Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 38
Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. —ness.
Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, — = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow — = zeer gemakkelijk; That’s right — = volkomen juist; Sure — = voorzeker, inderdaad; It is true — = maar al te waar; Well — = vrij goed, voldoende; — and to spare = meer dan genoeg; — is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.
Enow, inau = Enough.
Enquire, əŋkwaiə = Inquire.
Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.
Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. —ure, ənraptšə.
Enravish, ənraviš, verrukken; subst. —ment.
Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. —ment.
Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.
Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden, wallen, dammen, enz.
Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren: They —led themselves members of the university = lieten zich inschrijven als; They were prepared to — themselves = bereid dienst te nemen; —ment = inschrijving, register, oorkonde.
Enroot, ənrût, doen wortel schieten.
Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.
Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They —d themselves on one of the sofas = zij doken in; —d in an angle = verscholen, verdekt opgesteld.
Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde).
Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.
Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.
Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; —-bearer = vaandeldrager; —cy, —ship = vaandrigrang.
Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen veevoeder en vruchten; — verb. inkuilen = Ensile.
Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. —ment.
Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.
Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.
Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: — ages = het nageslacht.
Ensure, ənšûə. Zie Insure.
Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement, architraaf, fries en kroonlijst samen.
Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; — verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no — on it = ik kan vrij beschikken over; To cut off the — = The Estate in Tail veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag; subst. —ment.
Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst. —ment = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik, havenversperring.
Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen, beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven: To — the cargo = bij de douane aangeven; To — the church = geestelijke worden; He —ed the lists against a formidable adversary = trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He —ed his office = trad binnen; To — a protest against = aanteekenen tegen; To — into conversation = aanknoopen; I — into your feelings = begrijp volkomen, deel in; To — into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To — into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was —ed of the Inner Temple = werd lid van; A new actor —ed on the scene = trad op; She —ed to him = zij kwam bij hem op het tooneel; —ed to national account = geboekt voor het rijk; To — upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He —ed upon his office = aanvaardde zijn ambt.
Enteric, ənterik, darm...: — fever = typheuse koorts; Enteritis, entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in samenstellingen), ingewands..., buik...
Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.
Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie, energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend, vermetel.
Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not — the idea of it = ik denk er niet over; To — an offer, an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be —ed at (to) dinner = de gast zijn; —er = onderhouder, patroon, gastheer: I am the — = ik betaal; —ing = amusant; —ment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, koesteren (van gedachten).
Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst. —ment.
Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen, zetelen, wijden (een bisschop); subst. —ment.
Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn (Am.): To — over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj. Enthusiastic(al).
Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. —ment.
Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst. —ness = —ty.
Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.
Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable —, the French people = dat merkwaardig geheel.
Entoil, əntôil, verstrikken.
Entomb, əntûm, (levend) begraven; —ment = begrafenis.
Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist = entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.
Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.
Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.
Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een trein): The troops —ed for Kimberley.
Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.
Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden, aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His — into his office = het aanvaarden van zijn ambt; —-examination = toelatingsexamen; —-duty = invoerrecht; —-fee = inleggeld, entrée(geld); — money = toegangsprijs; — subscription = entree (bij het lid worden.)
Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. —ment.
Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.
Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.
Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: —ive words = smeekbeden; —y = dringend verzoek, smeekbede.
Entrée, Fr. uitspr., toegang; —s = Entremets, Fr. uitspr., tusschengerechten (in Engel.).
Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. —ment.
Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.
Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was —ed with your interests = hem werden toevertrouwd.
Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking, post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s — = zijn intocht houden; To make an — = declareeren (van goed); Will you make an — of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single — = dubbel, enkel boekhouden; Bill of — = lijst der voor invoer in te klaren goederen; —-money.
Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.
Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.
Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling, lijst; adj. Enumerative.
Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation = uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.
Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; —e, envəloup, omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel, versterkte wal: A visiting-card is carried in an open —e for one centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.
Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.
Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious, enviəs, afgunstig: The — flood = de boosaardige golven (vloed); subst. —ness.
Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; —s ook envir’nz, omstreken, omgeving; subst. —ment.
Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.
Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook ənvôi); —ship = ambt v. envoy.
Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst; kwaadaardigheid; — verb. benijden, misgunnen: In — = uit jaloerschheid, nijd.
Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.
Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.
Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.
Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.
Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.
Epact, îpakt, epakt, epacta.
Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); —y = provincie; diocees.
Epaule, əpôl, hoek van een bastion; —ment = epaulement, borstwering.
Epaulet(te), epôlet, epaulette.
Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.
Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; —l, kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, = Ephemera.
Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.
Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.
Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.
Ephor, efö, opziener; mv. —s of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).
Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.
Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.
Epicene, episîn, gemeenslachtig.
Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; —an, epikjurîən, adj. epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; —anism, epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.
Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An — of typhoid was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.
Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.
Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epigastrium) behoorende.
Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.
Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); —matist, epigramətist, maker van puntdichten; — verb. Epigrammatize.
Epigraph, epigraf, opschrift, motto.
Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst. epilepticus; adj. epileptisch (= —al).
Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.
Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).
Epiphyte, epifait, woekerplant.
Epirus, epirəs.
Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal, əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.
Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial, episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend, toevallig.
Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; — side = rechterzijde van het altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary, əpistələri: — style = briefstijl.
Epistyle, epistail, architraaf.
Epitaph, epitaf, grafschrift.
Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.
Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.
Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.
Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een epitome; — verb. Epitomize = condenseeren.
Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; —-making; —al, epək’l, opzienbarend.
Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.
Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.
Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.
Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l, ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.
Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig, opgewassen tegen; — verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His mental (social) —; He is not (does not feel) — to it = hij is er niet tegen opgewassen; — to the occasion = berekend voor zijn taak, slagvaardig; Not to be —led = zijns gelijke niet hebben; —ity, ikwoliti, gelijkheid, enz.; —ization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking; —ize = gelijkmaken.
Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.
Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of verevening: — of time = tijdsverevening.
Equator, ikweitə, evenaar, aequator; —ial, îkwətôri’l, adj. aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; —ial current = aequatoriaalstroom; —ial regions = de tropen.
Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.
Eques, îkwiz = Equites.
Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend: Fair — = amazone; —ism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.
Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.
Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; — verb. in evenwicht zijn met.
Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.
Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.
Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).
Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist, ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht; Equilibrium, îkwilibriəm.
Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal).
Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...
Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e. behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal and autumnal — = lente- en herfstnachtevening.
Equip, ikwip, uitrusten; —ment = equipement.
Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.
Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.
Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht, gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.
Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant, îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit, opwegen tegen, in evenwicht brengen.
Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. —ness.
Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.
Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: — of redemption = de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of — = rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High Court of Justice.
Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent, adj. en subst.
Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. —ness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.
Equus, îkwɐs, paard.
Era, îrə, tijdperk, jaartelling.
Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst. Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel).
Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; —ment = uitkrassing, uitschrapping; —r = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.
Erasmus, irazməs.
Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.
Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: — ever = voordat; —long = eerlang; —now = vóór dezen; — this = vroeger, te voren; —while = vroeger.
Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.
Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; — verb. oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich verheffen: To — a perpendicular = eene loodlijn oprichten; —ile, irektil, wat opgericht kan worden; —ing-shop = stelkamer; —ion = oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; —ive = oprichtend; —ness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; —or = oprichter, spier, die ter oprichting dient.
Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).
Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.
Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; —ism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.
Eric, îrik, erik.
Erica, iraikə, heidekruid.
Erie, îri: Lake —; Erin, îrin, Ierland: Son of — = Ier.
Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking, ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.
Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke waardigheid: —ed = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.
Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.
Ernest, ɐ̂nəst.
Erode, iroud, wegvreten, invreten: —nt = wegvretend (middel).
Eros, îros.
Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive, irousiv.
Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.
Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin, erotomanie.
Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.
