Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 85
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; — verb. patrouilleeren, de ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; —age, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat, recht van begeving; —ess = beschermvrouw; —ize, peitrənaiz, patrənaiz, beschermen, begunstigen; —izer; —izing = beschermend, nederbuigend: —izing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een voorvader verkregen (naam); —al.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned. W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn; onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst. gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een —song; They all —ed French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon; — verb. copieeren, bespikkelen: A French —bonnet = modelhoed; The streets were starred and —ed with lights.
Patty, pati, pasteitje; —-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: — of labour = gebrek aan werkkrachten.
Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulinisch.
Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; —-mat = stootmat (scheepst.); Bow-—ed = met ronden buik; —iness.
Pauper, pôpə, arme, bedeelde: — children, — school; —ism = de bedeelden, armoede; —ization, subst. v. —ize = tot diepe armoede brengen.
Pause, pôz, subst. rust, afbreking, twijfel, besluiteloosheid, gedachtestreep: — verb. pauseeren, rusten, weifelen, aarzelen: Such things must give a sensible man — = brengen tot nadenken; He stood in — = twijfelde, weifelde.
Pave, peiv, bevloeren, plaveien: To — the way for = den weg banen; —ment = bestrating, plaveisel; Foot-, Side-—ment = trottoir, kleine steentjes; —r = straatmaker, wegbereider, straatsteen, stamper.
Pavilion, pəvilj’n, paviljoen, vlag, standaard, verhemelte (Herald.); oude munt.
Pavior, peivjə, straatmaker, stamper.
Pavo, peivou, pauw, sterrenb. de pauw; —nine, pavən(a)in, met vele kleuren schitterend (als een pauwestaart).
Paw, pô, subst. poot met klauw; hand; — verb. (met den voorpoot) krabben (v. paarden); ruw aanpakken, flikflooien.
Pawem, pôəm, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost ingelascht.
Pawky, pôki, slim, schalks(ch): He takes a — view of things.
Pawl, pôl, pal.
Pawn, pôn, subst. pion (schaakspel), pand; — verb. verpanden: I have given my watch in (at) — = als pand gegeven; —broker = lombardhouder; —broking = het houden v. een lommerd; —er; —-house = —shop; —-tickets with the equity of redemption = lommerdbriefjes met het recht van wederinkoop.
Pawnee, pônî: Brandy — = cognacgroc (Brit Ind.).
Pawnee, pônî; Pawtucket, pôtɐkət.
Pax, paks. Zie Osculatory: To cry — = roepen dat het ‘genoeg’ is (Schoolslang).
Pax(y)-wax(y), paks(i)waks(i), sterke, dikke nekspier (bij slachtvee).
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij; — verb. betalen, vergoeden, vergelden, kwijten; teeren, smeren: No — no play = zonder geld heb je niets; In the — of = in dienst van; Officer on half— = op wachtgeld; To — one’s addresses to = het hof maken; To — attention = opletten; You paid him a bad compliment = maakte; When he came home there was the devil to — = waren de poppen aan het dansen; He robs Peter to — Paul = hij maakt een gat om een ander gat te stoppen; To — the piper = het gelag betalen; I will — him full tale for this = het hem dubbel en dwars betaald zetten; To — a visit = brengen; If you don’t wish to get into debt, you must — your way = moet ge uwe verplichtingen nakomen; You will have to — down = gij zult moeten opdokken, contant betalen; You shall — for this = zult boeten; Will you — for the book? = het boek betalen; He paid for his treachery with his life = boette zijn verraad; The sum was paid in to your account = gestort, afbetaald op uw debet-rekening; To — into a bank, the hands of a banker = deponeeren bij; I have paid him off = het volle bedrag uitbetaald; het hem betaald gezet; The loan will be paid off at the price of £ 106 for every £ 100 = is aflosbaar; — him on = sla er op, raak hem; I have paid him out (for it) = paid him home = het hem betaald gezet; — out more cable = vier; We had to — through the nose = ons werd het vel over de ooren getrokken; I want to — up my arrears = wensch te betalen; The business does not — = rendeert niet; Paid-up shares = volgestorte aandeelen; He got well paid = kreeg het goed betaald; —-bill = betaalsrol; —-box = loket, plaatsbureau (theaters); —-day = traktementsdag; —master = betaalmeester, kwartiermeester, officier van administratie; —-office = betaalkantoor; —-sheet = betaalsrol; —able = betaalbaar: —able at sight to Mr. X. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; —ee, peiî, wien betaald wordt; —er = betaler; —ing = loonend; —ment = betaling, loon: He has stopped (suspended) —ment = zijne betalingen gestaakt.
