondoordacht.

Unconsolidated, ɐnk’nsolideitid, niet geconsolideerd.

Unconstitutional, ɐnkonstitjûšən’l, ongrondwettig; —ity, ɐnkonstitjûšənaliti, ongrondwettigheid.

Unconstrained, ɐnk’nstreind, ongedwongen.

Unconsumed, ɐnk’nsiûmd, onverteerd.

Uncontemplated, ɐnkont’mpleitid, ɐnk’ntempleitid, niet overdacht.

Uncontestable, ɐnk’ntestib’l, onbetwistbaar; Uncontested, ɐnk’ntestid, onbetwist.

Uncontradictable, ɐnkontrədiktəb’l, onbetwistbaar; Uncontradicted, ɐnkontrədiktid, niet tegengesproken.

Uncontrollable, ɐnk’ntrouləb’l, onhandelbaar, teugelloos, wat niet nagegaan kan worden; Uncontrolled, ɐnk’ntrould, niet nagegaan, bandeloos, onbuigzaam.

Uncontroverted, ɐnkontrəvɐ̂tid, onbetwist.

Unconverted, ɐnk’nvɐ̂tid, onbekeerd; Unconvertible, ɐnk’nvɐ̂tib’l, onveranderbaar.

Unconvinced, ɐnk’nvinst, onovertuigd.

Uncork, ɐnkök, ontkurken, lucht geven aan.

Uncoroneted, ɐnkorənetid, niet gekroond.

Uncorrected, ɐnkərektid, onverbeterd.

Uncorroborated, ɐnkərobəreitid, niet bevestigd of gestaafd.

Uncorrupt(ed), ɐnkərɐpt(id), onbedorven, onvervalscht; subst. —(ed)ness.

Uncountable, ɐnkauntəb’l, ontelbaar; Uncounted, ɐnkauntid, ongeteld.

Uncouple, ɐnkɐp’l, loskoppelen.

Uncourteous, ɐnkötjəs, ɐnkɐ̂tjəs, onhoffelijk; —ness = Uncourtliness, ɐnkötlinəs = onbeleefdheid, lompheid; Uncourtly = lomp, onbeschaafd.

Uncouth, ɐnkûth, vreemd, zonderling, onhandig, ruw; subst. —ness.

Uncovenanted, ɐnkɐvənantid, niet volgens contract beloofd, onverdiend, onafgesproken: — civil service = tak van den burgerlijken dienst (Indië), waarvan de leden geen examen doen en geen pensioen krijgen.

Uncover, ɐnkɐvə, openen, (zich) ontblooten, zonder bedekking laten, groeten; —ed = ontbloot, blootgelegd, ongedekt: To leave —ed.

Uncritical, ɐnkritik’l, niet kritisch.

Unction, ɐŋkš’n, oliesel, zalf, zalving, verzachting: Extreme — = laatste oliesel; subst. Unctuosity, ɐŋktjuositi, subst. v. Unctuous, ɐŋjktuəs, vettig, olieachtig, verzachtend, zalvend; subst. —ness.

Uncultivable, ɐnkɐltivəb’l, onbebouwbaar, niet te beschaven; Uncultivated = onbebouwd, onbeschaafd, ruw: A waste of — heath.

Uncurbed, ɐnkɐ̂bd, ongetemd, teugelloos.

Uncurl, ɐnkɐ̂l, glad maken, de krul verliezen.

Uncurtailed, ɐnkəteild, onverkort.

Uncustomary, ɐnkɐstəməri, ongewoon, ongebruikelijk; Uncustomed = zonder klanten.

Uncut, ɐnkɐt, niet bekapt, onopengesneden, niet geschoren, onbeschadigd.

Undamaged, ɐndamidžd, onbeschadigd.

Undamped, ɐndampt, niet ingevocht of bevochtigd, niet ontmoedigd.

Undated, ɐndeitid, ongedateerd.

Undated, ɐndeitid, golvend.

Undaunted, ɐndôntid, ɐndântid, onversaagd, onverschrokken; subst. —ness.

Undazzled, ɐndaz’ld, niet verblind.

Undebased, ɐndibeist, onverbasterd.

Undebauched, ɐndibôtšt, onbedorven.

