Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 73

Chapter 733,100 wordsPublic domain

Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat, middenterm, middel: — distance = gemiddelde; The — Englishman = gewone; A golden — = middelweg; To adopt a happy — = middelweg kiezen; In the —time = ondertusschen; In the —while = middelerwijl; —s = middel, middelen, inkomsten, oorzaak: He lives beyond his —s = boven zijn vermogen; By —s of = door middel van; You must go there by all —s (= vooral); You must try to do it by any —s = hoe dan ook; By no —s = vooral niet; By no manner of —s = in geen geval.

Mean, mîn, meenen, bedoelen, beteekenen, van plan zijn, voornemens zijn: He meant no harm = bedoelde het goed; To — mischief = wat in het schild voeren; I do not — to say = ik wil niet zeggen; You —t (it) well = hebt het goed bedoeld; —ing = beteekenis, meening; —ingless = zonder zin.

Meander, miandə, subst. kronkeling, doolhof; — verb. kronkelen, zich slingeren, drentelen: You tell him my very words, and no —ing of your own = zonder verdraaiing.

Meandrina, mîəndrainə, hersenkoraal.

Meandrous, miandrəs, kronkelend.

Meant, ment, imp. en p.p. van to mean.

Mease, mîz, mîs: — of herrings = ± 500 haringen.

Measles, mîz’lz, mazelen, puisten (bij varkens): To have —; Measly, mîzli, aan de mazelen lijdend; puisterig, gevlekt, vuil, jammerlijk, armzalig: I will break every bone in your — skin = ik zal je fijn wrijven, vuile kerel!

Measurable, mežurəb’l meetbaar; subst. —ness; Measure, mežə, subst. maat, maatstaf, verhouding, aandeel, versmaat, (tijd)maat, maatregel, gematigdheid, statige dans; — verb. meten, afmeten, toemeten, opmeten, afleggen: Lineal, Square — = lengtemaat, vlaktemaat; — of capacity = inhoudsmaat; Beyond (Out of) all — = buitenmate; In a (In some) — = in zekere mate; In a great — = grootendeels; Made to — = naar maat; — for — = leer om leer; I had soon taken his — = begrepen wat hij waard was; To take —s = maatregelen nemen; To — one’s length = languit vallen; Before daybreak we —d twenty miles = legden wij twintig mijlen af; To — one’s words = wikken en wegen; To — swords = de degens kruisen; He —d me for a coat = nam mij de maat voor eene jas; As you — so it will be —d unto you = met de mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden; —d = gelijkmatig, rhythmisch, gematigd, afgemeten; —less = mateloos; subst. —lessness; —ment = meting, maat, tonneninhoud: I have taken your —ments and laid down the chart of your genius = ik heb u gewogen en uitgemaakt wat ge waard zijt; —ment-goods = goederen waarvoor vracht wordt betaald naar maat of grootte; —r = (land)meter, meetinstrument; Measuring-chain (—-cord, —-tape) = maatstok, etc.

Meat, mît, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoon— = lepelkost; Sweet— = bonbons; I am as full of business as an egg is full of — = ik ben naar alle kanten bezet; One man’s — is another man’s poison = den een zijn dood is den ander zijn brood; je kunt niet alle menschen over den zelfden kam scheren; The — is done = goed gaar, op; — and drink: That is — and drink to me = dat is een kolfje naar mijne hand; —ball = balletje; —-biscuit = vleeschbeschuitje; —-extract; —-hook = vleeschhaak; spuuglok; —-jack = spit; —-offering = Joodsch spijsoffer; —-safe = vliegenkast; —-salesman = groothandelaar in vleesch; —-tea = thee met vleesch (visch, etc.); —iness, subst. v. —y = vleezig, stevig.

Mebbe, mebi, verk. van maybe = misschien.

Mechanic, mikanik, subst. mechaniker, handwerksman; adj. = —al, werktuigelijk, machinaal (ook fig.), handwerks.., werktuigkundig: —al drawing = lijnteekenen; —al engineer = werktuigkundige; —al powers = werktuigelijke krachten; —al science = werktuigkunde; —ality = —alness = werktuigelijkheid; —ian, mekəniš’n, werktuigkundige; —s = werktuigkunde; Mechanism, mekənizm, mechaniek, machinerie, mechanismus, techniek; Mechanist, mekənist = technicus, machinist.

Mechlin, meklin, Mechelen, Mechelsche kant = — lace.

Meconium, mikouniəm, kinderpek; papaversap.

Medal, med’l, medaille; — verb. een medaille verleenen; —lic, mədalik, medaille..; —lion, mədalj’n, penning, medaillon; —list = penningkundige, met eene medaille bekroonde, stempelsnijder.

