Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 95

Chapter 953,312 wordsPublic domain

Quash, kwoš, subst. Zie Squash; — verb. plat drukken, verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was —ed = het vonnis werd vernietigd.

Quasi, kweis(a)i: — nobility = de Baronets.

Quasimodo, kwasimoudou: — Sunday = eerste Zondag na Paschen.

Quass, kwas, kwass, een Russische drank.

Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel hiervan.

Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier, vierlettergrepig woord.

Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.

Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; — verb. trillen, vibreeren, met trillers zingen; —er.

Quay, kwei.

Quay, kî, subst. kaai; — verb. van kaaien voorzien; —age = kaai- of werfgeld.

Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.

Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk, sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.

Quebec, kwibek.

Queen, kwîn, subst. koningin; — verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to — = dam maken; — of the meadows = Meadowsweet; —-apple = renet; —-bee = bijenkoningin; — consort = gemalin van den koning; — dowager = koninginweduwe; — mother = koninginmoeder; — regent = koningin-regentes; — regnant = regeerende koningin; —’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; —’s-carriage = gevangeniswagen; —’s-counsel = rijksadvocaat; —’s English = zuiver Engelsch; —’s-head = postzegel (met de beeltenis der koningin); —’s-metal = wit zilver; The —’s Speech = Troonrede; —’s ware = geglazuurd crêmekleurig aardewerk; —’s weather = prachtig weer; —hood = koninginneschap; —like, —ly = als eene koningin.

Queenborough, kwînbərə.

Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit zijn humeur, valsch: A — bill = onsoliede wissel: I am in — Street = ik heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather — to-day = ik voel me niet lekker vandaag; —ish = vrij zonderling; —ness = zonderlingheid.

Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was —ed = het oproer werd gedempt; —er.

Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren; —able = wat gedempt of gelescht kan worden; —er = domper, een “glaasje”; —less = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.

Quercus, kwɐ̂kəs, eik.

Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. —ness.

Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).

Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. —ness.

Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; — verb. vragen (naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: —, which of the two is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.

Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; — verb. zoeken naar, onderzoeken: The — of the Holy Grail; To be in (To go in) — of = (gaan) zoeken naar; A fresh and —ing mind = onderzoekende geest; —er = speurhond.

Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; — verb. vragen, ondervragen, betwijfelen: —! = Ter zake! uitroep als een spreker in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) — = de vraag; If it is a fair — = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is; The previous — = de prealabele kwestie; Beside the — = er buiten; The point in — = het punt van discussie; That is altogether out of the — = daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a — = hij is het ongetwijfeld; It is a — of time; There is no — about it = geen twijfel aan; To ask a — = eene vraag doen; He begged the — = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The —-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is calling for the — = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was called in — = werd betwijfeld; —s will be invited at the close of the meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the — = ten huwelijk vragen; To put a leading — = een vraag doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to — = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a — to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the — = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan; This — is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you — with a cruel man = dat gij te doen hebt; —-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); —ability = twijfelachtigheid; —able = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst. —ableness = betwijfelbaarheid; —er = vrager, onderzoeker; —less = ongetwijfeld.

Questor, kwestə, Zie Quaestor.

Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a — = “queue” maken.

Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht, voorwendsel: — verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn, woordspelingen maken; —r.

Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug, levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To cut (sting, touch) to the — = tot in ’t levende vleesch snijden, een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); — ear = fijn gehoor; — of ear = scherp van gehoor; — eye = scherpe blik; — of scent = met fijnen neus; — of sight = scherp van gezicht; The — and the dead = de levenden en de dooden; Be — about it = gauw wat; He is — at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a —-answered boy = gevat jongetje; —-beam = gewone lijsterbes; —-eyed = scherp van gezicht; —-fence = levende haag; —-grass = kweek; —lime = ongebluschte kalk; —-march = versnelde pas; —-match = gezwinde lont; —sand(s) = drijfzand; —-scented = met fijnen reuk; —set = uit levende planten bestaande (—set hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); —-sighted = scherp van gezicht; —silver = kwikzilver; —silvered = met kwikzilver bedekt; —-step = —-march; —-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double —-time = in den looppas; —-witted = scherpzinnig, gevat; —en = levend worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for the — = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the — = dit tempo aannemen; —ener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; —ness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.

Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).

Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.

Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; —r = beuzelaar.

Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke tinnegieter.

Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); —nce, —ncy = rust; winterslaap; het stom zijn; —nt, subst. stomme letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: — draught (powder).

Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; — verb. kalmeeren, doen bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a — dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A — dress = stemmige japon; A — horse = mak; It’s the way with all these — ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ — = rust; Let me be — = laat me met rust; He kept it — = sprak er niet van; To restore — = de rust herstellen; —, Spartan! = koest! At — = rustig; On the (dead) — = (heel) in stilte; —en, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to —en the naughty child; —er = wie of wat stilt; A —ing draught = kalmeerende drank; —ism = quiëtisme, berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); —ist = aanhanger van —ism; —ness = —ude = rust, vrede, berusting; —us, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.

Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een stekelvarken), spoel; — verb. fijn plooien: He carries a good, a clever — = hij heeft eene welversneden pen; —-driver = veelschrijver, pennelikker; —-pen; —-toothpick = veeren tandenstokertje; —ing = fijn plooisel (van kant, tule of lint).

Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; — verb. doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the daisy — creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen; The pipe was —ed with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld; —ed calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in —ed cover = in gewatteerden band; He went to the —ings long ago = hij is lang geleden gestorven.

Quin, kwin.

Quina, kînə, kwainə, kina.

Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.

Quince, kwins, kwee(peer).

Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).

Quincey, kwinsi.

Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙

Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.

Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der Sibyllijnsche boeken.

Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.

Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: — Sunday = Zondag vóór de vasten.

Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.

Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.

Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.

Quinsy, kwinzi, keelontsteking.

Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).

Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.

Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.

Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence; Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.

Quintet(te), kwintet, quintet.

Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).

Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; — verb. vijfvoudig maken; —t = (motor)fiets voor 5 personen.

Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke inval, woordspeling, speeldingetje; — verb. schertsen, beschimpen.

Quire, kwaiə, boek papier.

Quirinal, kwirinəl.

Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje in muziek: His paltry —s did not impose on any member = zijne flauwe uitvluchten; adj. —y.

Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).

Quist, kwist, ringduif.

Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; — verb. verlaten, verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be — for = er af komen met; I shall be — with you = het je inpeperen; To go (get) — = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to — = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To — business = uit de zaken gaan; To — scores = afrekenen; They —ted the siege = hieven op; To — smoking = opgeven; —s = quitte, kamp, gelijk: We are —s = we zijn quitte; To cry —s = verklaren “quitte” te zijn; He played double or —s = dubbel of quitte; —-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; —-rent = pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.

Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).

Quite, kwait, geheel: I am — with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t geheel eens; A — young girl = een heel jong meisje (Vergel. — a young girl = precies een jong meisje); You are — out = je hebt het heelemaal mis; — so = precies; Persons whom she considered not “—” = niet van haar stand.

Quittance, kwit’ns, betaling.

Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; — verb. trillen, beven, sidderen, ritselen: In a — = sidderend; —ed = van een pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.

Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch, buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.

Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; — verb. voor den gek houden, foppen, schertsen, begluren; —zer = snaak, schalk; —zical = grappig, snaaksch; —zing-glass = monocle.

Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in — = ik zal je in de “doos” zien te krijgen.

Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; —arian, —êriən, iemand die over alles graag disputeert.

Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.

Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.

Quoint, k(w)ôint.

Quoit, kôit, kwôit, platte ring: —s = spel daarmede: Deck —s = ringwerpen op dek.

Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.

Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.

Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.

Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n, aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at any — = er was geen tarwe te krijgen; — of prices = prijsnoteering; —-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); —r.

Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); —a, kwouthə, zoo!

Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).

Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).

Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.

R.

R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver); R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery; Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic); R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt; Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor); Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun); Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd. = Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review); R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode) I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er); R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice); Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious) T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful) G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.

Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.

Rabbet, rabət, subst. sponning; — verb. eene sponning maken; —-plane = sponningschaaf.

Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. —nic(al), rəbinik(’l), rabbijnsch; —nist, rabinist, Talmudist.

Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe — = mannetje, wijfje; Welsh — = geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas; onvertrouwbaar paard (sport); —-hole; —-hutch = hok; —-warren = konijnenberg = —ry.

Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.

Rabid, rabid, dol, krankzinnig.

