Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 28
Cryptogamia, kriptəgeimjə, kriptəgamjə, cryptogamen; adj. Cryptogamic = Cryptogamous; Cryptogamy = cryptogamie; Cryptography = geheimschrift; Cryptology = geheime taal.
Crystal, krist’l, kristal; adj. kristallen, kristalhelder; Chrystalline, kristəl(a)in, kristalachtig, helder doorschijnend: — lens = kristallens; Chrystallization = kristallisatie; Chrystallize = kristalliseeren (laten); Chrystallography = kristallographie; Chrystalloid = kristalachtig; kristalloide.
Ctenoid, tenôid, kamvormig, scherp gepunt: —-scales.
Cub, kɐb, subst. jong, welp; lobbes, blaag, bengel; — verb. jongen werpen, opsluiten; —-hunting = jacht op jonge vossen.
Cuba, kjûbə, Cuba (sigaar); —n = uit Cuba, bewoner van Cuba.
Cubature, kjûbətjuə, inhoudsmeting.
Cubby, kɐbi, eng, beperkt; —-hole = kleine ruimte, huisje.
Cube, kjûb, subst. kubus, dobbelsteen, teerling, derdemacht; — verb. tot de derdemacht verheffen; —-root = kubiekwortel; Cubic equation = derdemachtsvergelijking.
Cubicle, kjûbik’l, slaapvertrek.
Cubit, kjûbit, voorarm, ellepijp, voorarmslengte (± 46 c.M.); —-arm = arm, bij den elleboog afgesneden; —al = onderarms—; een cubit lang; kussen.
Cucaine, kûkə-in, cocaïne.
Cucking-stool, kɐkiŋstûl, duikstoel (een oud strafwerktuig).
Cuckold, kɐkəld, subst. horendrager; — verb. horens opzetten (fig.).
Cuckoo, kukû, koekoek, domkop; — verb. koekoeken; —-bud = boterbloempje, dotterbloem; —-clock; —-flower = koekoeksbloem, pinksterbloem; —-spit(tle) = koekoeksspog.
Cucullate(d), kjûkəleit(id), kjukɐleit(id), van eene kap voorzien, kapvormig.
Cucumber, kjûkɐmbə, komkommer: —-frame = komkommerbed; —-slicer = komkommerschaaf.
Cucurbit, kjukɐ̂bit, distilleerkolf; laatkop; pompoen.
Cud, kɐd, het ter herkauwing in den mond teruggebrachte voedsel; tabakspruim: To chew the — = over iets peinzen, herkauwen.
Cuddle, kɐd’l, warm, lekker liggen, warm instoppen, omhelzen, liefkoozen, pakken; subst. liefkoozing, omhelzing: I —d the fiddle under my chin = vlijde; —some, Cuddly = aanhalig.
Cuddy, kɐdi, kajuit, roef, kombuis: The cook’s —; —-table = gemeenschappelijke tafel aan boord.
Cudgel, kɐdž’l, subst. knuppel, stok; — verb. knuppelen, afrossen: Let us cross the —s = den strijd eindigen; I’ll take up the —s for you, in your behalf (favour) = het voor u opnemen; I’ll — my brains no more about it = mijne hersens niet langer mee plagen; He is —-proof = hij kan tegen een stootje, is niet gauw bang.
Cue, kjû, einde of staart, slagwoord (tooneel), vingerwijzing, wenk, luim, humeur; queue (biljart): My uncle was not in good — = had geen goede bui; It was not his — to = zijn zaak niet; She found her — in a moment = wist dadelijk te antwoorden; To give a person his — = een wenk geven; To take the — from a person = hem tot richtsnoer nemen.
Cuff, kɐf, subst. vuistslag, slag; opslag (van eene mouw), losse manchet; — verb. met de vuist, de klauwen of de vleugels slaan, vechten.
Cuirass, kwiras, kwîrəs, kjûrəs, kuras, borstharnas; Cuirassier, kwirəsîə, kjûrəsîə, kurassier.
Cuish, Cuisse, kwiš, dijstuk (harnas).
Culdees, kɐldîz, kɐldîz, monniken (van de 9e tot de 15e eeuw) in Schotland, Ierland en Wales.
Culex, kjûleks, steekmug.
Culinary, kjûlinəri, tot keuken of kookkunst behoorende.