Undecayed, ɐndikeid, niet vervallen, onverzwakt; Undecaying = onveranderlijk, onsterfelijk.

Undeceive, ɐndisîv, ontgoochelen, uit den droom helpen, de oogen openen: At last I was —d = vielen mij de schellen van de oogen; I have —d his error = hem van zijne dwaling genezen.

Undecided, ɐndisaidid, onbeslist, weifelend.

Undecipherable, ɐndisaifərəb’l, niet te ontcijferen; Undeciphered, ɐndisaifəd, niet ontcijferd.

Undecked, ɐndekt, niet versierd; zonder dek, open.

Undeclared, ɐndiklêəd, niet verklaard.

Undeclinable, ɐndiklainəb’l, onverbuigbaar; Undeclined = onverbogen.

Undecorated, ɐndekəreitid, onversierd.

Undedicated, ɐndedikeitid, niet opgedragen.

Undefaceable, ɐndifeisəb’l, onuitwischbaar; Undefaced = onuitgewischt, niet misvormd.

Undefended, ɐndifendid, onverdedigd, onbeschermd.

Undefiled, ɐndifaild, onbesmet, rein.

Undefinable, ɐndifainəb’l, niet bepaalbaar, onbegrensd; subst. —ness; Undefined = onbepaald, vaag.

Undefrayed, ɐndifreid, niet betaald of gedekt.

Undeliverable, ɐndilivərəb’l, onbestelbaar; Undelivered, ɐndilivəd, niet verlost, niet afgeleverd, niet besteld.

Undemolished, ɐndimolišt, niet gesloopt.

Undeniable, ɐndinaiəb’l, onloochenbaar.

Undenominational, ɐndinomineišən’l, niet van een sekte: — school = neutrale school.

Undeplored, ɐndiplöd, onbetreurd.

Undeposable, ɐndipouzəb’l, onafzetbaar.

Undepraved, ɐndipreivd, onbedorven.

Undeprived, ɐndipraivd, niet beroofd.

