Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 125

Chapter 1253,592 wordsPublic domain

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s — = schrapen; These two merchants are cutting each other’s —s = werken elkaar er onder; You cut your own — by doing this = benadeelt uzelf; I was down her — in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my — = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball rising in my — = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his — = loog schandalig; It still sticks in my — = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my — = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my — = de tentoonstelling hangt me de keel uit; —-band = —-latch = keelriem (v. een paard); —-wort = halskruid (soort v. klokje); A full-—ed song = lied uit volle borst; —y = gutturaal, uit de keel; vraatzuchtig.

Throb, throb, subst. klopping; — verb. kloppen: My heart —s.

Throe, throu, subst. hevige pijn; — verb. in barensnood verkeeren, groote pijn lijden; —s = barensweeën: Last —s = doodstrijd.

Throne, throun, subst. troon; — verb. zie Enthrone; Speech from the — = troonrede; To ascend (mount) the — = bestijgen; To come to the —; —-room = troonzaal.

Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; — verb. verdringen, opdringen, toestroomen: The people came —ing in = stroomden naar binnen; —ed-out streets = schoongeveegde straten; —ed with = vol.

Throstle, thros’l, zanglijster.

Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; — verb. smoren, (ver)stikken: —d to death; —r.

Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet — = doornat zijn; — and — = door en door; It’s all — you = ’t komt al door u; — the year = het geheele jaar door; To be — = klaar zijn; My intention will be carried — = doorgezet worden; The plan has fallen — = viel in duigen; To get (go) — = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I read it — from cover to cover = las het heelemaal door; He saw — my intentions = doorzag; —-carriage = doorgaand rijtuig; —-line = doorloopend spoor; —-passenger = doorgaand passagier; —-ticket; —-traffic = transitohandel; —-train = doorgaande; —-waybill = dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: — the day = den geheelen dag lang; All of a — piece = geheel uit één stuk.

Throve, throuv, imperf. van to thrive.

Throw, throu, subst. gooi, worp; — verb. werpen, smijten, slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen, etc.: To — light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have —n stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s —ing money away = geld in ’t water gooien; Good advice is —n away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug; To — by = ter zijde werpen, verwerpen; To — down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen; Allow me to — in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was —n into enthusiasm = gebracht tot; I have —n him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot mijne broek aan; I — myself on your mercy = geef me over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was —n out = werd verworpen; We find ourselves —n out = teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To — to the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of her skin = deden uitkomen; He has —n up the sponge = heeft zich gewonnen gegeven; He was —n with that girl = verkikkerd op; I had never thought I should be —n much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; A —-down cracker = voetzoeker; —er = werper, gooier, draaier, twijnder; —ing back = atavisme; —n = getwijnd, gedraaid; —ster = twijnster (v. zijde).

Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (—s = grof garen, garenafval); — verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen (op piano): The —ming of an old guitar = het tjingelen op.

Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.

Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; — verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He — (made a —) at me = stiet naar mij; He — himself in(to) our society = drong zich; —er = doorsteker.

Thud, thɐd, slag, plof, bons; — verb. dreunen, kloppen: He fell with a dull — on the path = met een doffen slag; A dull, —ding pain = drukkende, zware pijn.

Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende (Brit. Indië); —gee = mysteriën of bedrijf der thugs = —gery = —gism.

Thule, thjûli: Ultima — = het einde der wereld.

Thumb, thɐm, subst. duim; — verb. beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen: Tom — = Klein Duimpje; His fingers are all —s = zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s — = onder den duim houden; I was left to twirl my —s = ik kon op mijn duim zuigen; —-lock = drukslot; —-mark; —-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein: I dashed off a —-nail on the envelope = gooide een schetsje op de enveloppe; —-nail sketches = penkrassen; —-screw = duimschroef; —-stall = duimeling; —kins = duimschroeven.

Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; — verb. stompen, ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright —ing lie = een groote leugen; That —ing rascal = die vervloekte schurk; —er = iets kolossaals, een groote leugen.

Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; — verb. donderen, bulderen, slingeren: By — = voor den donder; What in — do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of — = ratelende donderslagen; It is the — that strikes, but the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar wind); We shall have — to-day = krijgen onweer; — of applause; — of cannon; — and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To — out an excommunication; —bolt = bliksemstraal, donderslag, banbliksem: Like a (—)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; —-clap = donderslag = Clap of —; —-cloud = onweerswolk; —-dart = bliksemschicht; —-peal = slag; —-pick = pijlsteen, dondersteen; —-storm = onweer; —-struck = (als) door den bliksem getroffen; —er = donderaar (naam van “The Times”); —ous: —ous roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; —n, (bewoner) van Th.; Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy — = Hemelvaartsdag; Maundy — = Witte Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: — far = tot hiertoe; As — = als volgt; I told you — much = dit (alles) heb ik u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; — verb. slaan, stompen; —ing = pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep. dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; — verb. kruisen, dwarsboomen; —ness = dwarsheid, weerbarstigheid; —ships = dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; —self = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; —-cartilage = schildvormig kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel. waardigheid, soort v. diadeem: —ed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St —’s Eve = Juttemis; —-cat = kat.