Cull, kɐl, plukken, uitzoeken; sukkel, vent; —er = uitzoeker; —ings = uitschot.
Cullender, kɐl’ndə. Zie Colander.
Cullion, kɐlj’n, schurk; —s = standelkruid.
Cullis, kɐlis, bouillon; dakgoot.
Culloden, kəloud’n.
Cully, kɐli, subst. sukkel; kameraad; — verb. foppen, beetnemen.
Culm, kɐlm, halm, stengel; hooi, stroo; kolengruis.
Culminate, kɐlmineit, culmineeren, het toppunt bereiken; Culmination = culminatie, hoogste punt.
Culpability, kɐlpəbiliti, strafbaarheid, schuldigheid; adj. Culpable; Culpableness = Culpability.
Culprit, kɐlprit, schuldige, beschuldigde.
Cult, kɐlt, eeredienst, cultus.
Cultiv(at)able, kɐltiv(eit)əb’l, bebouwbaar; Cultivate, kɐltiveit, verbouwen, bebouwen, koesteren, veredelen, beschaven, aankweeken; zoeken; subst. Cultivation = cultuur, etc.; Cultivator = bebouwer, aankweeker; cultivator (landbouwwerktuig).
Cultrate(d), kɐltreit(id), mesvormig = Cultriform.
Culture, kɐltšə, subst. cultuur, zie Cultivation; —d = beschaafd, ontwikkeld.
Culver, kɐlvə, duif; ook = Culverin; —-tail = zwaluwstaart.
Culverin, kɐlv’rin, veldslang (kanon uit de 16de en 17de eeuw).
Culvert, kɐlvət, verwulfd riool.
Cumber, kɐmbə, kwellen, een last zijn voor, belemmeren; ook subst.; —-world = sta-in-den-weg; —some = lastig, vervelend, hinderlijk, veel plaats innemend; subst. —someness; Cumbrous = zwaar, plomp; subst. —ness.
Cumin, kɐmin, komijn.
Cumulative, kjûmjulətiv, ophoopend, versneld: — voting = stemming, waarbij een stemgerechtigde al zijne stemmen aan één candidaat geeft; dit is een — vote.
Cumulus, kjûmjulɐs, stapelwolk, hoop.
Cunabula, kjunabjulə, incunabelen, vóór 1500 gedrukte boeken.
Cunard, kunâd.
Cuneate(d), kjûnieit(id), wigvormig; Cuneiform writing, kjunîföm of [kjûniiföm raitiŋ], keil- of spijkerschrift.
Cunegond, kjûnəgɐnd, Kunegonde.
Cunning, kɐniŋ, subst. ervaring, vaardigheid, slimheid, loosheid, list, bedrog; adj. listig, loos, sluw, handig: As — as a weasel = zoo slim als eene rot; Too much — undoes = wie te slim wil zijn, komt bedrogen uit; —-man, —-woman = waarzegger, waarzegster.
Cup, kɐp, subst. kop, beker, kroes, kelk, nap, schaal, bowl, drinkgelag; — verb. koppen zetten (om bloed af te tappen); inschenken: He is in his —s = hij is dronken; They were quoting poetry over their —s = zij haalden de dichters aan bij hunne drinkgelagen; There is many a slip Betwixt the — and the lip = Tusschen bekerrand en lippen, Kan u menige kans ontglippen; Claret — (Champagne —) = bowl; —-and-ball = kinderspel, waarbij een bal in een beker wordt opgevangen; —-and-ball joint = kogelgewricht; —-bearer = schenker (aan het hof); —-board, kɐbəd, subst. kast, huishoudkast, vertrekje, kabinetje; — verb. vergaren; —-board-love = egoïstische liefde; —-gall = soort galappel; —rose = gewone klaproos; —ping-glass = laatkop.
Cupel, kjûp’l, kɐp’l, cupel (Essaai); — verb. cupelleeren; subst. Cupellation.
Cupid, kjûpid, Cupido.
Cupidity, kjupiditi, hebzucht.
Cupola, kjûpələ, koepel.
Cupreous, kjûpriəs, koperachtig, koperkleurig, koperen; Cupriferous, koper..., koperhoudend.
Cupula, kjûpjulə, Cupule, kjûpjul, napje; Cupuliferous = napjesdragend.
Cur, kɐ̂, rekel; ploert: —rish = hondsch, norsch; subst. —rishness.