Under, ɐndə, onder, lager dan, beneden, minder: — this act = krachtens deze wet; To be — age = minderjarig; To be — arms = onder de wapenen; To speak — one’s breath = zeer zacht; — these circumstances; He was — a cloud = terneergedrukt, melancholiek, had geldgebrek, in ’t ongeluk; He did it — colour of taking an interest in me = onder den schijn van; — command of; — consideration = in overweging; The bill was — discussion = in behandeling; — your favour = met uw verlof; The troops were — the enemy’s fire = blootgesteld aan het vuur; — the firm of = onder de firma; She wears the —garments of men = heeft de broek aan; — God = naast God; — his own hand = eigenhandig; To be — oath = onder eede; — pain of death = op straffe van; — pretence = onder voorwendsel; — the rose = “onder de roos”, in ’t geheim; He was disqualified — another rule = hij mocht niet meedoen (geen lid worden) volgens een andere bepaling; — sail = onder zeil; — the royal seal = met het koninklijk zegel; He was — sentence of death = ter dood veroordeeld; I won’t sell it — three figures = voor minder dan 100 pond sterling; — treatment = in (onder) behandeling; — water; To get — weigh = anker op gaan; Her beauty was a glittering mantle with no soul — = daaronder; Keep him — = houd hem onder de plak; To labour — a severe cold = lijden aan; To trample — foot = vertrappen; —bid = minder bieden dan, te weinig bieden; —bred = slecht opgevoed; —brush = hak of kreupelhout; An over-estimate of expenditure or an —-calculation of income; —clay = laag klei onder een kolenlaag; —clothes, onderkleeren = —clothing; —current, subst. benedenstroom, neveninvloed; —ditch, ɐndəditš, draineeren; —do, ɐndədû, minder doen (dan men kan); The meat was —done = niet gaar; —dose, ɐndədous, te kleine hoeveelheden geven of nemen; ɐndədous, onvoldoende hoeveelheid of dosis; —drain, ɐndədrein, subst. onderaardsch afvoerkanaal; — verb. (ɐndədrein) rioleeren; —-estimate, ɐndərestimeit, onderschatten; ɐndərestimit, onderschatting; —faction = nevenpartij; —feed, ɐndəfîd, onvoldoende voeden; —foot, ɐndəfut, onder den voet, beneden; —furrow, ɐndəfɐrou, onderploegen; —gird, ɐndəgɐ̂d, beneden steunen; —go = ondergaan, doorstaan, ondervinden, lijden; —grad(uate), ɐndəgrad(ju-it), student (Oxford en Cambridge, anders Student); —ground = onder den grond, onderaardsch, heimelijk: —ground (railway) = ondergrondsche spoor; —grown, ɐndəgroun, niet uitgegroeid, te klein; —growth, ɐndəgrouth, onderhout, hakhout; —hand = heimelijk, onderhands geslagen: His sneaking, —handed ways = heimelijke manier van doen; He is treacherous and —handed = achterbaksch; —hung = met vooruitstekende benedenkaak; —insured = te laag verzekerd; —-jaw = onderkaak; —lay, verb. iets onderleggen, steunen: Sand underlaid with clay = op klei rustend zand; subst. (ɐndəlei) onderlegger; —-lease = onderpacht, onderhuur; —let = onderverhuren; onder de waarde verhuren; —letter = onderhuurder, die onder de waarde verhuurt; —lie = liggen onder, ten grondslag liggen, gebonden zijn aan: He —lay the accusation contained in those words = had de hand in; —line = onderstrèpen; —linen; —ling = ondergeschikte; —lip; —lock = wol onder den buik van een schaap; —manned, ɐndəmand, niet voldoende van manschappen voorzien; —masted, ɐndəmâstid, niet voldoende van masten voorzien; —mentioned = nagenoemde; —mine = ondermijnen, benadeelen; —miner = ondermijner, geheime of stille vijand; —most = onderste; —neath, [andənîth], ɐndənîdh, beneden, onder; —part = ondergeschikte rol, minder belangrijk deel; —pay = onvoldoend bezoldigen of betalen: The poor seamstresses are shamefully —paid = worden schandelijk slecht betaald; —payment; —peopled, ɐndəpîp’ld, ɐndəpîp’ld, te schaars bevolkt; —pin = ondersteunen, stutten; —plot = episode, nevenintrige; —-policed, ɐndepəlîst, niet voldoende van politie voorzien: London is very much —-policed = heeft veel te weinig politie; —price = spotprijs; —proof = beneden normale sterkte; —prop = ondersteunen, stutten; —rate = onderschàtten, te laag waardeeren; —run = onderdoorloopen of varen; —score, ɐndəskö, onderschrappen; —sell = verkoopen onder de waarde en goedkooper dan; —set = benedenstroom (tegen den bovenstroom in); —shot = bewogen door onderdoorstroomend water: —shot wheel; —shrub = kreupelhout; —sign, ɐndəsain, onderteekenen: The —signed = de ondergeteekende(n); —sized = onder de middelbare grootte; —soil = ondergrond; The schools are —staffed = hebben te weinig personeel; —stand = begrijpen, verstaan, vernemen, overtuigd zijn, meenen, aannemen, opmaken: He could not make himself —stood = kon zich niet verstaanbaar maken, werd niet begrepen; Such things are —stood = spreken vanzelf; We —stand that many are expected = wij vernemen; I was given to —stand = mij werd te kennen gegeven; He will have me —stand = wil dat ik begrijpe; I —stand from what you say = maak op uit hetgeen ge zegt; You’ll have to —stand yourself with him = zult u met hem moeten verstaan; —standable = begrijpelijk; Not —standed of the people = niet door het volk begrepen; —standing, subst. verstand, begrip, kennis, verstandhouding, oordeel; adj. bekwaam, verstandig, ervaren: We could not come to an —standing with him = tot een schikking komen; I will do it on the (with this) —standing that you help me = mits, met dien verstande dat; —state = niet de volle waarheid mededeelen; —statement = onderschatting, te lage opgaaf; —strapper = ondergeschikte; —strapping = ondergeschikt, dienend; —study, subst. plaatsvervanger van een acteur (die de rol heeft geleerd om ze desnoods te kunnen vervullen); — verb. ɐndəstɐdi, in geval van nood vervangen; —take = ondernemen, wagen, op zich nemen, behandelen, zich belasten met, borgstaan voor: You have —taken to be here at seven = op u genomen, beloofd; —taker = aannemer, speculant, ondernemer (vooral van begrafenissen); —taking = onderneming, plechtige belofte; —taxed = te laag getaxeerd of belast; —-tenant, onderpachter; —-tenancy = ònderhuur, onderpacht; —things = onderkleeren; —-timed = te kort belicht; —tone = lage of zwakke toon: He spoke to me in an —tone = met gedempte stem; —took, imperf. van to —take; —-tow = —-current; —valuation, valjueiš’n, onderschàtting, te lage waardeering; —value, verb. onder de waarde schatten, minachten; subst. ɐndəvaljû, ɐndəvaljû, te geringe prijs; —-wear = onderkleeren; —went, imperf. van to —go; —-wood = laag hout, kreupelhout; —work, ɐndəwɐ̂k, te weinig (slecht) werken, goedkooper werken; —worked = niet genoeg werk hebbend; —-world = de tegenvoeters, onderwereld, hel; —write = onderschrijven, onderteekenen, zich onderwerpen aan; assureeren (van schepen); —writer ɐndəraitə, assuradeur.