Errand, er’nd, boodschap: Bent on an — = op een boodschap uit; To go (on) an —, To run —s = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s — = voor gek loopen; —-boy = loopjongen.
Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight — = dolende ridder; —ry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.
Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al), əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: — block = erratisch rotsblok.
Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. —ness.
Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde, overtreding: Writ of — = bevel tot revisie van een vonnis wegens een gebrek in den vorm.
Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.
Erskine, ɐ̂skin.
Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: —while = vroeger.
Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.
Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.
Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.
Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie, uitval, huiduitslag; Eruptive: — countenance = gezicht vol uitslag; — matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).
Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.
Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.
Esau, îsô.
Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders; — verb. met stormladders beklimmen.
Escalop, əskaləp = Scallop.
Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.
Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; — verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow — = ontsnapten ternauwernood; We made our — = wij maakten ons uit de voeten; —-ladder = brandladder; —-pipe = afvoerpijp; —-valve = ventiel; —-warrant = bevel tot inhechtenisneming v. een ontsnapt gevangene; —ment = échappement, schakelrad.
Escarp, əskâp, subst. binnentalud; — verb. tot eene steile helling maken; —ment = steilte.
Eschalot, ešəlot, sjalot.
Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).
Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (door ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat; — verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; —age = het recht van dit vervallen; —or = vroeger ambtenaar belast met het toezicht op dergelijke goederen.
Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.
Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.
Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.
Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.
Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.
Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.
Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of spiegel van een schip.
Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.
Esop, îsəp; —ian, isoupj’n, —ic, isopik, Esopisch, van E.
Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.
Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch, duister.
Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.
Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom; — verb. eene reeks van leiboomen maken.
Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In — = voornamelijk.
Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.
Espinel, espinel, spinel (edelst.).
Espionage, espiənidž, spionnage.
Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.
Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend; —s = huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen, uithuwelijken, aankleven, omhelzen.
Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.
Esquimau, eskimou, mv. —x; Zie Eskimo.
Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G. Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); — verb. vergezellen, dienen.
Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; —ist = schrijver van korte verhandelingen.
Essai, əsei, pogen, beproeven.
Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke, uittreksel, reukwerk: He is the — of goodness = toonbeeld van; Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk, gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: —-oils = etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.
Essera, esərə, netelroos.
Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene rechtbank; — verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter terechtzitting; —ee, esoinî, de niet verschenen en verontschuldigde persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting waarop de essoins in ontvangst werden genomen.
Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich vestigen, vaststellen: To — a business = eene zaak oprichten; To — communications (with) = in verbinding stellen; He —ed himself there = vestigde zich; An —ed truth = uitgemaakte waarheid; —ment = vaststelling, bevestiging, regeling, bekrachtiging, vestiging, handelshuis, inrichting, établissement, huishouding, sterkte, staatskerk = The —ed Church.
Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.
Estafet(te), estəfet, renbode.
Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit, bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the —s of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen: koning, lords en gemeenten; Second — = the Lords; Third — = the Commons; Fourth — = de pers; He has come to man’s — = mannelijken staat; Personal — = roerend goed; Real — = onroerend goed.
Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; — verb. achten, waardeeren, beschouwen als.
Esther, estə.
Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.
Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate, estimit, subst. schatting, begrooting, meening; — verb. estimeit, schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest — = naar hoogste schatting; The Army —s were voted unanimously = de begrooting van oorlog werd met algemeene stemmen aangenomen; The loss is —d at £ 5000 = wordt begroot; Estimation = schatting, begrooting, hoogachting, meening; Estimator = taxateur.
Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit, zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n, zomerslaap.
Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande handeling of verklaring); subst. —pel.
Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen, alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.
Estrade, əstreid, estrade.
Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst. —ment.
Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn ruiter af te werpen.
Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).
Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; — verb. een afschrift maken.
Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri, wijde monding eener rivier, zeeboezem.
Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.
Et caetera, etsetərə, enzoovoort; —s = en verdere dingen; extra uitgaven.
Etch, etš, etsen; —er = etser; —ing-needle = etsnaald, etsstift.