Curability, kjurəbiliti, geneeslijkheid; Curable, kjûrəb’l, geneeslijk; subst. —ness = geneesbaarheid.
Curaçao, kûrasou, Curaçao.
Curacy, kjûrəsi, ambt van een Curate, kjûrit, een door den Rector bezoldigden hulppredikant; zij worden òf levenslang aangesteld (Perpetual) òf “on six months’ notice” (Temporal). In het eerste geval noemt men ze thans Vicars; Curateship = Curacy.
Curative, kjûrətiv, genezend; geneesmiddel.
Curator, kjureitə, kjûrətə, curator; —ship.
Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= —-chain); trottoirband (= —stone); spat (bij paarden); beperking, dwang; — verb. beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen: To put a sharp — upon = streng in toom houden; —-roof = mansarde (dak).
Curd, kɐ̂d, subst. wrongel, geklonterde melk (gew. Meerv.); — verb, klonteren, (doen) stremmen; —le = (doen) stremmen, stollen, klonteren: This novel is a regular —ler = een echte sensatieroman; —y = geklonterd.
Cure, kjûə, subst. genezing, herstel; zielzorg, geneesmiddel; — verb, herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen, rooken, drogen: He has a — of souls = is de zielverzorger van..; This hamlet is in his — = de zielzorg... is hem toevertrouwd; I will — him of his cheek(iness) = zijne brutaliteit afleeren; My mother —d the servant of followers = leerde af er vrijers op na te houden; What cannot be —d must be endured = men moet zich in het onvermijdelijke schikken; —-guest = badgast; —r = genezer, geneesmiddel; inzouter, rooker; —less = ongeneeslijk.
Curfew, kɐ̂fjû, poortklok; vieravond; avondklok = —-bell.
Curialistic, kjûriəlistik, tot de curie behoorend.
Curing-house, kjûriŋhaus, suikerraffinaderij; zouterij.
Curio, kjûrjou, rariteit; Curiosity, kjûriositi, nieuwsgierigheid, zonderlingheid, rariteit: —-monger = nieuwtjeslooper; —-shop = winkel met antiquiteiten; Curious, kjûriəs, zonderling, zeldzaam, keurig, nieuwsgierig, moeilijk te voldoen; subst. —ness; Curioso, kjûriousou, verzamelaar v. —s; zonderling.
Curl, kɐ̂l, subst. krul, golving, kronkeling; aardappelziekte; — verb. krullen, kronkelen, golven, kabbelen; —er = Curling speler; —iness = krulligheid; —ing = een spel op het ijs waarbij groote gladde steenen met handvat naar een doel, de tee, worden geslingerd (Schotl.); —ing-tongs (—-irons) = frizeerijzer; —y = gekruld, krullig, golvend.
Curlew, kɐ̂ljû, wulp.
Curmudgeon, kɐ̂mɐdž’n, vrek, onaangenaam mensch, vlegel; —ly = vrekachtig.
Currant, kɐr’nt, krent, aalbes (= Red —), zwarte aalbes (= Black —), kruisbes (= Rough —); —-cake.
Currency, kɐr’nsi, stroom, loop, omloop, circulatie, gangbaarheid, waarde, koers, gangbare munt, schatting; Current, kɐr’nt, subst. stroom, loop; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of aangenomen, loopende, tegenwoordige: To pass — = gangbaar zijn; Atmospheric —s = luchtstroomen, winden; The — month = loopende; Of this — = dezer (maand) = instant; He reported it —ly = vertelde het overal.
Curricle, kɐrik’l, subst. een licht 2-wielig rijtuig gewoonlijk met twee paarden; Curriculum, kərikjəlɐm, cursus (aan Schotsche universiteit, etc.).
Currier, kɐriə, leertouwer; —y = ambacht of werkplaats van een currier.
Curry, kɐri, subst. kerrie; — verb. met kerrie (—-powder) kruiden; leer touwen (opmaken na het looien); roskammen, afranselen: He curried favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te komen; —-comb, kɐrikoum, roskam.
Curse, kɐ̂s, subst. vloek, vervloeking, verdoeming; — verb. vloeken, vervloeken, bezoeken, teisteren: I do not care a — = ik geef er geen lor om; A —d calumniator = vervloekte lasteraar.
Cursitor, kɐ̂sitə, vroegere griffier in het Court of Chancery.