Underived, ɐndiraivd, niet ontleend.

Undescribed, ɐndiskraibd, niet beschreven.

Undescried, ɐndiskraid, onontdekt.

Undeserved, ɐndizɐ̂vd, onverdiend; Undeserving = niet verdienend, onwaardig.

Undesigned, ɐndizaind, ɐndisaind, onopzettelijk; subst. —ness; Undesigning = oprecht, zonder bedrog, argeloos.

Undesirable, ɐndizairəb’l, ongewenscht; subst. een ongewenscht persoon; Undesired = niet gewenscht of begeerd; Undesiring = niet verlangend, onverschillig; Undesirous = niet begeerlijk of verlangend.

Undetected, ɐnditektid, onontdekt.

Undetermined, ɐnditɐ̂mind, onbeslist, onzeker, niet beperkt.

Undeveloped, ɐndiveləpt, onontwikkeld.

Undeviating, ɐndîvjeitiŋ, niet afwijkend, geregeld, vast.

Undid, ɐndid, imperf. van to undo.

Undignified, ɐndignifaid, onwaardig.

Undiluted, ɐndil(j)ûtid, niet verdund.

Undiminished, ɐndiminišt, onverminderd.

Undimmed, ɐndimd, niet verduisterd.

Undine, undin, ɐndîn, Undine, waternimf.

Undiscerned, ɐndizɐ̂nd, onopgemerkt; Undiscernible = niet te onderscheiden, onzichtbaar, onmerkbaar; Undiscerning = kortzichtig, niet onderscheidend.

Undisciplined, ɐndisiplind, niet geoefend, ongeregeld, zonder tucht.

Undiscouraged, ɐndiskɐridžd, niet ontmoedigd.

Undiscoverable, ɐndiskɐvərəb’l, niet te ontdekken; Undiscovered = niet gezien, niet opgehelderd, verborgen.

Undiscriminating, ɐndiskrimineitiŋ, niet onderscheidend, niet scherpzinnig.

Undisguised, ɐndisgaizd, onvermomd, openlijk.

Undismayed, ɐndizmeid, onverschrokken, onvervaard.

Undisposed, ɐndispouzd, niet geordend, niet verkocht (of).

Undisputed, ɐndispjûtid, onbetwist.

Undissolved, ɐndizolvd, niet opgelost of gesmolten, niet verbroken.

Undistorted, ɐndistötid, onverwrongen.

Undistracted, ɐndistraktid, niet verstrooid of afgeleid.

Undisturbed, ɐndistɐ̂bd, ongestoord, kalm.

Undividable, ɐndivaidəb’l, on(ver)deelbaar; Undivided = onverdeeld, geheel.

Undivorced, ɐndivöst, niet gescheiden.

Undivulged, ɐndivɐldžd, niet bekend, niet openbaar of ruchtbaar gemaakt.

