Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 126
Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; — verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippen (van eene kar), toppen (van ra’s), omvallen, schenken, eene fooi geven, intieme wenken of inlichtingen geven: — of a cigar, the nose, the tail; The pendants shook in the —s of her pretty ears = lellen; She is a lady to the finger —s = op en top; That is a straight — = duidelijke wenk; I don’t know where he gets his —s = waar hij zijne inlichtingen vandaan haalt; He gave me the — = hij waarschuwde mij, gaf mij een wenk; —-car(t) = kipkar; —-cat = timp, tip (ook het spel); —-staff = staf, gerechtsdienaar; —-tilted = opgewipt; He —ped me a guinea = gaf me; To — all nine = alle negen omwerpen; Have you —ped the servant? = heb je een fooi gegeven; He —ped me the wink = gaf me een teeken, een wenk; The minister had been —ped the wink as to the writer of the pamphlet = den minister was heimelijk een wenk gegeven; He —ped the liquor off = gooide “’m” om; The new seats in the theatre — up of their own accord the instant they are vacated = wippen op zoodra men opstaat; —-up seats = klapstoelen; —ping system = fooienstelsel.
Tipperary, tipərêri: — lawyer = korte eiken knuppel.
Tippet, tipət, pelskraag, sjerp, kraag.
Tipple, tip’l subst. drank, geliefkoosde drank; — verb. pimpelen: A place of — = kroeg; This wine is first-rate — = is uitstekend; —r = drinkebroer; Tippling-house = kroeg.
Tipsiness, tipsinəs, subst. v. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten; —-cake = amandelpudding of gebak met madera of iets dergelijks.
Tiptoe, tiptou, subst. punt van de teen; adj. en adv. op de teenen, tersluiks; — verb. op de teenen loopen: He was (stood) on — = stond op de teenen, was zeer nieuwsgierig, in gespannen verwachting; We are on the — of expectation = in gespannen verwachting.
Tiptop, tiptop, subst. bovenste beste; adj. zeer goed, uitstekend, bovenste beste: A — education = voortreffelijke opvoeding; A —per = banjer, iets heel bijzonders.
Tirade, tireid, tirade; loopje (muz.).
Tirailleur, tiral(j)ɐ̂, scherpschutter.
Tire, taiə, subst. wielband, drijfriem; kleeding, tooi; afmatting; — verb. uitputten, vermoeien, vervelen, afmatten: tooien, (op)kleeden; een band doen om: Cushion (Pneumatic) — = luchtband; This “—d” me = dit verveelde me (Amer.); He soon —d of it = werd het spoedig “beu”; I am —d out = doodop; I am —d to death = doodmoe: He —d me to death = heeft mij doodelijk verveeld; I am —d with (of) listening to your complaints = ben moe (ik heb genoeg) van; Air-—d bicycles = rijwielen met luchtbanden; Dog —d = bekaf; —dness = vermoeidheid, uitputting; —less = onvermoeid; subst. —lessness; —some, taiəs’m, afmattend, vermoeiend, vervelend; subst. —someness; Tiring: —-room = kleedkamer (voor acteurs); —-woman = kamenier (van een actrice).
Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro.
Tirra-lirra, tirəlirə, tiereliere, trara, etc.
Tirw(h)it, tɐ̂(h)wit, kievit.
’Tis, tiz, samentr. van It is.
Tisic(k), tisik; Zie Phthisic.
Tisri, tizri, eerste maand van het burgerlijk jaar (Israël.).
Tissue, tišu, subst. fijn weefsel, goud- of zilverlaken, aaneenschakeling, zijdepapier (—-paper); — verb. weven, doorweven, schakeeren: It is a — of lies = weefsel, reeks v. leugens.
Tit, tit, subst. graspieper, meesje; paardje; stukje, brokje, tikje; — verb. tikken, gooien: I gave him — for tat = gaf hem leer om leer; Why should I — up for it? = er om opgooien; —-bit = lekkernij, iets fijns.
Titan, tait’n, zon, Titan; vr. —ess; Titania, t(a)iteinjə, Titania, de feeënkoningin en vrouw van Oberon; Titanic, taitanik, titanisch, reusachtig.
Tith(e)able, taidhəb’l, tiendbaar; Tithe, taidh, tiende; — verb. tienden heffen; Tithing, taidhiŋ, het heffen van tienden; getal van tien huismannen; Tithing-man = hoofd van een Tithing; in Amer. kerkelijk opziener, ambtenaar belast met het toezicht op de Zondagsviering.
Titillate, titileit, kietelen, prikkelen; subst. Titillation.
Titivate, titiveit, opdirken, opzichtig kleeden.
Titlark, titlâk, graspieper = Titling.