Payne, pein.
Paynim, peinim, heiden.
Paynize, peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van zekere oplossing.
Pea, pî, erwt: They are as much alike as two —s (in a pod) = zij lijken als twee droppels water op elkaar; —(s)-cod (-pod, -shell) = erwtenpeul; —-gun (—-shooter) = proppenschieter; —-nut = aardnoot; —-soup = erwtensoep.
Peabody, pîbodi.
Peace, pîs, vrede, rust, kalmte, harmonie: — to his ashes = hij ruste in vrede; — there! = stilte! At — = verzoend; dood; I am not at — with myself = het met mijzelf niet eens; Hold your — = houd je stil; They kept the — better than I had expected = zij hielden zich rustiger dan ik verwacht had; He promised to keep the king’s (queen’s) — = om de orde niet meer te verstoren; He was sent to — = werd gedood; —-breaker = rustverstoorder; —maker = vredestichter; —-offering = zoenoffer; —-officer = politieagent; sheriff; —-party = vredepartij; The —-society = vredebond; In their —-strength = sterkte in tijd van vrede; —able = vreedzaam, vredelievend; subst. —ableness; —ful = vredig, kalm, stil; subst. —fulness; —less = rusteloos, woelig.
Peach, pîtš, subst. perzik: He is no small —es of an artist = als kunstenaar is hij geen kwajongen; —-brandy = persico; —-coloured = perzikkleurig; —-down = dons; —-tree.
Peach, pîtš, aanklagen, verklappen: Speak, or I’ll — = spreek, of ik getuig tegen je, verklik je, geef je aan.
Peachick, pîtšik, jonge pauw; Peacock, pîkok, (mannetjes)pauw; ook verb., stappen als een pauw; —-butterfly = pauwoog; —-fish = pauwoog (visch); —-hangings = behangsel met pauwenpatroon; Peafowl = pauw; Peahen = pauwin.
Pea-jacket, pîdžakət, pijjekker.
Peak, pîk, subst. piek, spits, punt, klep (van pet of hoed); — verb. kwijnen, er ziekelijk uitzien, (eene ra) optoppen: A —ed cap = met klep; —ed beard = puntbaard; A —ed look = kwijnend; —ed-up persons = stijve, opgeprikte personen; —ing = ziekelijk; geniepig; —ish = ziekelijk; —y = spits, ziekelijk uitziend.
Peal, pîl, subst. knal, slag, salvo, geratel, donderslag, klokgelui, aantal klokken; — verb. luide weerklinken of weergalmen: The —s were rung = er werd op de klokken gespeeld, klokkenspel weerklonk; —s of laughter, of thunder = schaterend gelach, ratelende donderslagen; The bells —ed forth their merriest sounds = de klokken deden hare vroolijkste klanken hooren.
Pear, pêə, peer; —-tree.
Pearce, pîəs.
Pearl, pɐ̂l, parel, paarlemoer; pil; staar, (ook —-eye), diamantletter; ook adj.; — verb. met parelen bezetten, beperelen, parelen: Mother of — = paarlemoer; That’s casting —s to (before) the swine = dat is paarlen voor de zwijnen gooien; The girl strung her beads and —s = reeg hare kralen en paarlen; —-ash = parelasch; —-barley = geparelde gerst; —-disease = parelziekte; —-diver = parelvisscher; —-eye(d) = (met) een vlek (staar) op het oog; —-fishery = parelvisscherij, de plaats hiervoor; —-oyster = pareloester; —-sago; —-shell = parelschelp; —-studded = met paarlen bezet; —-white = parelwit; —y = parelachtig, vol paarlen.
Pears, pîəz; Pearson, pîəs’n.
Peasant, pez’nt, subst. en adj. boer(sch); —ry = boerenstand, landvolk.
Pease, pîz, erwten.
Peat, pît, turf; ook = A lump of — = een turf; —-bog = laag veen; —-cutter = turfsteker; —-drag = bagger; —-moor = hoog veen; —-moss = veenmos; —-stacks; —ery = veenderij; —y = uit turf bestaande, turf bevattende.
Pebble, peb’l, kiezelsteen (= —-stone), agaat, bergkristal (= —-crystal); —d, Pebbly = vol kiezelsteenen.