Undo, ɐndû, te niet doen, vernietigen, opheffen, oplossen, losmaken, te gronde richten, ongelukkig maken: Don’t — what I taught him = bederf niet; To — a fault = weer goed maken; —er, ɐndûə, tenietdoener, bederver, verwoester; —ing = ondergang, vernietiging. Zie Undone.

Undomestic, ɐndəmestik, niet huiselijk; —ated = niet getemd of aan den mensch onderworpen.

Undone, ɐndɐn, p.p. van to undo: I am — = geruïneerd; To come — = losgaan; He left the thing — = onafgedaan; What is done can’t be — = gedane zaken nemen geen keer.

Undoubted, ɐndautid, ongetwijfeld, ontwijfelbaar, onbevreesd, niet verdacht.

Undowered, ɐndauəd, zonder bruidschat.

Undrainable, ɐndreinəb’l, onuitputtelijk; Undrained = niet droog gelegd.

Undramatic(al), ɐndrəmatik(’l), ondramatisch.

Undraped, ɐndreipt, niet gedrapeerd, naakt.

Undrawn, ɐndrôn, niet geteekend, niet weggetrokken, niet getrokken.

Undreaded, ɐndredid, ongevreesd.

Undreamed, ɐndrîmd, Undreamt, ɐndremt, niet gedroomd: Dangers — of before = gevaren die men zich vroeger niet had voorgesteld.

Undress, ɐndres, ɐndres, négligé, klein tenue; alledaagsch, eenvoudig.

Undress, ɐndres, ontkleeden, ontzwachtelen, ontdoen van: —ed = ongekleed, niet toebereid of gekookt, niet opgemaakt, ruw.

Undried, ɐndraid, opgedroogd, groen.

Undrilled, ɐndrild, ongeoefend.

Undrinkable, ɐndriŋkəb’l, ondrinkbaar.

Undue, ɐndjû, ongepast, onwettig, overmatig.

Undulate, ɐndjulit, adj. golvend; — verb. (ɐndjuleit) golven, doen golven; Undulation, ɐndjuleiš’n, golving, golf; vibreeren (muz.); Undulatory, ɐndjulətəri, golvend: — theory = golvingstheorie (licht).

Undutiful, ɐndjûtiful, ongehoorzaam; subst. —ness.

Undying, ɐndaiiŋ, onsterfelijk, onvergankelijk, eeuwig: It reflects — honour on you = het strekt u eeuwig tot eer.

Unearned, ɐnɐ̂nd, onverdiend: — increment = vermeerdering van de waarde van den bodem, etc. door toevalligen aanleg van spoorwegen of anderszins.

Unearth, ɐnɐ̂th, opdelven, opgraven, rooien, aan het licht brengen: Shall we ever succeed in —ing him? = hem ooit opsporen; I —ed this from an old newspaper = heb dit opgediept; —ly = bovennatuurlijk, ijselijk.

Uneasiness, ɐnîzinəs, ongerustheid, angst: You have given me much —; Uneasy = niet op zijn gemak, ongerust, angstig, stijf, moeielijk, knorrig: Don’t be — about him = maak u niet ongerust.

Uneatable, ɐnîtəb’l, oneetbaar; Uneaten = niet gegeten, niet vermetigd.

Unedified, ɐnedifaid, niet gesticht; Unedifying = onstichtelijk.

Uneducated, ɐnedjukeitid, onopgevoed, onwetend, ongeletterd.

Uneffaced, ɐnəfeist, onuitgewischt.

Unembarrassed, ɐnəmbarəst, niet verlegen, onbelemmerd, onbezwaard.

Unemotional, ɐnimoušən’l, zonder aandoening of gevoel.

Unemphatic(al), ɐnəmfatik(’l), zonder klem.

Unemployed, ɐnəmplôid, niet gebruikt, zonder werk: The — = de werkloozen; Unemployment = werkloosheid.

Unemptied, ɐnem(p)tid, niet geledigd.

Unenclosed, ɐnənklouzd, niet ingesloten.

Unencumbered, ɐnənkɐmbəd, onbezwaard.

Unending, ɐnendiŋ, eindeloos.

Unendorsed, ɐnəndöst, niet geëndosseerd.

Unendowed, ɐnəndaud, niet begiftigd of begaafd; zonder subsidie: — schools.