Rabies, reibiîz, hondsdolheid.

Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).

Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).

Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop, snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; — verb. snel loopen, wedrennen: I will — you home = ik wil om het hardst met u loopen wie het eerst thuis is; —s = (paarden)wedrennen; The Derby or Epsom —s; —-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; —-course = renbaan; molenbeek; —-ginger = gemberwortels; —-ground = renbaan; —-horse = renpaard, harddraver; —-track = renbaan; —r = renner, renpaard, rijwiel, hardzeiler.

Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: — acid = druivenzuur; Racemose, rasimous, trosvormig.

Rachel, reitš’l.

Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.

Racial, reiš’l, ras...

Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.

Racing, reisiŋ: — crew = bemanning van een —-boat (—-yacht).

Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak; halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; — verb. pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven, als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen, voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go to — and ruin = geheel te gronde gaan; To live at — and manger = zorgeloos voortleven; To put to the — = op de pijnbank brengen (ook fig.); He —ed his brain(s), his wits about it = brak er zich het hoofd over; —ing-can = klaarkan (voor wijn); —ing headache = brekende; —ing pace = vlugge telgang; —-punch = punch van arak; —-rent = schandelijk hooge huur: The —-rented labourers = de op schandelijke huren zittende arbeiders; —er = iemand, die zulk een pacht vraagt of moet opbrengen.

Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; — verb. pret maken, boemelen: That’s just our — = dat is net wat voor ons; To keep, kick up a — = lawaai, herrie schoppen; He could not stand the — and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; That will not stand the — = kan niet tegen hetgeen ervan geëischt wordt; —s = raketspel; —ing = rumoerige vroolijkheid; —y = druk tierend, lawaaiig: The —y-tack of the wheels = het geraas.

Racoon = Raccoon.

Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: — of the soil = kenmerkend voor, eigen aan.

Rad, rad, verk. v. Radical.

Raddle, rad’l, rood blanketsel; — verb. schminken, met rood krijt merken: Those jabbering mummers with their —d faces = die schetterende acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.

Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i), straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend, glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was — with happiness = straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig; straal, straaldier; — verb. reidjeit, uitstralen; Radiator, reidjeitə, uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.

Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal (pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam behoorende: — party = radicale partij; — quantity = wortelgrootheid; — sign = wortelteeken; —ism = de beginselen der radicale partij; Radicate, radikeit, vast inwortelen, vast wortel doen schieten: —d abuses = ingewortelde misbruiken; Radication = het diep wortel schieten, wortelvorming.

Radio, reidiou: —-active substances = uitstralend als bijv. radium; subst. —-activity; —gram, reidiəgram = —graph, reidiəgrâf = radiogram; —graphy, reidiogrəfi, radiographeeren; —meter, reidiomətə, radiometer, graadboog, vleugelborstel.

Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-— = mierik.

Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een cirkel); Radium, reidiəm, radium.

Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.

Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-—): A crowd of shabby —s = schunnige kerels; —-merchant = handelaar in rommel; —ish = schunnig, liederlijk.

Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; — verb. verloten, loten om: The doll was put up in (put up to) a — = werd verloot; You enticed me into raffling for that article = op dat artikel te loten; —r.

Raft, râft, subst. vlot; ophooping van drijfhout in rivieren, troep (Amer.); — verb. vlotten, op een vlot varen of vervoeren: How shall we get rid of this — of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt; —sman = vlotter.

Rafter, râftə, dakspar, balk; — verb. van sparren voorzien.

Rag, rag, lap, lomp, vod: All in —s = Worn (out) to —s = in flarden; To boil meat to —s = geheel fijn koken; —s and bones! = vodden en bonken! —-baby = pop; bankbiljet; —-book = een linnen prenteboek, dat gewasschen kan worden; —-bolt = bout met weerhaken; —-fair = voddenmarkt; —picker = voddenraper; —-shop; —-sorter; —-tag-and-bobtail (crowd) = janhagel; —-time = gesyncopeerde maat: —-time airs = negerliedjes; —-man = lompenkoopman; duivel; —-stone = brokkelige steen; —-wheel = kamrad: —-wort = kruiskruid; —ged = ruig, gescheurd, in lompen: —ged schools = scholen voor havelooze kinderen; —gedness = schabbigheid, haveloosheid.

