Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 89
Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; — verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in —, out of — = ik win, verlies; I am out of — = heb geen cent; Nothing but empty —s lies between her and William = dat zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg; I am in her — = bij haar in de gunst; I have Pa in my — = kan met Pa doen wat ik wil; This would have placed Turkey in the — of the Czar = in de macht gebracht hebben van; Put that in your — = steek dat in je zak; He had spent the evening in her — = had alleen werk van haar gemaakt; Hip-—, Pistol — = heupzak (achterzak) in een pantalon; He —ed the affront, insult, wrong = hij slikte de beleediging, het onrecht; You —ed my ball by a fluke = stopte; —-argument = zelfzuchtig argument; —-book = zakboek(je); —-borough = kiesdistrict dat geheel in de macht is van één grondbezitter; —-copy (= —-edition); —-glass = zakspiegeltje; —-handkerchief = zakdoek; —-hole = zakopening; —-knife = zakmes; —-money = zakgeld.
Pockwood, pokwud, pokhout.
Poco, poukou, een weinig (muz.).
Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; — verb. opzwellen, doppen, peulen vormen; —-net = fuik; —ded (fig.) = gemakkelijk.
Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. —l = Podagric(al).
Podge, podž, modderige poel; — verb. roeren.
Podgy, podži, kort en gezet; dronken.
Podium, poudiəm, podium.
Podrida, pədrîdə, mengelmoes.
Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; —pery = peuterige, stijve deftigheid.
Poe, pou.
Poem, pouim, gedicht: Minor —s = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi, dichtkunst; Poet = dichter: Minor — = dichter van den tweeden of derden rang; — Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland); Poetaster, pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs, dichteres; Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten; leer (theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz, dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie, gedichten.
Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).
Poh, pou, bah!
Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter, stekelig, pijnlijk.
Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).
Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog, naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid, trek, wissel; — verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen, voegen, staan, pointeeren: What is the — = wat is de kwestie? That is a great — for me = van groot belang; That is rather a nice — with him = teer punt; He enumerated all the good —s of his horse = eigenschappen; Blue —s = een klein soort oesters (Amer.); The —s of a speech = hoofdpunten; At the — of death (= On the — of dying); This is a case in — = dit is zoo’n geval als waarvan we thans spreken; In — of money = uit een oogpunt van; To rise to a — of order = vragen of de spreker niet “buiten de orde” is; In (from) a literary — of view = uit een letterkundig oogpunt; What you say there is not to the — = ter zake dienende; To be armed at all —s = van top tot teen gewapend, op alles voorbereid; To come to a — = staan (van jachthonden); Things had come to such a — that further delay would have been disastrous = hadden zulk eene hoogte bereikt; That’s what I call coming to the — = dat is nu eens op den man af; It came to the — = het kwam er op aan; Things were growing to a — = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to the — that = zoozeer, dat; You didn’t gain your —, you missed it = ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me —s in (at) billiards = gaf mij vóór; To lend — to = accentueeren, sterk doen uitkomen; He always made (it) a — to stand (of standing) high in his employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The rain always makes a — of setting in when I wish to go out = heeft het er altijd op gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his — is not absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd; Don’t press the — = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the — = er niet verder op aandringen; I will not put too fine a — upon it = er niet te veel van zeggen; That would be straining (stretching) a — = daarmee zouden we een uitzondering maken, het niet zoo nauw nemen; To — a moral = tot zedeles doen strekken; This story —s a moral against party disputes = bevat een les tegen; He —ed at me = behandelde verachtelijk; The cannon was —ed at the gate = was gericht op; To — out = aanwijzen, in ’t licht stellen; The clock —ed to the hour, to seven = wees het uur aan, stond op zeven; —-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op den man af, botweg: I told him so —-blank = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; —sman = wisselwachter; —ed = gepunt, scherp, geestig, geestrijk: A —ed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered when —edly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar gericht werd; —er = wijzer, staande hond, stift, graveerstift; etsnaald; —less = stomp, dom, niet geschikt of ter zake.
Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; — verb. wegen, overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant — of her head; The cloud hung at — over the hill = hing zwevend; — down = drukken, onderdrukken.
Poison, pôiz’n, subst. vergift; — verb. vergiftigen, besmetten: —ed cup = giftbeker = —-cup; —-fang = gifttand; —er; —ous = vergiftig; subst. —ousness.