Cursive, kɐ̂siv, subst. en adj. loopend (schrift); Cursores, kɐ̂sôrîz, loopvogels; Cursoriness = vluchtigheid; Cursory, kɐ̂səri, haastig, vluchtig.
Curt, kɐ̂t, kortaf, barsch; subst. —ness.
Curtail, kɐ̂teil, verkorten, verminderen, beperken; afsnijden, kortstaarten; subst. Curtailment = verkorting, enz.
Curtain, kɐ̂tin, subst. gordijn (van bed, enz.). schuifgordijn of overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel); tusschenwal, die twee bastions verbindt; — verb. met gordijnen omsluiten, omhullen: Nothing could — in the tender light of her eyes = verdonkeren; —-lecture = bedsermoen; —-raiser = vóórstukje; —-rings.
Curtal, kɐ̂t’l, subst. hond met korten staart (= —-dog); adj. m. korten staart, beknopt.
Curtilage, kɐ̂tilidž, erf.
Curtle-axe, kɐ̂t’laks = Cutlass.
Curts(e)y, kɐ̂tsi, subst. dienaresse, buiging; — verb. eene buiging maken = To drop (make) a —.
Curule, kjûrûl, adj. curulisch: — seat = curulische stoel, ambtelijke zetel; — triumph = zegetocht.
Curvation, kɐ̂veiš’n, kromming = Curvature, kɐ̂vətšə; Curvate(d), kɐ̂veit(id), gekromd, gebogen; Curve, kɐ̂v, subst. kromme lijn, bocht; adj. gebogen (Curving); — verb. regelmatig buigen of krommen.
Curvet, kɐ̂vet, kɐ̂vət, subst. korte boogsprong; bokkesprong; — verb, springen, dartelen.
Curviform, kɐ̂viföm, boogvormig; Curvilineal, kɐ̂vilinj’l, kromlijnig.
Cushat, kɐšət, kušət, ring- of woudduif.
Cushion, kuš’n, subst. kussen, buffer, samengeperste stoom (lucht), biljartband; — verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een bal bij den band brengen; over de band spelen (Amer.), smoren; —et = kussentje; —y = week; dik en vet.
Cusp, kɐsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, oneffenheid (in het ijs; ook purl genoemd); —idate(d), spits uitloopend.
Cuss, kɐs (= Curse), (baloorige) vent (Amer.); —edness = boosaardigheid, dwarsheid (Am.).
Custard, kɐstəd, vlade; —-cup = vladeglaasje of -kopje.
Custodian, kɐstoudj’n, custos, conservator, voogd; adj. Custodial; Custody, kɐstədi, bewaring, hoede, hechtenis.
Custom, kɐst’m, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering; inkomend recht; jaarlijksche offerande van menschen (bij de Ashantijnen): He lost her — = klandizie; It was the (a) — with them = was gebruikelijk bij hen; —s = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook Duties); —-free = onbelast; —-house = douanenkantoor; —-house officer = tolbeambte; —-law = tariefwet; —able = belastbaar; —ariness = gebruikelijkheid; —ary = gewoonlijk, gebruikelijk: —ary law = gewoonterecht; —er = klant, kwant: I know my —ers = ik ken mijn volkje; A queer —er = rare klant.
Custos, kɐstos, bewaarder: — brevium = griffier (bij het vroegere Court of Common Pleas. Zie Court); — rotulorum = vrederechter van een graafschap, en bewaarder der akten van de Quarter Sessions.