Rag, rag, groenen, baren, donderen, straatschenderij bedrijven.

Ragamuffin, ragəmɐfin, ragəmɐfin, subst. schooier; adj. in lompen, berooid.

Rage, reidž, subst. woede, toorn, geweld, razernij, zucht, manie, vuur; — verb. woeden, razen, toornen: He was in (got into) a — = was (werd) woedend; — for building = bouwwoede; Accordion sleeves are all the — now = waaier-(harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He is all the — = hij is het voorwerp van algemeene geestdrift; —ful.

Raggee, ragî, Indische grassoort.

Raglan, ragl’n, soort overjas.

Ragout, rəgû, ragout.

Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht, razzia, inval van de politie; — verb. een inval doen, prijzen drukken: A drug store was —ed the other day, and the stock was found to consist wholly of strong liquor = de politie drong onlangs plotseling een (zoogenaamde) drogistzaak binnen; —er.

Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf, leuning, spoorstaaf, trein; wachtelkoning; — verb. met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden of reizen; schimpen, schelden, beleedigen: It is 40 minutes by — = per spoor; To drive off the —s = doen dérailleeren (ook fig.); To go (get) off the —s = dérailleeren; All —s were high = alle spoorwegactiën stonden hoog; I have —ed it = ik ben met het spoor gekomen; —er = schimper; —-car = spoorrijtuig (Am.); —-fence = houten hek; —-mill = fabriek van spoorstaven; —-road = spoorweg; —-road flat = bovenhuis bestaande uit eene reeks in elkaar loopende kamers.

Railway, reilwei, spoorweg, spoorbaan: Circular (Encircling), Double, Single, Underground — = ceintuurbaan, dubbel-, enkel spoor, ondergrondsche spoorweg; —-accident = ongeluk; —-board = directie; —-bridge; —-car (Amer.) = —-carriage = wagon; —-guard = conducteur; —-guide = gids; —-pass = vrijbiljet; —-share = spoorwegactie; —-signaller; —-sleepers = dwarsliggers; —-ticket = kaartje; —-traffic.

Raillery, reiləri, boert, scherts: He turned it into — = hij maakte er een grapje van.

Raiment, reim’nt, gewaad, kleederen.

Rain, rein, subst. regen; — verb. regenen, laten regenen (—s = regentijd): It was pouring with — = het goot; After — comes sunshine; A small — lays great dust = men vangt meer vliegen met honig dan met edik; As unconcerned as — = doodleuk; Right as — = geheel klaar; lekker als een kip, kiplekker; — or shine = bij slecht weer of mooi weer; It is —ing cats and dogs = het valt met emmers uit de lucht; —bow = regenboog; —bow-hued (—bow-tinted) = met de tinten van den regenboog; —-cloud; —coat; —drop; —fall; —-gauge = regenmeter; —-proof = —-tight = waterdicht, tegen regen bestand; —-water = regenwater; —less; —y = regenachtig; To save money (put by a penny) for a —y day = een appeltje voor den dorst bewaren.

Raise, reiz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn brengen, opwekken (van dooden), verhoogen, rechtop zetten, bouwen, opbouwen, heffen, opwerpen; subst. verhooging, opslag: To — a blister = een blaar trekken; To — a blockade (a siege) = opbreken, opheffen; To — the carpets = opnemen; To — a cry = aanheffen; To — the dead = doen opstaan; To — a dust = stof opjagen (fig.); To — the eyes = opslaan; To — a laugh at the expense of a person = iemand belachelijk maken; To — a loan = een leening uitschrijven; I don’t know where to — money = waar ik geld zal loskrijgen; The purchase was —d = de hefboom werd in werking gebracht; To — questions = vragen (kwesties) opwerpen; To — the wind = geld zien los te krijgen; lawaai maken, opschudding veroorzaken; —d letters = letters in reliëf; —d work = gedreven; —r = verbouwer, teler, fokker; Raising-bee = gemeenschappelijk bouwen van een huis door bij elkaar wonende farmers (Amer.).

Raisin, reiz’n, reizin, rozijn.

Raja(h), râdžə, reidžə, Indisch vorst; —ship; Rajpoot, Rajput, râdžpût, afstammeling van de oude krijgmanskaste (Ind.).