Poitiers, pôitîəz.
Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; — verb. duwen, stooten, tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly — at him = dat was een steek op hem; His life and character were —d into = nauwkeurig onderzocht; He —d his head through the window = stak; He can — fun urbanely = op fijne wijze spotten of schertsen met, over; He —d some very effective fun at continental customs = spotte raak met....; —-bonnet = ouderwetsche tuithoed; Poker = pook; boeman (Am.), pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.), slakkensteker (degen), bluffen (kaartspel): As stiff as a —; To have swallowed the — = To have a — up one’s back = zich stijf houden (gedragen); —-drawing = brandschilderen; Poky = onnoozel, dom; bekrompen, nauw, klein: A — little place = bekrompen, klein; A — little staircase = zeer nauwe trap.
Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).
Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.
Polar, poulə, pool...: — bear = ijsbeer; — circles = poolcirkels; — expedition; — sea; — star = poolster; —ity, pəlariti, polariteit; —izable, pouləraizəb’l, polariseerbaar; —ization = het polariseeren; —ize = polariseeren.
Polder, pouldə, polder.
Pole, poul, Pool.
Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; — verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; —-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; — verb. met eene bijl dooden; —-axe isolation will be necessary against the rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled crocks, only fit to be —-axed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt om gedood te worden; —-star = poolster.
Polecat, poulkat, bunzing.
Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: —s = polemiek.
Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.
Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted — = bereden politie; A number of troops will be necessary to — the country = orde en regel te brengen in; —-commissioner = commissaris; —-constable = agent; —-court = politierechtbank; —-inspector = inspecteur; —-magistrate = politierechter; —man = agent; —-office = bureau (—-station); —-officer = ambtenaar bij de politie.
Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid, wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best — = eerlijk duurt het langst; Life — = levensverzekeringspolis.
Polish, pouliš, Poolsch.
Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; — verb. polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten polijsten: He —ed his eye-glasses = veegde af; To — glass = glas slijpen; May I — off that job for you? = dat zaakje ... opknappen; I —ed him off in no time = zette hem gauw op z’n plaats; —ed = gepolijst, beschaafd; —ing: —ing-cloths = wrijflappen; —ing-paste = poetspommade; Let us give it a —ing = polijsten, politoeren, poetsen.
Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. —ness.
Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body — = burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk, staats - -, staatkundig: — Economy = staathuishoudkunde; Politician, politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics, politiks, staatkunde, politiek, slimheid: They were talking — the whole evening = zij hadden het den geheelen avond over staatkunde; Polity, politi, regeerings(vorm), inrichting.
Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and —ing; Polka, poulkə, polkə, polka.
Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = —-parrot.
Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst, stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; — verb. toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren, slaan (sport): The — is over = de stemming is afgeloopen; At six the — closed = sloot het stembureau; To go to the — = gaan stemmen; kandidaat zijn; He was at the head of the — = hij had de meeste stemmen; The ordinary or — (ook pol uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was —ed = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen beslissing (Amer.); —-cattle = ongehoornd vee; —-tax = hoofdelijke omslag; —ing-booths = (verplaatsbare) stembureaux; —ing-clerk = officieel stemopnemer; —ing-place (—-station) = stembureau.
Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. — willow = knotwilg); dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie Chub), zemelenmeel.
Pollen, pol’n, stuifmeel; —ize = bevruchten met stuifmeel; Pollinary (Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination = bevruchting door insecten.
Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.
Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen; —d(ness); —r; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting, bevlekking.
Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).
Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.
Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.
Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.
Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk; —ery = lafheid; —ish = laf.
Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.
Polyanthus, polianthəs, tuberoos.
Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous; Polygamy = polygamie.
Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj. Polyglottous.
Polygon, poligon, veelhoek; —al, —ous, pəligən’l, pəligənɐs, veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni, duizendknoop (grassoort).
Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende werken, veelschrijver; adj. —ic(al), poligrafik(’l).
Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië; —n = van P.; Polynesiër.
Polyp(e), polip, poliep.
Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.
Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.
Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable, polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.
Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.
Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = —-school = polytechnische school.
Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in —; adj. Polytheistic(al).
Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj. Pomaceous = appel...
Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; — verb. pommadeeren.
Pome, poum, appelvrucht; —granate, pomgranit, pɐmgranit, granaatappel.