Peccability, pekəbiliti, zondigheid; Peccable, pekəb’l, zondig; Peccadillo, pekədilou, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, pek’nsi, zondige staat; Peccant = zondig, bedorven, slecht; Peccavi, pekeivai, “ik heb gezondigd”, schuldbelijding: To cry — = schuld bekennen, om vergiffenis vragen.
Peck, pek, subst. maat van ± 9 L.; pik, hap, kus, voer, kost; groote hoeveelheid; — verb. pikken, vitten, eten: There are —s and —s of = hoopen; It gave me a — of trouble = een heele portie last; We had to keep them — and perch, all the year round = we moesten hen onderhouden; She —ed at her chop = knabbelde aan, at met kleine beetjes van; She —ed up all the crumbs = raapte (pikte) op; —-alley = keel(gat); —er = specht; snavel: To keep up one’s —er = den moed (of eetlust) niet verliezen; To go to Peckham = gaan eten; All holiday at Peckham = Schraalhans is keukenmeester; Peckish = hongerig.
Pectin, pektin, pectine.
Pectinate, pektənit, kamvormig.
Pectoral, pektər’l, borst - -; subst. borstmiddel, borstlap, borstschild of kruis van priesters, borstspier; borstvin = — fin.
Peculate, pekjuleit, (geld) verduisteren; Peculation: — was rife, and abuses were rampant = verduistering was algemeen; Peculator.
Peculiar, pəkjûliə, eigenaardig, bijzonder, origineel; ook subst.: This wine has a — flavour = een gansch bijzonderen smaak (en geur); —ity, pəkjûliariti, eigenaardigheid, bijzonderheid.
Pecuniary, pəkjûniəri, geldelijk, geld(s) ...: In — difficulties, troubles = in geldelijke moeilijkheden.
Ped, ped, pedaal; voetganger; groote mand.
Pedagogue, pedəgog, pedagoog, schoolvos; Pedagogical, pedəgodžik(’l), pedagogisch; Pedagogics, pedəgodžiks, pedagogiek.
Pedal, ped’l, pîd’l, voet - -; subst. pedaal; — verb. het pedaal gebruiken; peddelen, fietsen; —-note = aangehouden toon; —-pipes (of an organ); —(l)er = fietser.
Pedant, ped’nt, schoolvos; —ic(al), pədantik(’l), pedant; —ry = muggenzifterij, pedanterie.
Peddle, ped’l, venten, met eene mars loopen; zich met beuzelarijen ophouden: —r = marskramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig, onbeteekenend.
Pedestal, pedəst’l, voetstuk: — writing-table = “bureau ministre”; To put on a — (fig.).
Pedestrian, pədestriən, voet - -; gewoon, alledaagsch, prozaïsch; subst. voetganger: — journey, — tour = voetreis; —ism = het wandelen, wandelwedstrijd, hardloopwedstrijd; alledaagschheid.
Pedicel, pedisel, bloemsteel; —late, pediselit, gesteeld.
Pedigree, pedigrî, stam- of geslachtsboom, afkomst: — cattle = stamboekvee.
Pediment, pediment, pediment, gevelveld.
Pedipalp, pedipalp, schorpioenspin; taster (van een spin).
Pedireme, pedirîm, waterwants.
Pedlar, Pedler, pedlə, marskramer; —y = marskramerij; bedriegerij.
Pedlington, pedliŋt’n: This is the Little — view of the matter = kleingeestige, bekrompen kijk op.
Pedometer, pədomətə, pedometer.
Peduncle, pədɐŋk’l, (bloem)steel; Peduncular, pədɐŋkjulə, bloemsteel ...; steel ...; Pedunculate, pədɐ̂nkjulit, gesteeld.
Peek, pîk, verb. gluren: —-a-boo = Peep-bo: —-a-boo blouse = blouse met transparant halsstuk; —er.
Peel, pîl, subst. schil; schieter (van bakkers), versterkte toren (op de grens van Eng. en Schotl.); — verb. schillen, afschillen, afschilferen, ontkleeden, plunderen: Candied — = sukade; Orange —; To keep one’s eyes —ed = zijne oogen open houden (fig.); —ings = schillen.
Peel, pîl: —er = klabak.
Peep, pîp, subst. gepiep; het eerste dagen of verschijnen, gluren, sluwe blik; — verb. piepen; gluren (naar = at), gloren, aanbreken, sluw kijken: At the — of dawn = bij het gloren van den dag; To take a — at = gluren naar; —-bo = kiekeboe! —-hole = kijkgaatje; —-o’-day boys = Iersche (Protest.) opstandelingen (1784); —-show = kijkkast; —er = pas geboren kuiken; loervogel (fig.); oog: Painted —ers = blauwe (geslagen) oogen; Single —er = éénoog; —ing Tom = loervogel.