Tib, tib: — out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət, tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. —l.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet, rekening; — verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no purse, but — = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of — = toest. v. geldgebrek; He buys everything on — = op den pof, op crediet; To give one no end of —; You cannot — a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; —-bean = paardeboon; —-tack of the clock; —er = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the — = dat is je ware; To buy one’s — (Am. voor Eng.: To take one’s —) een kaartje nemen; He was elected on the radical — = op het radicale program; —-collector (-examiner) = controleur; —-day = eerste dag der rescontre; —-of-leave = bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling; —-of-leave-man = voorwaardelijk vrijgelatene; —-night = soort benefice voorstelling; —-office = plaatskaartenbureau; —-porter = gepatenteerd of door eene maatschappij aangestelde kruier; —-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That —d them = dat deed hun aangenaam aan; He tried to — my palm = mij duimzalf te geven; —r = netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish, wankel(moedig), onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. —ness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: — service = stoombootdienst in verband met het getij; — wave = vloedgolf; I leave by the — (train) for France = met den trein, die op het getij rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom —’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop der omstandigheden; — verb. met het getij een haven binnenvallen of verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing — = ebbe; The — of fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The — was going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the shifting of the — = bij het kenteren van het getij; We are sailing with the — = met den stroom; We could hardly stem the — = haast niet doodzeilen; He took fortune at the — = Took the — at the flood = smeedde het ijzer toen het heet was; We —d over those days = zijn gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can — over the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; —-gate = sluis v. een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; —-gauge = peilschaal; —sman, —-surveyor = kommies te water; —-table = tafel der hoogwatergetijden; —-waiter = —sman; —-water = water dat den invloed van ebbe en vloed ondervindt; —-wave = vloedgolf; In the —-way = op stroom; —less = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) —.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje, anti-macassar, morsschortje; — verb. opruimen, in orde brengen, opknappen: It cost me a — penny = een mooien duit; I must — away all the memories of yore = moet verdrijven; To — up = zich opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten, onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk, verbindingsteeken, strikje; — verb. binden, verbinden, onderbinden, knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White evening — = strikje; Final — = eindwedstrijd; The —s of friendship, love, kindred = banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; He is a — on me = is mij tot last, bindt mij de handen; To do up one’s — = (hals)strikje knoopen; This poet scores a — with Tennyson in the collection = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; To — a knot = een knoop leggen; I am —d down to my work = gebonden aan; — it in a bow = maak er een strik van; I have —d it up = heb het dicht gebonden; She —d up her money that her husband could not get at it = zij zette haar geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; — verb. in rijen rangschikken: The cells were built in —s, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts, drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a — = had eene kwade bui; The two lovers have had a — = hebben standjes gehad; To take — = zich beleedigd gevoelen; She is a little —ed, and thinks we have treated her ill = boos; —ish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus (Amer.): Three cheers and a —; They were fighting the — = zij waren aan het dobbelen (Am.); —-cat = tijgerkat; —-lily = tijgerlelie; —-spotted = getijgerd; —-wood = tijgerhout; Tig(e)rish = tijgerachtig; opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk, goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken; (—s = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek): — as a drum = smoordronken; Money is — = ’t geld is krap; That’s an uncommonly — fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found myself in a very — place = benarde positie; The — and the slack rope = het gespannen en het slappe koord; He keeps his children — = kort; proper; Everything on the deck was set — = vastgezet, vastgesjord; Sit — = houd je vast; Air-— = luchtdicht; —-fisted = gierig; —-fitting = nauwsluitend; —-laced = bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich samentrekken; Tightness = dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene vrijmetselaarsloge; — verb. met pannen dekken, zorgen dat geene oningewijden binnenkomen: Ridge —s = vorstpannen; He has a — loose (off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are —d = de loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a —d meeting; —-burner = pannenbakker; —-drain = afvoerbuis; —-kiln = pannenbakkersoven; —-work(s) = pannenbakkerij; —r = pannendekker, dekker van de loge (vrijmetselaars); —ry = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of verwant met de —.