Title, tait’l, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak, eigendomsrecht; — verb. betitelen, noemen: To bear a — = titel dragen; To have a — to = gerechtigd zijn tot; He took possession by the clearest — = met de duidelijkste (volste) aanspraken; —-deed = eigendomsacte of -bewijs; —-page = titelblad; —-rôle = titelrol; A —d gentleman = adellijk; —less = zonder titel.
Titmouse, titmaus, mees.
Titrate, t(a)itreit, titreeren; subst. Titration.
Titter, titə, gichelen, wippen; subst. gegichel: Every one around them was in a — = aan het gichelen.
Tittle, tit’l, subst. stip, iota; — verb. wauwelen, babbelen: That is it to a — = precies; —-tattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar; adj. wauwelend; — verb. wauwelen; —-tattler = snapper.
Tittlebat, tit’lbat, stekelbaarsje.
Titty-wagger, titiwagə, leugentje.
Titular, titjulə, titulair, in naam; subst. titularis (die ’t ambt niet zelf uitoefent): — office = eereambt.
Titus (Brown), brauntaitəs, gewone volksetymol. verbastering van Bronchitis.
Tiver, t(a)ivə, subst. roode oker om schapen te merken; — verb. merken.
Tiverton, tivət’n.
Tizzy, tizi, sixpence.
To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor, vergeleken met: As — this question, I am sorry, I can’t act according — your wish = wat betreft..., overeenkomstig; — it again = maar weer opnieuw; The horses are — = zijn voorgespannen; He pulled the door — = trok dicht; They were singing — the strumming of a guitar = zongen bij; They were sitting — breakfast at a little table = ontbeten; He took my sister — wife = nam tot vrouw; To swing — and fro = heen en weer; Don’t come — and fro but wait = kom niet telkens aanloopen; That is death — the patient = de dood van den patient; He took a liking — her = vatte liefde voor haar op; That is nothing — what I saw = haalt niet bij; That’s pleasant — the palate, taste = doet weldadig aan; — the best of my ability (abilities) = zoo goed ik kan; it was war — the death (knife) between them = strijd op leven en dood; I told it him — his face (teeth) = in zijn gezicht; He is kind — a fault = eigenlijk te goed; We were singing — our hearts’ content = naar hartelust; — his eternal honour be it said = tot zijn onvergankelijke eer; Described — the life = getrouw naar het leven; They were — a man in white gloves = droegen allen zonder onderscheid; It is ten — one that he’ll come = het is tien tegen één; A quarter — three = kwart vóór drie; Done — a turn = precies gaar; He exerted his powers — the utmost = spande zijne krachten tot het uiterste in.
Toad, toud, pad(de); —-eater = lage vleier, pluimstrijker; —-eating, subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; —-fish = padvisch; zeeduivel; —-flax = gewone vlasbek; —-spit = kikkerspog; —-stone = paddensteen (= versteende zeewolfstand); basaltporfier; —-stool = paddestoel; —y, subst. lage vleier; — verb. laag vleien: He toadies to the great = loopt achterna; —yism = kruiperij, lage vleierij.
Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; — verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden: She was the — of Bath = zij was de gevierde schoone van B.; On — = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a person on — = in ’t nauw brengen; To give (propose) a — = instellen; I — your health = stel een dronk in op; —-master = ceremoniemeester, die bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat vullen; —-rack, —-stand = standertje voor geroosterd brood; —er = ijzer of vork om te roosteren; —ing-fork = roostervork; slakkensteker (iron. voor degen).
Tobacco, təbakou, tabak; —-box = kistje; —-pipe = tabakspijp; —-pipe-clay = pijpaarde; —-pouch = tabakszak; —-stopper = instrument om (brandende) tabak in de pijp neer te drukken; —-wrapper = dekblad; Tobacconist = tabaksverkooper (—fabrikant).
Tobias, təbaiəs.
Tobine, toubin, soort taf.
Tobit, toubit.
Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); — verb. bergaf glijden in sleden; —-slide = glijbaan; —er, —ist.
Toby, toubi.
Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); — verb. een bruidsschat geven; —less = zonder bruidschat.
Tocqueville, toukvil.
Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.
Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; —-stove = houtkacheltje (Amer.).
To-day, tudei, vandaag: — a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk, morgen arm; — is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het heden; — me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One — is worth two to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.
Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; — verb. waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll — = en dan gaan we opstappen; We have not begun to — yet = we gaan nog niet familiaar met elkaar om; He —s on at my side, and dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort; —r = klein kind.
Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.
Toe, tou, subst. teen; — verb. met de teenen aanraken, teenen aanbreien: From top to — = van top tot teen; To tread on a person’s —s (ook fig.); He has turned up his —s (to the daisies) = is het hoekje om, is dood; — the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To — a person = een schop geven; —less.
Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; —ish = piekfijn, banjerig; subst. —ishness.
Toffee, Toffy, tofi, kokinje.