Peer, pîə, gluren, kijken, te voorschijn komen.
Peer, pîə, subst. pair, gelijke; —age = pairschap, de hooge adel; adelboek; —ess = adellijke dame, vrouw van een peer; —less(ness) weergaloos(heid).
Peevish, pîviš, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Peewit, pîwit, kievit.
Peg, peg, subst. pen of pin, nagel, klemhoutje, schroef; tand, voet, bepaalde slag; cognac met spuitwater; — verb. met pinnen vastmaken of merken, afranselen (into), geducht werken of eten (away), met pennen uitzetten (out), uitknijpen (out), hard loopen: —s = broek van boven zeer wijd en van onderen erg nauw; He is a square (round) — in a round (square) hole = niet op zijne plaats; To come down a — or two = een toontje lager zingen; I’ll take (pull) him down a — or two = ik zal hem een toon of wat lager doen zingen; I have —ged two for you = twee voor u aangezet; He was —ging away at his translation = werkte hard aan; —-top = priktol; —-tops = broek, wijd van boven en nauw om de enkels.
Pegasus, pegəsɐs, Pegasus; Peggoty, pegəti; Pegram, pîgrəm; Peile, pîl; Peirce, pîəs, pɐ̂s; Pekin, pəkin; Pekin(g), pikin(g).
Pekoe, pekou, pîkou, Pecco-thee.
Pelagic, piladžik, zee...
Pelargonium, peləgounj’m, pelargonium.
Pelerine, pelərîn, pelərîn, pelerine.
Pelf, pelf, vuil; “duiten”: It was the — that got her a husband = zij kreeg een man om haar “moppen”.
Pelican, pelik’n, pelikaan; tang, haak; distilleerkolf.
Pelion, pîliən: To pile Ossa on — = zich bovenmenschelijk inspannen.
Pelisse, pəlîs, soort mantel, pelsmantel.
Pellet, pelət, balletje, propje, kogel(tje), grove hagelkorrel; — verb. met balletjes (hagelkorrels) schieten op.
Pellicle, pelik’l, huidje, vliesje.
Pellitory, pelitəri, glaskruid.
Pell-mell, pelmel, in groote verwarring, blindelings; subst. verwarring, handgemeen.
Pellucid, pəl(j)ûsid, helder; doorschijnend; subst. —ity, pel(j)usiditi = —ness.
Peloponnesian, peləpənîsiən; subst. Peloponnesus.
Pelt, pelt, gooien, werpen, kletterend neerkomen; subst. werpen enz.; vel, vacht, ruwe huid: To — along = voortjakkeren (snellen); —-monger = handelaar in huiden en vellen; —-wool = wol (van doode schapen); —er = hagel (fig.), plasregen; geweer, pistool, klein oorlogschip; —erer = handelaar in vellen; —ry = pelterij, huiden.
Pelvic, pelvik, bekken...; Pelvis, pelvis, bekken.
Pembroke, pembruk: — table = kleptafel.
Pem(m)ican, pemik’n, gedroogd gemalen en met vet tot koeken geperst vleesch: This booklet is historical — = droog maar degelijk.
Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk; pen, veder, stijl; — verb. opsluiten, stuwen; schrijven, neerpennen: Slip of the — = schrijffout, vergissing; The last stories from her — = van hare hand; These —s have hard, soft nibs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this — mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; To put the — through = de pen halen door; To set — to paper: —-case = pennenkoker; —-driver = pennelikker; —-fish = pijl-inktvisch; —holder = pennehouder: —knife = pennemes; —-man = schoonschrijver; —manship = schrijfkunst, manier van schrijven; —-name = pseudoniem; —wiper = pennenwisscher.
Penal, pîn’l, straf..., strafbaar: — code = wetboek van strafrecht; — colony = strafkolonie; — laws = strafwetten; — servitude = dwangarbeid; — settlement = strafkolonie; —ty, pen’lti, wettige straf of boete; extra gewicht op een renpaard; bij een handicap; — kick = strafschop; —ize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be —ized = onthouding van stemming moest strafbaar gesteld worden; Penance, pen’ns, boetedoening, zoenstraf, boetekleed; ook verb.: To do —.
Penang, pinaŋ: —-lawyer (Zie Lawyer); —-nut = betelnoot.
Penarth, pînəth.