Cut, kɐt, subst. snede, hak, gapende wonde; houw, zweepslag, schok; kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, coupon, prent, plaat, het coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit; — verb. snijden, slijpen, afsnijden, verdeelen, hakken, kappen, maaien, diep treffen of aandoen, bijten, grieven, coupeeren (van kaarten), drukken; zich snijden, uitsnijden, een kuitenflikker slaan: Let us draw —s = laten we er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); He gave me the — = negeerde me; He took a short — = nam den kortsten weg; A —-and-come-again = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich naar hartelust kunnen bedienen; A — and dried theory = pasklaar gemaakte; The —-and-thrust hero in a melodrama = de vechtersbaas; He is of the same — with the rest = van het zelfde slag; That was an unkind — indeed = dat was al heel onhartelijk; That’s where it —s = dat is het pijnlijke ervan; Let us — = uitsnijden, er van door gaan; To — an acquaintance = negeeren, niet willen kennen; — your scientific cackle = schei uit met je wetenschappelijk gewauwel; He — a caper = hij maakte een bokkesprong; — your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; He —s a dash = maakt veel vertoon; He — a noble figure = speelde een mooie rol, gedroeg zich kranig; I will — the lecture = ga niet naar ’t college; To — to pieces = in stukken snijden, hakken; To — somersaults = buitelingen maken; He — his stick = schuurde zijn piek; To — one’s wisdom-tooth = zijn verstandskies krijgen; Let us — across here = laten we hier dwars oversteken; To — asunder = scheiden; — away = ga je gang; To — both ways = voor tweeërlei uitlegging vatbaar; To — dead = volkomen negeeren; To — it fat = opsnijden; To — up rough = grof worden; To — short = in de rede vallen en den mond snoeren; The premier was —ting down trees = was bezig met boomen omhakken; — down = afbikken, afhakken, verkleinen, besnoeien; Here the old woman — in = viel in de rede; I tried to — in, but my samples did not please him = trachtte mijn artikel er in te werken; He was — off in the midst of his work = afgeroepen (door den dood); He was — off with a shilling = onterfd = — out of the will; I shall try to — him out = ik zal trachten, hem een beentje te lichten; He — me out with a woman = hij drong zich in mijne plaats bij; He is — out for a teacher = voor onderwijzer geknipt; He could not — out a coat = geen jas knippen; The piece of cloth was — up = doorgesneden; He was — up by his friend’s death = kapot van; The book was — up by all the critics = werd doorgehaald; He has — up well = veel geld nagelaten; Don’t — up rusty about it = word er maar niet boos om; That merchant — under = verkocht de goederen onder de waarde; A —-glass water-bottle = waterkaraf van geslepen glas; A —-away coat = jas met rondgesneden panden; —-grass = galigaan; —purse, kɐtpɐ̂s, gauwdief, zakkenroller; —-throat = moordenaar; adj. moorddadig; —water = bruggehoofd, golfbreker, scheepsneb; —worm = larve van een uiltje; Cutter = hakker, snijder, coupeur, mes; kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.); —s = steenen, gebruikt om de bogen van vensters enz. te maken: To play —s = een pandspel (“Alle vogels vliegen”); Cutting = subst. scheiding, verdeeling, reepje, uitgraving (v. een heuvel, om kanaal of weg te maken); adj. scherp, grievend: He sent me several —s from the London papers = courantenreepjes, uit de bladen geknipt; — sorrow = schrijnende smart.
Cutaneous, kjuteinjəs, tot de huid behoorend, huid...
Cutch, kɐtš = Catechu.
Cute, kjût. Zie Acute.
Cuticle, kjûtik’l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular = huid..; Cutis, kjûtis, huid.
Cutlass, kɐtləs, breede kromme sabel, hartsvanger.
Cutler, kɐtlə, messenmaker; —y = messenmakerszaak, scherpe werktuigen.
Cutlet, kɐtlət, cotelette.
Cuttle(-fish), kɐt’l(fiš), inktvisch.
Cutty, kɐti: —pipe = neuswarmertje; —-sark = vrouwenhemd; —-stool, kɐtistûl, vrouwelijk zondaarsbankje in Schotsche kerken in vroeger tijd.
Cuvette, kjuvet, lepelvormig chirurgisch instrument; steenen smeltkroes.
Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting van Centum + weight) ± 50,8 K.G. Zie Hundred-weight.
Cyanogen, saianədžen, cyaan; Cyanosis, saiənousis, blauwziekte.
Cybele, sibəli; Cyclades, siklədîz.
Cyclamen, sikləmen, alpenviooltje.
Cycle, saik’l, subst. kringloop, tijdkring, cyclus (van legenden), rijwiel; — verb. ronddraaien, fietsen: — of indiction = tijdperk van 15 jaar; — of the moon, of Metonic — = guldengetal = tijdperk van 19 jaar, waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren: — of the sun = zonnecirkel (28 jaar); To — over from X.; Cycling-costume (—-tour) = fietskostuum (-tocht); Cyclist = Cycler.
Cyclic(al), siklik(’l), tot een cyclus behoorend: — poets = navolgers van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner epische poëzie kozen; — chorus = het koor te Athene dat, zingende, om het altaar van Bacchus danste.
Cyclone, saikloun, cycloon, wervelstorm; adj. Cyclonic.