Toft, toft, boschje; hofstede; —man.
Tog, tog, (meest —s) plunje; — verb. kleeden: In full — = groot tenue; I have —ged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.
Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s — round one = zich in zijn toga hullen (ook fig.).
Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has rained for four days — = vier dagen achtereen; By the hour — = een uur lang.
Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); —-joint = knieverband (bouwk.).
Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew. meervoud); — verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the —s = in onze macht; He was —ing it up the mountain = bracht het zwoegend den berg op; —-worn = doodaf; —er = zwoeger; —some = zwaar, afmattend; subst. —someness.
Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her —, making her — = bezig haar toilet te maken; She hurried through her — = maakte haastig toilet; —-paper = closet-papier; —-sponge.
Toison, tôiz’n, schapevacht: — d’or = Gulden Vlies.
Tokay, təkei, Tokayer (wijn).
Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In — of = ten bewijze; —-money = noodmunt of -penning; —ed = met teekens of vlekken.
Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.
Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.
Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.
Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. —ness; I am tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be — of = kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen, toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show — = verdraagzaam zijn.
Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting, maalloon; langzaam en statig klokgelui; — verb. belasten, luiden, slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) — = eischen; Thoughts pay no — = zijn tolvrij; To — the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell —ed one = sloeg één; —-bar = tol- of slagboom; —booth = tolhuis, gevangenis; —-bridge = tolbrug; —-collector = gaarder; —-corn = maalloon (in den vorm van koren); —-gate = tolhek; —-gatherer = tolgaarder; —-house = tolhuis; —-man = gaarder; —-money; —-union = tolverbond; —able = belastbaar; —age = tol, belasting; —er = tolgaarder, klokluider.
Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= —-cat): I can’t answer every —, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman; —boy = wildzang; —fool = kwast, hansworst; — verb. zich gek aanstellen; —foolery: A piece of —foolery = een gekkenstreek; — Tiddler’s ground = luilekkerland; —noddy = ezel, domkop. Zie Tommy.
Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; — verb. met een tomahawk dooden: To bury (dig up) the — = vrede sluiten (den strijd beginnen).
Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; —-sauce = tomatensaus.
Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; — verb. begraven, in eene graftombe bijzetten; —-stone = grafsteen; —less.
Tombac, tombək, tombak.
Tombola, tombələ, tombola.
Tome, toum, (zwaar) boekdeel.
Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig, met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.
Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).
Tommy, tomi, (= — Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen winkelnering; — verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go — Dodd for it = er om opgooien; It’s all —-rot = klets; —-shop; —-system = het stelsel van gedwongen winkelnering.
To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into — = vloog in de lucht; — morning = morgenvroeg.
Tompion, tompj’n, stop(per), prop.
Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.
Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); — verb. trommelen.
Ton, ton, toŋ, mode.
Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige artikelen. Zie Tonnage.
Tonal, toun’l, toon...; —ity, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our Wilhelmus in the old —ity = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; — verb. een toon geven of hebben: To — down = temperen, verzachten; The colour —s gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over; —-syllable = beklemde lettergreep; —less = toonloos, onwelluidend; subst. —lessness.
Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).
Tongres, touŋgə, Tongeren.
Tongs, toŋz, tang; — verb. met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of — = eene tang; To marry over the — = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch her with the longest pair of — in all the devil’s kitchen = ik zou haar met geen tang willen aanraken; The — and the bones = ketelmuziek, mopjes: A few people like classical music, but a very much larger majority prefer the — and the bones.
Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp), leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the — = eene vergissing; To bite one’s — = zich bijten op; It fell from my — before I knew it = het ontglipte me; To find one’s — = woorden vinden; To give — = aanslaan; I have it on the tip of my —, at my —’s end = het ligt mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily —, a well-oiled — = eene gladde, radde tong; Hold your — = houd je mond; To shoot out one’s — = uitsteken; He thrust his — in his cheek = keek ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s — = rammelen; —-bone; —-lashing = scheldpartij; —-tied = sprakeloos: He stood —-tied; —-twister = moeilijk uit te spreken woord; —d = met eene tong (in samenst.): —d boards = geploegde planken; —less = zonder tong, sprakeloos; —y = rad van tong, met mooie praatjes.
Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; — solfa = het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; — spasm = rechtstijvigheid.
To-night, tunait, van avond, van nacht.
Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of — = meetbrief; — and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; —-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip van 40 t.
Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. —lary; Tonsillitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen.
Tonsure, tonšə, tonsuur; —d = met eene tonsuur.
Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van verzekering.
Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.
Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather — — = dat is wel wat al tè; Jealous — = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite — = bovenmate.
Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).
Took, tuk, imperf. van to take.
Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; — verb. vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen voorzien: Gold —ing = proces om banden van boeken te versieren met vergulde stempels; —-box (-chest) = gereedschapskist; —-house.