Unendurable, ɐnəndjûrəb’l, onduldbaar.

Unengaged, ɐnəngeidžd, vrij, niet gebonden.

Un-english, ɐniŋgliš, onengelsch.

Unenjoyed, ɐnəndžôid, niet genoten.

Unentered, ɐnentəd, niet opgeschreven, niet aangegeven.

Unenterprising, ɐnentəpraiziŋ, niet ondernemend.

Unentertaining, ɐnentəteiniŋ, niet onderhoudend, vervelend; subst. —ness.

Unenthralled, ɐnənthrôld, niet onderworpen.

Unentombed, ɐnəntûmd, onbegraven.

Unenviable, ɐnenvjəb’l, niet benijdbaar; Unenvied, ɐnenvid, onbenijd.

Unequable, ɐnîkwəb’l, ɐnekwəb’l, ongelijk; Unequal, ɐnîkw’l, ongelijk, onvoldoende, niet opgewassen, onbillijk, partijdig, onregelmatig; ook subst.: He is — to that task = niet berekend voor; —led = ongeëvenaard; subst. —ness.

Unequipped, ɐnikwipt, niet toegerust.

Unequivocal, ɐnikwivək’l, ondubbelzinnig, duidelijk; subst. —ness.

Unerring, ɐnɐ̂riŋ, onfeilbaar.

Unessayed, ɐnəseid, onbeproefd.

Unessential, ɐnəsenš’l, niet wezenlijk of absoluut noodig; ook subst.

Uneven, ɐnîv’n, ongelijk, oneffen, ongestadig; subst. Unevenness: — of style, — of temper = ongelijkmatigheid.

Uneventful, ɐniventful, onbelangrijk.

Unexamined, ɐnəgzamind, onbeproefd, niet onderzocht.

Unexampled, ɐnəgzâmp’ld, voorbeeldeloos.

Unexcelled, ɐnəkseld, onovertroffen.

Unexceptionable, ɐnəksepšənəb’l, zonder fout of aanmerking, onberispelijk; subst. —ness.

Unexcited, ɐnəksaitid, niet opgewonden.

Unexecuted, ɐneksikjûtid, niet uitgevoerd.

Unexhausted, ɐnəgzhôstid, onuitgeput.

Unexpected, ɐnəkspektid, onverwacht; subst. —ness.

Unexperienced, ɐnəkspîriənst, onervaren.

Unexpired, ɐnəkspaiəd, niet afgeloopen.

Unexplained, ɐnəkspleind, onverklaard.

Unexplored, ɐnəksplöd, niet doorzocht.

Unexposed, ɐnəkspouzd, niet blootgesteld, beschut.

Unexpounded, ɐnəkspaundid, onverklaard.

Unexpressed, ɐnəksprest, niet uitgesproken.

Unexpurgated, ɐnəkspɐ̂geitid, ɐnekspəgeitid, ongezuiverd, niet gecastreerd of gecastigeerd (van letterk. werken).

Unextinguishable, ɐnəkstiŋgwišəb’l, onuitbluschbaar; Unextinguished = onuitgebluscht.

Unextracted, ɐnəkstraktid, niet (uit)getrokken.

Unfaded, ɐnfeidid, onverwelkt; Unfading = onverwelkelijk, vast; subst. —ness.

Unfailing, ɐnfeliŋ, onfeilbaar, zeker, onuitputtelijk.

Unfair, ɐnfêə, partijdig, onbillijk; subst. —ness.

Unfaithful, ɐnfeithful, ontrouw, trouweloos; subst. —ness.

Unfaltering, ɐnfôltəriŋ, niet aarzelend, vast.

Unfamiliar, ɐnfəmiljə, onbekend, vreemd; —ity, ɐnfəmiljariti, ongemeenzaamheid.

Unfashionable, ɐnfašənəb’l, niet naar de mode of in den vorm; subst. —ness; Unfashioned, ɐnfaš’nd, vormloos, ruw, lomp.

Unfasten, ɐnfâs’n, losmaken, openmaken: This new collar is always —ing itself = gaat altijd van zelf los.

Unfatherly, ɐnfâdhəli, onnatuurlijk.