Penates, pəneitîz, Penaten of huisgoden.
Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter’s — = Pieterspenning; Bad six— always turns up = onkruid vergaat niet.
Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; — verb. schilderen, teekenen, met een potlood opschrijven: A — of rays = stralenbundel; —-case = potloodhouder; —-colo(u)rs = crayon; —-compass = —-pointer = potloodscherper of -punter.
Pendant, pend’nt, oorhanger, hanger, wimpel, pendant, luster.
Pendency, pend’nsi, het hangen, onzekerheid, aanhangig zijn; Pendent = hangend; vrij zwevend; — bridge.
Pendennis, pendenis.
Pending, pendiŋ, adj. hangende, onbeslist, prep. gedurende: — affairs = loopende zaken; He smiled, with life and death — = zwevende tusschen dood en leven; — the inquiry = gedurende het onderzoek.
Pendragon, pendrag’n, opperste veldheer bij de Oude Britten; —ship.
Pendulous, pendjulɐs, hangend, schommelend, trillend: He had a — excrescence on his nose = een slingerend uitwas; subst. —ness; Pendulum, pendjulɐm, slinger; —-clock.
Penelope, pəneləpî.
Penetrability, penətrəbiliti, subst. v. Penetrable, penətrəb’l, doordringbaar, ontvankelijk; subst. —ness; Penetralia, penətreiljə, binnenste van huis of tempel; geheimen; Penetrant = doordringend; Penetrate, penətreit, doordringen, doorgronden; Penetrating = doordringend, fijn onderscheidend, scherp; Penetration, penətreiš’n, het doordringen of doorgronden, doordringingsvermogen, scherpte, scherpzinnigheid; Penetrative, penətrətiv, doordringend: — effect (van een schot); subst. —ness.
Penguin, pengwin, Penguin, vetgans.
Peninsula, pəninsiulə, schiereiland; adj. —r: The — War = de oorlog in Spanje en Portugal tegen Napoleon I (1808–1814).
Penitence, penitens, berouw, boete; Penitent, boetvaardig, boete doende; subst. boetvaardige, boeteling; Penitential, penitenšl, subst. boeteboek (ten behoeve van biechtvaders); adj. berouwhebbend, boetvaardig: — Psalm = boetpsalm; Penitentiary, penitenšəri, boete..., boetvaardig; subst. verbeteringsgesticht; tuchthuis; penitentiaris (hoofd van het pauselijk college dat over dispensaties en vrijspraak beslist).
Pennant, pen’nt, vlaggetje, wimpel.
Pennate(d), penit(id), gevleugeld = Pennigerous.
Penniless, peniles, arm; subst. —ness.
Pennon, pen’n, wimpel, vaantje; wiek.
Pennsylvania, pensilveinjə; adj. en subst. —n.
Penny, peni, 1⁄12 van een shilling, stuiver, geld: A — saved is a — gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; In for a —, in for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A — at a time = zachtjes aan, geleidelijk; To make a — = geld verdienen; To turn an honest — = een eerlijk stuk brood verdienen; —-a-liner = loon-, broodschrijver; —-a-lining = broodschrijverij; Two— people = proleten; Two— half— godliness (picnic) — goedkoope; —-in-the-slot machine = automaat; —-gaff = tjingeltangel; — royal = polei; —-wedding = bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; —-weight = ± 1.55 gram; —-wise = krenterig: Their —-wise precautions = prullerige voorzorgsmaatregelen; To be —-wise and pound-foolish = de zuinigheid de wijsheid laten bedriegen; —worth, penəth, peniwɐ̂th, voor de waarde van een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got there a poor —worth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien.
Pensile, pens(a)il, hangend; subst. —ness.
Pension, penš’n, subst. pensioen, jaargeld, geld betaald in plaats van tienden; met Fr. uitspr. pension; — verb. pensionneeren; in pension zijn: Old Age —s Act = wet op ouderdomspensioen; Not for a — = voor geen geld ter wereld; To return home on a —; He was —ed off on another post = kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst; —able = gerechtigd tot (rechtgevend op) het verkrijgen van een pensioen; —ary, subst. gepensionneerde, pensionaris; adj. pensioen(s)...; pensioen trekkend: Grand —ary; —er = gepensionneerde, iemand die jaargeld geniet: Chelsea —er = invalide uit het Chelsea Hospital; Greenwich —er = invalide (matroos) uit het Hospital te Greenwich; Gentleman —er = een lid van het corps der Gentlemen-at-Arms, een oude paleis-eerewacht.
Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; subst. —ness.
Penstock, penstok, verlaat; hydrant.
Pent, pent, opgesloten; ook = —house.
Pentachord, pentəköd, vijfsnarige lier.
Pentacle, pentək’l, soort tooverzegel tegen heksen.
Pentadactyl(ous), pentədaktil(əs), met vijf vingers of teenen.
Pentagon, pentəgon, vijfhoek, fort met vijf bastions; —al, pentagən’l, vijfhoekig.
Pentagraph, pentəgraf, teekenaap.
Pentahedral, pentəhîdr’l, pentəhedr’l, met vijf gelijke zijden; Pentahedron, pentəhîdr’n, pentəhedr’n, regelmatige vijfhoek.
Pentameter, pentamətə, vijfvoetige versregel.
Pentarchy, pentəki, vijfmanschap.
Pentastich, pentəstik, vijfregelig gedicht.
Pentateuch, pentətjûk, vijf boeken van Moses.
Pentecost, pentəkost, pinkster(feest); —al, pentəkost’l, Pinkster...
Penthouse, penthaus, afdak; ook verb.
Penult, pînɐlt, pinɐlt, Penultimate, tweede lettergreep van achter.
Penumbra, pinɐmbrə, bijschaduw.
Penurious, pənjûriəs, vrekkig, gierig; schraal, karig, behoeftig; subst. —ness; Penury, penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek.
Penzance, penzâns.
Peon, pîən, Indisch soldaat (bode, politieagent); Mexicaansche slaaf of arbeider; pion (schaaksp.); Peonage = Peonism = dienstbaarheid.
Peony, pîəni, pioen.
People, pîp’l, subst. natie, volk. geslacht, ras, menschen, bedienden; — verb. (zich) bevolken: The — = de groote hoop. gepeupel; The —s of antiquity = volkeren; My — = mijne familie; One’s own — = iemands bloedverwanten.
Pepin, pepin.
Pepper, pepə, subst. peper; — verb. peperen; bombardeeren, er op los schieten of ranselen (away): Ground — = gemalen peper; Whole (Round) —; — and salt = zwart en wit, gemengd-kleurig; I’ll give you — = ik zal het je inpeperen; —-box = peperbus, driftkop; —-caster = peperbus; revolver; —-cake = peperkoek; —-corn = peperkorrel; iets van zeer geringe waarde: —-corn rent = nominale pacht, waardoor een eigenlijke lease-hold feitelijk tot een freehold wordt; —-mill; —mint = pepermunt (—-drop, —-lozenge); —-wort = peperkruid; —er = driftkop; —y = gepeperd; scherp; driftig, heet gebakerd.
Pepsin(e), pepsin, pepsine.
Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend; middel ter bevordering der spijsvertering: —s = spijsverteringsorganen; Peptone, peptoun, pepton.
Pepys, peps, pips, pepis.
Per, pɐ̂, per, door: — advance = vooruit; — advice = volgens bericht; — annum = per jaar; — cent. = percent; As — margin = volgens aanteekening op den rand.
Peradventure, peradventšə, misschien, toevallig; subst. twijfel, onzekerheid.
Perambulate, pərambjuleit, door-, rondwandelen; Perambulation = doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen, melkwagentje.
Perceivable, Perceive, pəsîv, waarnemen, bemerken, inzien, onderscheiden.
Percentage, pəsentidž, percentage.
Percept, pɐ̂sept, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a —, the white of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; —ibility = waarneembaarheid; —ible, pəseptib’l waarneembaar (voor = to); —ion, pəsepš’n, waarneming, gewaarwording, begrip: Range of —ion = gezichtskring (fig.); —ive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording: —ive faculty = —iveness = —ivity = waarnemings-, gewaarwordingsvermogen.
Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaats; maat van 5,029 M.; ook 1⁄160 acre; — verb. als een vogel zitten of gaan zitten, hoog zitten, zetten op: I am off to — = ik ga op stok (naar kooi); The bird was —ed there; I was —ed on the roof = zat; —er = vogel, die op takken pleegt te zitten; groote altaarkaars; —ing-stick = prik.
Perchance, pətšans, misschien, bijgeval.
Percipience, pəsipj’ns, Percipiency, gewaarwording, waarneming; Percipient, waarnemend, bespeurend; ook subst.
Percolate, pɐ̂kəleit, doorzijgen, filtreeren, zuiveren; subst. Percolation; Percolator = filter; filtreerkoffiekan.