Meddle, med’l, zich bemoeien: Do not — with my affairs = steek je neus niet in; Do not — with him = bemoei je niet met hem; I will neither — nor make with it = ik wil er niets mee te maken hebben; —r = bemoeial; —some = bemoeiziek; subst. —someness = Meddling, ook subst.

Mede, mîd, Mediër; Medea, midîə; Media, mîdjə, Medië.

Medieaeval, mediîv’l, mîdiîv’l, middeleeuwsch, ouderwetsch; —ism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd.; —ist = kenner, vereerder der middeleeuwen; —ize = middeleeuwsch maken.

Medial, mîdj’l, gemiddeld, middel..: An initial, —, final consonant = begin-, tusschen- en eindmedeklinker.

Median, mîdj’n, midden-, mediaan; van Medië, Mediër.

Mediate, mîdi-it, adj. in het midden liggend, bemiddelend; — verb. (mîdieit) bemiddelen, als bemiddelaar optreden: —d water = suikerwater; Mediation = bemiddeling, voorspraak.

Mediatization, mîdiətizeiš’n, subst. v. Mediatize, mîdiətaiz, aan de staatsoverheid onderwerpen.

Mediator, mîdieitə, bemiddelaar; adj. Mediatorial; Mediatorship; Mediatory = bemiddelend; Mediatrix of Mediatrix.

Medical, medik’l, geneeskundig, medisch: — man = medicus; — Officer and Public Vaccinator for a district = districts armendokter; — profession = beroep van geneesheer; — student; Medicament, mədikəment, medikəment, geneesmiddel; Medicamental = geneeskrachtig, heilzaam; Medicaster, medikastə, kwakzalver; Medicate, medikeit, geneeskundig bereiden of behandelen: —d coffee = geneeskrachtige koffie; Medication = geneeskundige behandeling of bereiding; Medicinal = genezend; Medicine, medsin of medisin, geneesmiddel, geneeskunde: —-bag = amulet; —-chest = medicijnkist; —-man = dokter en bezweerder bij de indianen; Medico, medikou, subst. esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot de geneeskunde behoorende: —-legal = tot de gerechtelijke geneeskunde behoorende; Medicus.

Medina, midînə, Medina; midainə, rivier op Wight, stad in Amerika.

Mediocre, mîdioukə, middelmatig: Mediocrity, mîdiokriti, middelmatigheid; middelmatig persoon.

Meditate, mediteit, peinzen, overdenken, voornemens zijn; subst. Meditation; Meditative = peinzend, zinnend; subst. —ness; Meditator.

Mediterranean, meditəreinj’n, subst. Middellandsche Zee; adj. middellandsch.

Medium, mîdj’m, subst. midden, middensoort, middenterm, middenstof, middel, hulpmiddel, Engl. mediaanpapier (18 × 28 inches), medium; adj. middelmatig, gemiddeld, doorsnee - -: Through the — of = door bemiddeling (middel) van; At a —; Of (Less than, Over the) — height; —-sized.

Medlar, medlə, mispel(boom): —-tree.

Medley, medli, verwarde massa, potpourri; ook adj.

Medulla, midɐlə, merg; —ry, midɐləri, medələri = mergachtig, merg..; Medullin = mergstof (Chem.).

Medusa, mədjûsə, Medusa; kwal; mv. Medusae, mədjûsî.

Meed, mîd, belooning, prijs, gift.

Meek, mîk, zachtzinnig, gedwee, nederig: —-eyed; —-spirited = deemoedig; subst. —ness.

Meerschaum, mîəšôm, mîəšəm, meerschuim(en pijp): — pipe.

Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; — verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen aan, bevredigen, enz.: A — of the Coaching Club = het samenkomen van de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not — that he should go there = gepast; Mere inquiry will not — the case = is in dit geval niet voldoende; More is meant than —s the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That —s the needs of the people = voorziet in; To — due protection = behoorlijk gehonoreerd worden; I will — you on equal terms = durf je staan onder gelijke voorwaarden; The carriage is to — the 10,5 train = moet zijn aan; To — a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man gevonden; He tried to — all my wants = te voorzien in; I cannot make both ends — = ik kan niet rondkomen; I sent to — them at the 10,5 train = liet ze afhalen; It was Greek — Greek, diamond cut diamond = twee Joden weten wat een bril kost; —ing = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The —ing was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; —ing-house = bedehuis; —ing-place = plaats van samenkomst; —ly = gepast, geschikt; —ness = gepast-, geschiktheid.

Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.

Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.

Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: —s = zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.

Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; —c = melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; ook adj.: He is in a — mood = in eene sombere stemming.

Melanesia, melənîsiə; —n, adj. en bewoner van M.

Melanite, melənait, melaniet.

Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.

Melib(o)ean, melibîən: — song = beurtzang.

Melilot, melilot, honigklaver.

Melinite, melinait, meliniet.

Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration; Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven hiernaar.

Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend; Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.

Mellay, melei = Mêlée.

Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt, lichtelijk aangeschoten; — verb, rijp of zacht worden (maken), rijpen, benevelen; subst. —ness; —y = zacht, zoet.

Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. —ness; Melodist = componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody, melədi, melodie, zangwijze.

Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; —tic, melədrəmatik, melodramatisch; —tist, melədramətist, schrijver van melodramas.

Melon, mel’n, meloen: —-juice.

Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.

Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook subst.: All the spoons were —ed down = gesmolten; To — into tears; —er = metaalsmelter, smeltoven; —ing heat = zwoele hitte; —ing sorrow = zielsroerende smart; —ing-furnace; —ing-point; —ing-pot = smeltkroes; —ingness = weekheid (fig.).

Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: — of Parliament (= M. P.) = lid van het House of Commons; —ed = geleed; —ship = lidmaatschap, ledental.

Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous — = slijmvlies; Membranous, membrənɐs, vliezig.

Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: — mori (môrai) = gedenk te sterven.

Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: —s = Memorabilia.

Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l, merkwaardig, gedenkwaardig; subst. —ness.

Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie; —-book = memoriaal.

Memorial, məmôriəl, gedenk..., gedachtenis...; subst. nota, memorie, necrologie, gedenkteeken (-feest): — Day = gedenkdag ter eere der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.); —ist = schrijver van mémoires, indiener van een nota; —ize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The municipalities —ized to the queen = dienden een verzoekschrift in bij.

Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren; Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her — fails her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In — of = ter gedachtenis aan; Within the — of man = Within living — = sedert menschenheugenis; To call to — = zich herinneren; To quote from —.

Memphis, memfis; Memphian: — darkness = Egyptische duisternis.

Men, men, mv. v. Man: —-folk = manvolk; —-pleaser = oogendienaar.

Menace, menis, subst. bedreiging; — verb. (be)dreigen; —r.

Menad, mînad, Bacchante.

Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.

Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; — verb. beter worden, verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the — = aan de beterhand; To — one’s efforts = verdubbelen; To — the fire = wat bij het vuur doen; To — one’s life (ways) = zich beteren; To — one’s pace = aanstappen; To — stockings = kousen stoppen; The prices have —ed = zijn omhoog gegaan; —er; —ing: A card of —ing = kaart stopgaren; A lapful of —ing = verstelwerk; —ing-basket; My boots want —ing = moeten gerepareerd worden.

Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti, leugen, leugenachtigheid.

Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel - -; bedelaar; bedelmonnik = — friar; Mendicity = armoede, bedelarij, bedelstaf.

Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst. huisbediende, asschepoester.

Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.

Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.

Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: — flow, — flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.

Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst. —ness; Mensuration = meting.

Mental, ment’l, ziels..., geestes...: — arithmetic = hoofdrekenen; — defectives = achterlijken; — deficiency = achterlijkheid; — faculties = geestesgaven; — power = geestvermogen; — reservation = heimelijk voorbehoud.

Menteith, mentîth.

Menthol, menthol, menthol: — cone (— pencil) = migrainestift.

Mention, menš’n, subst. (ver)melding; — verb. vermelden, noemen, gewagen: At a — of = bij vermelding van; To make (no) — of = (geen) melding maken van; “Don’t — it” = It is not worth —ing = “’t Is de moeite niet”; Not to — = om niet te spreken van; To be —ed in dispatches = eervol vermeld worden (mil.); Just — some = noem er eens een paar; —able: It is hardly — = het is haast niet noemenswaard.

Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.

Mentz, ments, Mainz.

Menu, mənû, spijslijst.

Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz, Mephistopheles.

Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, —m, mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.

Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels..., handeldrijvend; baatzuchtig: — code = wetboek van koophandel; The — marine = handelsvloot; — and trade schools = handels-, en vakscholen; — town = handelsstad.

Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van Mercator.

Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -, baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: — marriage = huwelijk om geld; — troops = huurtroepen.

Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; —y = manufactuurzaak, (handel in) manufacturen of zijde.

Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.

Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -, koopmans - -: —-fleet = koopvaardijvloot; —man = koopvaardijschip; —-service = handelsvloot, zeehandel; —-tailor = marchandtailleur; —able = gangbaar, willig.

Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. —ness; Merciless = meedoogenloos; subst. —ness.

Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius, kwikzilver.

Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the — of = overgeleverd aan de genade van; It was a —, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have — upon us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for — = om genade smeeken; To throw oneself on the — of = zich op genade of ongenade aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering gunstbetoon; —-seat = troon der genade; verzoendeksel.

Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.

Mere, mîə, louter, bloot: He is your — tool = slechts uw werktuig; —ly = enkel, alléén.

Meredith, merədith.

Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk: — courage = voorgewende moed; subst. —ness.

Merganser, məgansə, duikergans.

Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be —d in = geheel opgaan in; —r = het opgaan van eene bezitting of een recht in een ander, van eene zaak in een andere.

Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj. middag..., hoogte..., hoogste: — altitude = middaghoogte; — of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan..., middag, zuidelijk: — distance = lengteverschil; Meridionality = zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.

Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= — sheep); adj. merinos...

Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid, verdienste (meest meervoud) (—s = hoofdzaken (Jur.)); — verb. verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a — of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest (stand) on its own —s = moet op zich zelf worden beschouwd; You have —ed well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens; —orious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. —oriousness.

Merivale, meriveil.

Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).

Merle, mɐ̂l, meerle.

Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.

Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.

Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac = merimak.

Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vroolijk, luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A — Christmas to you = ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather — = lichtelijk aangeschoten; They live there as — as the day is long = leven ... als vroolijk Fransje; To make — = pretmaken; To make — with a person = in ’t ootje nemen; —-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; —-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); —-go-round = mallemolen; —-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk; —-meeting = pret, fuif; —thought = borstbeen (van eene kip).

Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.

Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis, mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri, darmscheel.

Mesh, meš, subst. maas; —es = netwerk, net (fig.), strik; — verb. verstrikken, verstrikt raken; —-work = netwerk; adj. —y.

Mesjid, mezdžid, moskee.

Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize = magnetiseeren; —r.

Mesne, mîn, tusschenkomend: — process = nevenproces; — profits = de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.

Mesopotamia, mesəpəteimjə.

Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile boel; — verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen, bevlekken: A — of pottage = linzenschotel: To sell for a — of pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a — = bakmeester; We are four of a — = we eten met ons vieren; To be in a pretty — = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got himself into a — with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop; To get into —es with feminines = intriguetjes hebben met; To make a — of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be —ed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt wordt; To — about after other women = scharrelen met; —-beef = pekelvleesch; —-kit = eetgerei (mil.); —-mate = tafelgenoot, bakgast; —-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; —-table; —y = vuil, verward: A —y toy = speelgoed, dat aanleiding geeft tot vuil maken van kleeren of tafel.

Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a — = overbrengen; To go on a — = een boodschap doen; To go —s for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode; kabelaring (scheepst.).

Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.

Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.

Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.

Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.

Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of Creool) en Indiaansche vrouw.

Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.

Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen); — verb. een weg met metal bedekken: The train went off the —s = derailleerde; —lic, mətalik, metalen: —lic pen = stalen pen; —lic vein = metaalader; —liferous = metaal bevattend; —liform, məteliföm, metaalachtig; —line, metəl(a)in: — water = mineraalwater; —list = metaalwerker: Gold —list = voorstander van den gouden standaard; —lography = wetenschap en beschrijving der metalen; —loid, metəlôid, metalloïde; —lurgy, metəlɐ̂dži, metallurgie.

Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism; — verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.

Metaphor, metəfö, metaphoor; —ic(al), metəforik(’l), overdrachtelijk, figuurlijk.

Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist = bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende wijsbegeerte.

Metathesis, mətathəsis, metathesis.

Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht betaalt.

Mete, mît, subst. maat; grens (= —s); — verb. meten, toemeten: Full justice was —d out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The treatment, —d out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar —-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.

Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.

Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; —ic, mîtiorik, meteoor...: —ic shower = groote menigte vallende sterren; —ic stone = —ite, mîtiərait = —olite, mîtiərəlait; —ologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; —ologist = weerkundige; —ology = weerkunde.

Meter, mîtə, meter: Dry —, Wet — = drooge, natte meter; To examine the — = gasmeter opnemen; —age, mîtəridž, meting, meetloon.

Metheglin, mətheglin, mede (drank).

Methinks, mithiŋks, mij dunkt.

Method, methəd, methode, stelsel, proces; —ical, məthodik’l, methodisch; —ics, məthodiks, methodiek; —ism = de leer der —ists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729): —istic(al), methodistisch; streng methodisch; —ize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken; —izer; —ology = (verhandeling over) methodiek.

Methought, mithôt, mij docht.

Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.

Methyl, methil, methyl.

Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.

Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).

Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi, metonymia.

Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric, metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.

Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.

Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).

Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen; Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj. aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: — Board of Works = Londensche bouwraad.

Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A man of — = voortvarend, van stavast; A horse of much — = vurig paard; — of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his — = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a person’s — = alles vergen van iemands krachten; —d = —some = vurig; subst. —someness.

Meuse, mjûz, Maas.

Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats; gemiauw: —s = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de stallen uitkomen; — verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen; miauwen: To — the feathers.

Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); —er = schreeuwleelijk.

Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.

Mezzo, medzə; — soprano = tweede sopraan; —tint(o) = mezzotint.

Mho, mou, Ohm (electr.).

Miaow, miau, miaauw!