Pomerania, poməreinjə, Pommeren: —n = Pommersch; Pommeriaan, keeshond; Pomfret, pomfrət.
Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.
Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; — verb. slaan, bont en blauw slaan: They —(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To — to a jelly = tot moes slaan.
Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v. (leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.
Pomp, pomp, praal, praalvertooning.
Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius, pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.
Pompion, pɐmpj’n, pompoen.
Pompom, pompom, revolverkanon.
Pompon, pompən, pompon.
Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid; adj. Pompous, pompəs, subst. —ness; Pomposo, pompousou, statig en waardig (muz.).
Pond, pond, vijver, poel.
Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He —ed the past = hij bepeinsde wat er gebeurd was; —ability = weegbaarheid; —able = weegbaar; —osity = zwaarte, gewicht, gewichtigheid; —ous = zwaar, gewichtig, saai; subst. —ousness.
Pondicherry, pondišeri.
Pone, poun, maïsbrood (Amer.).
Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.
Poniard, ponjəd, subst. dolk; — verb. doorsteken.
Ponsonby, pons’nbi.
Pont, pont, veerschuit, veerpont.
Pontic, pontik: — Sea = Zwarte Zee.
Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester; bisschop, paus; —-maximus = eerste dezer priesters, de Paus; Pontiff = hoogepriester, paus (= Supreme —); Pontifical, pontifik’l, subst. het liturgische boek voor de bisschoppelijke bedieningen; adj. hoogepriesterlijk, pauselijk: — States = de kerkelijke staat; —s = onderscheidingen gedragen door bisschoppen en prelaten: In full —s = in pontificaal; Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke waardigheid.
Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een paard).
Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton, kiellichter (scheepst.); —-bridge = pontonbrug; —-train.
Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een (klassiek)schrijver; — verb. zulk een vertaling gebruiken: To put down the — = opdokken; —-engine = rangeerlocomotief.
Poodle, pûd’l, poedel.
Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To —-— = met verachting van zich werpen: He —-—ed the possibility of ever doing such a thing.
Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart), totalisator; — verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden tot gezamenlijk doen van iets: The swimming — and the wading — = zwembassin en “pierenbak”; —-counter = fiche; —-ticket = totalisatorkaart; —er = stok om te roeren.
Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.
Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; — verb. over den achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old —.
Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend, treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The — and the rich = armen en rijken; — Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are making a — dinner = ge eet weinig; A — excuse = een armzalig excuus; In — health = in slechte gezondheid; — Law = armenwet; It’s a — look-out = ’t ziet er miserabel voor ons uit; —house = armenhuis; —-rate = armenbelasting; —-spirited = ellendig, lafhartig; subst. —-spiritedness; I feel very —ly to-day = voel me lang niet goed; How is the patient? —ly indeed = hoe is het met de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. —ness.
Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje); interj. floep! poef! — verb. plotseling binnenkomen of voor den dag komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen, verpanden: — goes the weasel! = en weg was het! —, bang, fire! = pief-paf-poef! The — of bottles = floep; To go — = op de flesch gaan; He came in — = plotseling; He was a regular attender at Sunday —s = Popular Concerts; To — corn = maïs poffen tot de korrels er uit vliegen; She —ped her head out of the window = zij kwam in eens met haar hoofd buiten het raam; He —ped the question = hij vroeg om hare hand; To — into bed = springen; I could not think you would — in upon me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually —ped off = verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He —ped a wanting hand on the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan; —-corn = maïs die geschikt is gepoft te worden; —-eyes = uitpuilende oogen; —-gun = klein pistooltje; —-shop = pandjeshuis; —-visit = onverwacht bezoek; —per = mand van ijzerdraad om maïs te poffen; poffer, pistool.
Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; —-Joan, poupdžoun, zeker kaartspel; —’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van ossen of schapen; —’s-head = lange bezem; —’s nose = stuit van een gebraden vogel; —dom = pausdom, pausschap; —hood; —ry = Roomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The No-—ry Plots = de anti-R.-Katholieke samenzweringen.
Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.
Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm van een papegaai), windbuil.
Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.
Poplar, poplə, populier = —-tree.
Poplin, poplin, popeline.
Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel loopen; lieverd, popje, marionet.
Poppa = papa (Amer.).
Poppy, popi, papaver.
Poppycock, popikok: It’s all — = allemaal onzin.
Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti, populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize, popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken, voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol menschen; subst. —ness.
Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.
Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein...: —-clay = porseleinaarde; —-ware; —ize = door hitte in eene porseleinachtige stof veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs, pösəleinəs, pöselənɐs, porseleinachtig, porselein...
Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The — = school der Stoïcijnen.
Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.
Porcupine, pökjupain, stekelvarken: — quill.
Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To — over, on, upon one’s books), nauwkeurig onderzoeken.
Pore, pö, porie.
Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).
Poriform, pôriföm, als eene porie.
Pork, pök, varkensvleesch; —-butcher; —er = (gemest) varken; Porkopolis = bijnaam voor Cincinnati en Chicago.
Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography = pornographie.
Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus; subst. —ness.
Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend; Porphyry, pöfiri, porfier.
Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a — = zoo vet als modder.
Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. —ion.
Porridge, poridž, havermeelpap.
Porringer, porinžə, kommetje, nap.
Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang, bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; — verb. het roer naar links overleggen: Free, Inner, Out— = vrijhaven, binnenhaven, buitenhaven; The ship made (the) — = liep... binnen = put in at the —; — of departure, destination, distress, refuge (ook fig.); —-admiral = havencommandant; —-bar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort af te sluiten; —-charges, —-dues = havengelden; —cullis = hamei; —hole = patrijspoort; —-lanyard (—-rope) = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; —last = dolboord; —-lid = deur eener geschutpoort; —-side = bakboordzijde; —-town; —-vein = poortader; —-wine.
Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar, draagbaar; subst. —ness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon, afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten worden gedragen).
Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.
Porte, pöt: The Sublime — = de Verheven Porte.
Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent, (slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend, monsterachtig, ijselijk; subst. —ness.
Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier): —’s lodge = portierswoning; —age, pötəridž, kruiersloon, draagloon, bestelloon; Porteress = portierster.
Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The — for Foreign Affairs.
Portico, pötikou, overdekte zuilengang.
Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel, huwelijksgift; — verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen; —ist = een van de beursstudenten van Merton College (Oxf.); clergyman die met anderen de inkomsten van een living deelt; —less, zonder huwelijksgift.
Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: — cement = cement; — stone.
Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.
Portmanteau, pötmantou, valies.
Porto, pötou, Oporto.
Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length — = portret ten voeten uit; Half-length — = kniestuk, buste; I will have my — taken = mijn portret laten maken; —-painter = portretschilder = —ist; —ure = portret, de kunst van portretten maken, schildering.
Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; —al = schildering, beschrijving; —er = schrijver, beschrijver.
Portsmouth, pötsməth.
Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch; Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj. Portugees(che taal), Portugeezen.
Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; — verb. eene bepaalde houding of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren, verlegen maken, in de war brengen; —r = moeielijke vraag, streng examinator, “harde noot”: That’s a —r = dat is moeilijk te verklaren.
Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.
Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand, betrekking, stelling: Of inferior social — = van minderen stand; I am not in a — to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet, zoo iets te beweren; You cannot make good this — = die bewering niet bewijzen; He took up his — there = hij nam daar positie, zijne positie in.
Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj. stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig, koppig: I am quite — = weet het zeker; I am — in your doing this = ik sta er op dat gij dit doet; He is not naturally — = het ligt niet in zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven staan; — degree = stellende trap; — electricity = glas-electriciteit; — philosophy = positivisme, de wijsgeerige richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de zinnen kan worden waargenomen; — quantity = positief getal; subst. —ness; Positivist = aanhanger van Positivism.
Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong — of police; — Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.
Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van, beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) —ed = als een bezetene: He —es himself = hij kan zich beheerschen; Great awe —es my soul = mijne ziel is vervuld van; — your soul in patience = bezit in lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom, bezitting: — is nine points of the law = zalig zijn de bezitters; A writ of — = een rechterlijk bevel van den Sheriff om iemand in het bezit van een stuk grond te stellen; The man in — = Broker’s man (who is put in — of the house till the execution is paid out); To be in —; To get — of; I gave him — of (put him in — of) his property = stelde hem in het bezit van; He recovered — of his goods = hij herkreeg bezit van; He took — of his own = hij nam wat het zijne was; To take — of a house = betrekken; Possessive case = tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. —y = bezittend, betrekking hebbende op het bezit.
Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of azijn, gekruid en zoet gemaakt; — verb. stremmen.
Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If — = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot — assist you = ik kan u onmogelijk helpen.