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; —able = bebouwbaar; —age, tilidž, akkerbouw; —er = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two hours — dinner time = vóór; He did not come home — five = eerst om vijf uur; — now = tot nu toe; — then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper, jonge tak; — verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; —-chain = stuurketting; —-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= —s), smeehamer, vooroverhelling (van vaten); — verb. met een tent of een zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren, hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full — at his enemy = liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat —ing his chair = zat te wiegelen met; He —ed himself on tiptoe = ging op de teenen staan; To — at windmills = vechten tegen; The hat was —ed over her ear = stond op haar ééne oor; —-boat = tentboot; —-cart = kipkar; —-hammer = smeehamer; —-roof = koepeldak; —-waggon = met een kap bedekte wagon; —-yard = tournooiveld; —ing-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good — = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal, hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; — verb. met hout beschieten, van hout bouwen: Shiver my —s = de drommel hale mij; He had a well-—ed frame = goed gebouwd en krachtig lichaam; —-forest = hoogstammig woud; —-lesson = het afranselen en uit de stad jagen van vagebonden (Amer.); —-merchant = houtkooper; —-ship = houtschip; —-trade = houthandel; —-tree = boom die timmerhout oplevert; —-work = houtwerk, timmerwerk; —-yard = houtstek, houtloods; —ed = van hout gemaakt, met hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout, massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenheid; — verb. in verband met den tijd inrichten of regelen, op het juiste oogenblik doen, de maat aangeven, den tijd bepalen voor, overeenstemmen, maat houden, etc.: He who gains —, gains everything = tijd gewonnen, alles gewonnen; Take — while — serves = gebruik uw tijd goed; — and straw make medlars ripe = de tijd baart rozen; — is money; — enough always proves little enough = menschen, die den tijd hebben komen altijd tijd te kort; — and the hour runs through the roughest day = aan den zwaarsten dag komt eenmaal een einde; — and tide wait for no man = de tijd schikt zich niet naar ons, wij moeten ons naar den tijd schikken; — was, when ... = er was een tijd, dat; What — is it? = What is the —? = hoe laat is het? Then is the — to show your talents = dan is het tijd; — is up! = het is tijd, de tijd is om; In course of — = mettertijd; That is quite a length of — = dat is een heele tijd; He did it in the right nick of — = te juister tijd; — and again = telkens weer; In —s to come = in de toekomst; From —s immemorial = sedert onheugelijke tijden; I have known him — out of mind = ik ken hem ik weet niet hoe lang al; Apparent, Solar — = zonnetijd; Sidereal — = sterrentijd; Greenwich — = tijd volgens den meridiaan van Gr.; It is close — = gesloten jachttijd; In the day — = over dag; I received your favour in due — = uwe letteren te bestemder tijd; It’s a dull — = een saaie, slappe tijd; We had a good (fine) — = hebben ons uitstekend geamuseerd; He came here in good — = op het juiste oogenblik; Do everything in good — = op zijn tijd; We hope to marry in good — = als de omstandigheden gunstig zijn; Lost — is never found again = verloren tijd keert nimmer weer; Many a — and oft = herhaalde malen; The mean — = middelbare tijd; In the mean — = middelerwijl; There is no — like the present = stel niet uit wat ge heden kunt doen; begin dadelijk; He did it in less than no — = in een ommezien; The good old —s = de goeie oude tijd; I shall do it in proper — = te bekwamer tijd; To march at quick (double quick) — = in versnelden pas (met den looppas); I saw him a short — since = kort geleden; Have you got the true —? = weet je precies hoe laat of het is; — after — = keer op keer; To walk (work, write) against — = op tijd loopen (sport); zoo hard mogelijk loopen, werken, schrijven; To talk against — = zoo snel mogelijk praten om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; At —s = nu en dan; Two at a — = twee tegelijk; At my — of day = op mijn leeftijd; At the — of his death = ten tijde dat hij stierf; At one — you told me so = eens; I’ll see you at one — or other = kom je te eeniger tijd bezoeken; It is foolish to complain at this — of day = thans nog; A bit behind (before) your — = te laat, (te vroeg); We shall have the sum by that — = tegen dien tijd; You ought to be ready by this — = thans; I stop(ped) for the — being = voor het oogenblik (destijds); I have not seen you for a long — = in lang niet; He lived here for a — = een tijdje; You had better repent in — = bijtijds, voordat het te laat is; Your remark is out of — = te onpas; You are out of — = uit de maat; He was knocked out of — = zoo geslagen, dat hij zijn bekomst had; The train ran to —, arrived to — = was precies op tijd; Up to this — he paid regularly = tot hiertoe; Once upon a — there was = er was er eens; An orchestral conductor has to beat — = moet de maat slaan; He has husbanded (out) his — = zijn tijd zuinig besteed; You must improve the — = zoo goed mogelijk besteden; You don’t keep — = bent uit de maat; I wish to kill (the) —, for — hangs heavy on my hands = den tijd te korten, die mij lang valt; He knows the — of day = weet hoe laat het is (fig.); I shall not lose — to visit you = zal u spoedig komen bezoeken; That will take up a good deal of — = heel wat tijd kosten; He took present — by the top = greep de gelegenheid aan; Will you allow me to — myself? = mag ik eens op mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier geweest ben); The train is —d to reach L. at 8 = moet om 8 uur te L. zijn; The visit was —d at an inopportune moment = het bezoek kwam zeer ongelegen; It was an ill-—d thought = eene op dat oogenblik ongelukkige gedachte; —-bargain = tijdhandel, contract op levering; —-bill = dienstregeling; —-cribbing = onwettig overwerk; —-expired = zijn tijd uitgediend; —-freight = ijlgoed; —-glass, Glass of — = tijglas, zandlooper; —-honoured = achtenswaardig: A —-honoured usage = eene eerbiedwaardige gewoonte; —-keeper = chronometer, metronoom; scheidsrechter, iem. die de tijden aangeeft (Sport); controleur; —-lock = slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; —-piece = uurwerk, chronometer; —-pleaser = iemand, die de huik naar den wind hangt = —-server; —-serving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich schikkend naar de heerschende opinie; —-table = dienstregeling, spoorboekje, lesrooster, leerplan; —-worn = versleten; —ful = gepast, tijdig, vroeg; —less = ontijdig; eindeloos, eeuwig; —liness, subst. v. —ly = tijdig, vroeg: A —ly remark = eene te juister tijd gemaakte opmerking.

Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As — as a hare = zoo bang als een wezel; subst. —ity, timiditi = —ness.

Timocracy, taimokresi, timocratie; adj. Timocratic, t(a)iməkratik.

Timon, taim’n, Timon; Timor, timö.

Timorous, timərɐs, schroomvallig, vreesachtig; adj. —ness.

Timothy grass, timəthigrâs, timotheegras.

Tin, tin, subst. tin, blik, geld, splint; adj. tinnen; — verb. vertinnen, met stanniool beleggen, inmaken: A — case for botanical specimens; Nice girls but not much — = maar geen geld; — roof = zinken dak, plat; —ned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; —-foil = stanniool; —-man = tinnegieter, blikslager; —-mine = tinmijn; —-plate = blik; —-smith = —-man; —-solder = soldeer; —-type = photographie op metaal (Am.); —-worm = duizendpoot; —ny = tin houdend, vol tin.

Tincal, tiŋk’l, ruwe borax.

Tincture, tiŋktjə, subst. tint, kleur, smaak, zweem, tinktuur; — verb. kleuren, verven, tinten.

Tinder, tində, tonder, zwam; —-box = tonderdoos; —like = als tonder = —y.

Tine, tain, tand van eene vork, tak; —d: Twelve —d antlers = met 12 takken.

Tinea, tiniə, mot; schin (Med.).

Ting, tiŋ: —-— = klanknaboots. van een (fiets)bel; — verb. (doen) klinken: To — a bell.

Tinge, tinž, subst. tint, kleur, smaakje, zweem; — verb. tinten, kleuren: She had experienced sharp —s of regret = er nu en dan diep berouw over gehad; Principles, slightly —d with radicalism = iets radicaal getinte beginselen; —r.

Tingle, tiŋg’l, tintelen, prikken, steken, jeuken, tuiten: My ears —d with it = tuitten ervan; Tingling = kriebelen, tuiten: — of the ears.

Tinker, tiŋkə, subst. (ketel)lapper; — verb. (ketel)lappen, lappen, knoeien aan: Political —s = politieke tinnegieters; I must have a — at it = het eens onderhanden nemen; He was always —ing those contracts = zat altijd te knoeien aan die contracten; —ing measures = lapmiddelen.

Tinkle, tiŋk’l, subst. gerinkel, geklingel; — verb. rinkelen, (doen) klinken, tuiten: The tinkling of bells = getjingel; Tinkling his dessert-knife against his wine-glass; Her fingers —d over the spinet = tokkelden.

Tinsel, tins’l, subst. klatergoud (ook fig.), brocaat, valsche schijn; adj. oppervlakkig, schijn..., opgeschikt; — verb. met klatergoud bedekken, mooi maken.

Tint, tint, subst. tint; — verb. tinten: —ed glasses = gekleurde bril; —less.

Tintinnabulation, tintənabjuleiš’n, getjingel; Tintinnabulous, tjingelend; Tintinnabulum of rhyme = rijmgetjingel.

Tiny, taini, klein, teer, zwak.