Cyclopaedia, saikləpîdjə, encyclopaedie; adj. Cyclopaedic of Cyclopaedic.
Cyclopean, saikləpîən, tot de Cyclopen behoorend; reusachtig; Cyclops, saiklops; meerv. Cyclopes, saikloupîz.
Cyclorama, saiklərâmə, cyclorama.
Cyclostyle, saikloustail, cyclostile.
Cygnet, signət, jonge zwaan.
Cylinder, silində, cylinder, wals, rol, ziel, kaliber: A green tin — = botaniseerbus; adj. Cylindric(al); Cylindriform.
Cymar, saimə, simâ, licht opperkleed, sjerp.
Cymbal, simb’l, bekken.
Cymbiform, simbiföm, bootvormig.
Cymric, kimrik, Kimbrisch; Cymry, kimri, Kimbren; An old Cymro.
Cynic, sinik, subst. cynisch persoon; adj. hondsch, cynisch; —s = de school der cynische wijsgeeren (door Antisthenes gesticht); adj. —al; —ism = cynisme.
Cynosure, sinəšə, sainəšə, middelpunt v. aantrekking; de kleine Beer; poolster, leidster.
Cynthia, sinthiə.
Cypher, Zie Cipher.
Cypress, saipres, cypres; soort krip; adj. gestreept.
Cyprian, sipriən, van Cyprus; Cypriote, sipriout, bewoner van C.; Cyprus, saiprəs; Cyprus; krip.
Cyrus, sairəs.
Cyst, sist, blaas, beursgezwel; —ic worm = lintworm; Cystitis, sistaitis, ontsteking van de blaas.
Cytherea, sithərîə; adj. Cytherean.
Czar, zâ, keizer, czaar; Czarevna, zârevnə, vrouw van den czarewitz; Czarina, zârînə, keizerin, vrouw van den czaar; Czarowitz, zârəvitš, oudste zoon van den czaar.
Czech, tšek, Czech; Czechisch(e taal).
D.
D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny); damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had, would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. = Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) = Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor; D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto; Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. = D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).
Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei platvisch); meester, kraan; — verb. zacht kloppen (met een vochtig of zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a — at cricket = knap in; She —bed at her hair with a brush = ging hier en daar even over; —ber = hij die clicheert; tampon; —ster = meester, kraan.
Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien, liefhebberen: He —d at his forehead with a pocket-handkerchief; He —s in politics = liefhebbert in; —r = knoeier, stumper.
Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.
Da Capo, dâkâpou, Da Capo.
Dace, deis, serpeling of witvisch.
Dacia, deišə, Dacië; —n, Dacisch.
Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); —age, —y = rooverij door —s.
Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); —ar, —ic, daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; —ioglyph, daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; —ology, daktilolədži, vingerspraak.
Daddle, dad’l, waggelen.
Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug; hooiwagen; langbeenig mensch.
Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van lambrizeering.
Daedalus, dedəlɐs.
Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.
Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. —ness.
Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); — verb. doorsteken: At —s drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen voet; To look —s at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To speak —s to a person = vlijmscherp toespreken; —-plant = Jucca.
Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; —-tail = slordevos, = —-tailed = slordig, bevuild.
Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend matroos.
Dagonet, dagənet.
Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; — verb. daguerreotypeeren.
Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl.
Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.
Dahomey, dəhoumi.
Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: — News = naam van een Eng. dagblad.
Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).
Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid, lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig, sierlijk, fijngevoelig: My — = lieve; ’Don’t be —’ = (opschrift op een) slabbetje; —-mouthed = kieskeurig.
Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; —-farm = melkboerderij; —-house = melkhuis; —maid = melkmeid; —man = melkboer.
Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.
Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow = vol madeliefjes; —-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; —-picker; Zie Gooseberry-picker.
Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.
Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; —-hen, wachtelkoning.
Dakoit, dakôit = Dacoit.
Dakota, dakoutə; adj. —n.
Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.
Dale, deil, dal; —sman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland.
Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.
Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen, treuzelen, talmen.
Dallop, daləp, bosje (gras).
Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; —n = Dalmatiër, Dalmatisch.
Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.
Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.
Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm, kleurenblindheid.
Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.
Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); — verb. stuiten, afdammen.
Dam, dam. Zie Dawm.
Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; — verb. beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the —? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? —s = schadevergoeding; —able = beschadigbaar; —d = beschadigd, bedorven.
Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum); adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.