Toom, tûm, adj. ledig; — verb. ledigen.
Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was —ing; —er = blazer, toeter.
Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor de voeten; The baby has cut its first — = gekregen; To clench one’s teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; To have a — drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken; He has a sweet — = is een zoetekauw; To get rather long in the — = aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden laten zien (ook fig.); To defend — and nail = met hand en tand; A set of artificial teeth; Canine, Corner — = hoektand; Cutting — = snijtand; Double, Grinding — = kies; False —; Milk —; Wisdom —; —-ache = tand- of kiespijn; —-brush = tandenborstel; —-drawing = het tandentrekken; —edge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; —-key = sleutel om tanden te trekken; —-paste = pasta; —pick = tandenstoker; —-powder = tandpoeder; —-socket = tandkas; —-wheel = tandrad; —ed = met tanden; —ful = mondje-vol; —ing = het tanden krijgen of wisselen; —less; —let = tandje; —letted = fijn getand; —some = lekker, smakelijk; subst. —someness.
Tootle, tût’l, toeteren, blazen.
Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap, opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste, voornaamste, uiterste; — verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s), bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen, voltooien, etc.: He is at the — of his class = nummer één; To be at the — of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the — of his voice = zoo hard hij kon; From — to bottom = van onder tot boven; I have slept like a — = als eene roos, als een otter; On the — of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to the poll on the — of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on the —, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are stories without — or tail = verhalen zonder kop of staart; The — of a loaf = bovenste, kapje; The — of the morning to you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The — (bottom, lower end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; — value = hoogste prijs of noteering; This trip —s and caps all others = overtreft (bekroont); —-boots = laarzen met gekleurde kappen; —-branch = hoogste tak; —-cloth = vinkennet (zeeterm); —-coat = overjas; —-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; —-dress, subst. bovenmest; — verb. de oppervlakte bemesten; —-dressing = bovenmest: To put a fair —-dressing of gentility on a person = een aardig vernisje van beschaving; —gallant, subst. bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; —-heavy = topzwaar, dronken; —-hole = prima; —-knot = kuif, strik op het hoofd; —-knotted = verwaand, pedant; —-lantern; —-light = toplicht; —-mast = steng; —-sail = marszeil; —-sawyer (-man) = bovenste van twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); —-soil = bovengrond; —-stone = deksteen; The haystack was —ped off = voltooid; —ped off with gold and silver = versierd met; They —ped up with that work = zij eindigden met; Some cream to — up with = nu nog wat room na; Zie Topper.
Topaz, toupəz, topaas; —olite, təpazəlait, gele granaat.
Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; — verb. zuipen, veel drinken; —r = zuiplap.
Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).
Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).
Topi, təpî = Topee.
Topiary, toupjəri: — work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz.
Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; —al song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no —al interest whatever in the paper = niets actueels.
Topmost, topmoust, hoogste.
Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l), topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.
Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A — for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A — passion = alles beheerschende hartstocht.
Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle —d to the earth = viel in.
Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; — verb. onderstboven keeren: To turn everything —; Topsyturvyfication = omvergooiing: The book is a regular — of morality = gooit alle moraliteit omver.
Toque, touk, Toquet, təkei, toque.
Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.
Torch, tötš, toorts; —-bearer = fakkeldrager; —-dance, fakkeldans; —-light, subst. fakkel- of toortslicht: —-light procession = fakkeloptocht; —-race = fakkelwedloop; —-thistle, fakkeldistel.
Tore, tö, imperf. van to tear.
Toreador, toriədö, toreador.
Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.
Torment, töment, martelen, pijnigen; —er, —or = kwelgeest, soort eg, lange vork; —ress = kwelster.
Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.
Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.
Torn, tön, part. perf. van to tear.
Tornado, töneidou, tornado.
Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.
Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon; sidderrog; — verb. torpedeeren; —-boat = torpedoboot; —-catcher, —(-boat) —-destroyer = torpedojager; —-net = torpedonet.
Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst. tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: —s = roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = —ness = verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.
Torquay, tökei, töki.
Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen.
Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: — of lava; The rain came down in —s = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig: — applause, enthusiasm.
Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.
Torrid, torid, verzengd, brandend: — zone; subst. —ness.
Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing, terugdraaiing; adj. —al.
Torsk, tösk, dorsen (visch).
Torso, tösou, romp.
Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of —s, or: a Treatise on the Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.
Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.
Tortoise, tötəs, (land)schildpad; —-shell, subst. en adj. (van) schildpad; —-shell cat = geelbruine.
Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi, kronkeling, kromming, slinkschheid.
Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. —ness.
Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: — verb. kwellen, martelen, verdraaien: To put to the —; — of animals = dierenmishandeling; —r.
Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.
Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; —ism = de beginselen der conservatieve partij.
Tosh, toš, onzin.