Unfathomable, ɐnfadhəməb’l, onpeilbaar, ondoorgrondelijk; subst. —ness; Unfathomed = ongepeild, onmetelijk.

Unfavourable, ɐnfeivərəb’l, ongunstig; subst. —ness.

Unfeared, ɐnfîəd, ongevreesd; Unfearing = onbevreesd.

Unfeeling, ɐnfîliŋ, ongevoelig, wreed; subst. —ness.

Unfeigned, ɐnfeind, ongeveinsd, oprecht; subst. —ness; Unfeigning = oprecht, echt.

Unfelt, ɐnfelt, niet gevoeld.

Unfeminine, ɐnfeminin, onvrouwelijk.

Unfermented, ɐnfəmentid, ongegist, ongezuurd.

Unfertile, ɐnfɐ̂til, onvruchtbaar.

Unfetter, ɐnfetə, ontketenen, bevrijden.

Unfilial, ɐnfilj’l, onkinderlijk.

Unfinished, ɐnfiništ, onvoltooid.

Unfit, ɐnfit, ongeschikt, onbekwaam, onbetamelijk, ongepast; — verb. ongeschikt maken: It is — for a man = past een man niet; subst. —ness; —ting: It is —ting a man = past een man niet.

Unfix, ɐnfiks, losmaken, doen weifelen: — bayonets! = bajonet af: —ed = los, zwervend, onzeker.

Unflagging, ɐnflagiŋ, onverflauwd.

Unflattering, ɐnflatəriŋ, oprecht: — weather = weinig uitlokkend.

Unfledged, ɐnfledžd, zonder veeren, nog niet in staat te vliegen, onrijp, jong.

Unflinching, ɐnflinšiŋ, onvermoeid, onverschrokken.

Unfold, ɐnfould, ontvouwen, uitspreiden, openbaren, déployeeren, bijzetten, uit de (schaaps)kooi laten; —ing = mededeeling, openbaring.

Unforbearing, ɐnfəbêriŋ, niet toegevend.

Unforced, ɐnföst, ongedwongen, natuurlijk, gemakkelijk.

Unfordable, ɐnfödəb’l, niet doorwaadbaar.

Unforeknown, ɐnfönoun, onvoorzien = Unforeseen.

Unforewarned, ɐnföwönd, niet gewaarschuwd.

Unforfeited, ɐnföfitid, niet verbeurd.

Unforgetful, ɐnfəgetful, niet vergeetachtig.

Unforgiven, ɐnfəgiv’n, niet vergeven; Unforgiving = niet vergevend, onverzoenlijk.

Unformed, ɐnfömd, ongevormd, ruw: — stars = niet gegroepeerde sterren.

Unforsaken, ɐnfəseik’n, niet verlaten.

Unfortified, ɐnfötifaid, onversterkt, zwak.

Unfortunate, ɐnfötjunit, ongelukkig(e).

Unfostered, ɐnfostəd, niet beschermd of gekoesterd.

Unfounded, ɐnfaundid, ongegrond.

Unfranchised, ɐnfrantš(a)izd, niet vrijgemaakt.

Unfree(d), ɐnfrî(d), onvrij, (onbevrijd).

Unfrequented, ɐnfrikwentid, onbezocht, eenzaam, verlaten.

Unfriendly, ɐnfrendli, onvriend(schapp)elijk, ongunstig.

Unfrock, ɐnfrok, ontzetten uit priesterlijke betrekking en rechten.

Unfruitful, ɐnfrûtful, onvruchtbaar, ijdel, nutteloos; subst. —ness.

Unfulfilled, ɐnfulfild, niet vervuld.

Unfunded, ɐnfɐndid, zonder (waarborg)fonds.

Unfurl, ɐnfɐ̂l, ontplooien, losgooien: To — a flag, the sails.

Unfurnished, ɐnfɐ̂ništ, ongemeubileerd, ledig.

Ungainly, ɐngeinli, lomp, linksch.

Ungallant, ɐngəlant, onhoffelijk; niet dapper (ɐngalənt).

Ungear, ɐngîə, uitspannen, uitschakelen, los maken.

Ungenerous, ɐndženərɐs, onedelmoedig, onedel, gierig.