Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 34

Chapter 343,225 wordsPublic domain

Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.

Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; —s = binnenl. producten (Amer.); — animals = huisdieren; — economy = huishoudkunde; — peace = huiselijke vrede; — quarrels = binnenlandsche twisten; —ate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; —ity, doumestisiti, huiselijkheid.

Domett, domət, katoenflanel.

Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; — verb. (zijn) domicilie nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To — a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.

Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend, domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher; Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.

Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.

Dominical, dəminik’l: — letter = Zondagsletter; — prayer = het Onze Vader.

Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.

Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.); predikant van Holl. gemeente (Amer.).

Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: — Day = nationale feestdag in Canada (1 Juli); The — = Canada.

Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at —es = domino spelen; —-box = dominospel, mond vol tanden.

Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van een College aan een der hoogescholen; banjer; —nish = pedant.

Don, don, aandoen.

Dona, dounja, Donna; meisje.

Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.

Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift, schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven.

Doncaster, doŋkəstə.

Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.

Donee, dounî, begiftigde.

Donegal, donəgôl, donəgôl.

Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).

Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.

Don Juan, dondžûən.

Donkey, doŋki, ezel; —ess, doŋkiəs, ezelin; —-engine = een kleine hulpmachine aan boord; —-pump = stoompomp (voor den ketel).

Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: — fair = woeste (Iersche) kermisboel); — dance = woest gevecht; — row = hevige ruzie.

Don Quixote, donkwiksət.

Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee — = Amerik. volkslied.

Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).

Dood, dûd, kameel: —-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).

Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.

Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; — verb. veroordeelen, straffen, richten: The crack of — = de jongste dag, het einde der wereld; —sday = dag des oordeels; —sday-book = kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den Veroveraar); —ster = rechter.

Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).

Door, dö, deur, ingang: That was laid at his — = hem ten laste gelegd; It lies at his — = het is zijne schuld; It was never proved at his — = hem nooit bewezen; He lives next-— = in het huis (kamer) hiernaast; Next-— to him = naast hem; We had next-— to nothing = zoowat niets; In, within —s = binnenshuis; Out of —s = buitenshuis; Sent out of —s = weggestuurd; He leant against a —-casing (-case) = kozijn = —-frame; —-handle = kruk; —-hinges = hengsels; —-keeper = portier; —-mat = deurmat; voetveeg (fig.); —-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is as dead as a —-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a —-mat); —-plate = naamplaatje; —-post = deurstijl: He is as deaf as a —-post = zoo doof als een kwartel; —-scraper = krabber; —-step = stoep, of = —-sill = drempel: You shall never darken my —(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel; —-stone = steenen drempel; —-way = ingang.

Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het diamantslijpen).

Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).

Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden der Geref. kerk in Zuid-Afrika.

Dor, dö, kever (bladsprietig) = —-beetle.

Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren; goudmakreel.

Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).

Dorchester, dötšəstə.

Dorée, derî, dorî, zonnevisch.

Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: — order = Dorische bouwstijl.

Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.

Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us allow the matter to lie — = laten rusten; — partner = stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= —-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.

Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.

Dorn, dön, rog, stekelrog.

Dorothy, dorəthi, Dorothea.

Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...

Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.

Dorsel, dös’l, soort wollen stof.

Dorset, dösət; —shire, dösətšə.

Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.

Dort, döt, Dordrecht.

Dory, döri, zonnevisch (= John —); platboomd bootje (Amer.).

Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); — verb. afmeten (van geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have —d him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.

Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar; rijke draperie.

Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = —-house; —er = logé van een slaapstee, landlooper; huisvader.

Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.

Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.

Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); — verb. stippelen: —ted lines = stippellijnen; — your i’s and cross your t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).

Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde oude gek.

Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.

Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He —s on her = is dol op haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. —ness.

Doth, dɐth = does.

Dottard, dotəd = Dotard.

Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.

Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.

Dottyville, dotivil: To be booked for — = naar “Meerenberg” moeten.

Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst. tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; — verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen, over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken, bedriegen: They marched off at the —, at —-quick time = met den looppas; The Cape was —d = omgezeild; He —d his fists = balde; All the leaves were —d down = aan alle bladen waren ezelsooren; We —d upon the enemy = brachten hem tusschen twee vuren; —-acting = dubbelwerkend (mechan.); —-action; A —-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; —-bass = contrabas; —-breasted coat = jas met twee rijen knoopen; —-chin = onderkin; A —-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; —-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); —-Dutch = koeterwaalsch; A —-dyed villain = een aartsschurk; —-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); —-edged sword = tweesnijdend; —-entry: Book-keeping by — = Italiaansch boekhouden; —-faced = met twee aangezichten, aan beide kanten bruikbaar; onoprecht; —-first = de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo iemand verkregen; —-ganger = dubbelganger; —-handed = met twee handvatten; —-hearted = verraderlijk, valsch; —-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); —-minded = weifelend, besluiteloos; —-railed = met dubbel spoor; —-shot = dubb. lading; — verb. zwaar laden, aandikken (fig.); —-tide = overuur; —-tongued = uit twee monden sprekende; —-track = dubbelspoor; —ness = dubbel zijn; dubbelzinnigheid.

Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.); —s = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide dobbelsteenen.

Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).

Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; — verb. weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a — = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond — = buiten allen twijfel geplaatst; No — = ongetwijfeld; —ful = twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. —fulness; —less = ongetwijfeld.

Douche, dûš, douche, stortbad.

Dough, dou, deeg: My cake is — = mijn plan is in duigen gevallen; A —-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); —-kneaded = zoo zacht als deeg (Amer.); —nut = soort pannekoek; —y = week, bleek.

Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.

Douglas, dɐgləs.

Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).

Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; — verb. plotseling onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.

Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); —-cot(e), —-house = duivenhok, duiventil; —’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; —tail, subst. zwaluwstaart; — verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages —tail into one another = sluiten in elkander.

Dover, douvə: The Straits of — = het Nauw van Calais; — Court = een luidruchtige bijeenkomst.

Dowager, dauidžə, douairière: Queen — = koningin-weduwe (moeder).

Dowden, daud’n.

Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj. ouderwetsch, slonzig = —ish.

Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; — verb. met pennen verbinden.

Dower, dauə, subst. weduwengoed; — verb. een uitzet geven; Dowerless = zonder bruidschat, arm.

Dowlas, dauləs, grof linnen goed.

Dowl(e), daul, pluim, veder.

Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin, schapenweide: The —s = een groote reede aan de kust v. Kent; —y = donzig, piekfijn.

Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; — verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: — the country = weg van de hoofdstad; — the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; — the stream = stroomafwaarts; — town = naar het centrum (handelswijk) der stad; To be — at heel = afgetrapt; To be — for a club = vóórhangen; To be — in the mouth = neerslachtig = — on one’s luck = in moeielijkheden; — the wind = met den wind mee; I like her — to the ground = dolgraag; That part suits you — to the ground = is geknipt voor je; From the mayor — to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be — on = uitvaren tegen; I’ll be — upon you = ’k zal je wel krijgen; To be — with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; — with him = weg met hem; To feel — = somber, neerslachtig; To go — into the country = naar buiten gaan; That will not go — with me = dat wil er bij mij niet in; He has gone — = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten); The wind is — = is gaan liggen; To look — upon = neerzien op; To pay — = kontant; To turn upside — = onderste boven keeren; In writing for children, be careful not to write — too much = niet te kinderachtig te schrijven; He is not to be —ed by censure = laat zich niet ontmoedigen; To —bear = drukken, verdrukken; A —cast look = sombere blik; —come = plotselinge val, omverwerping; He is a —-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); —fall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; —haul = touw om een zeil neer te halen; —hearted = neerslachtig; —hill = bergafwaarts: —hill work = gemakkelijk werk; —-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-passenger = passagier met een —-train; —pour = plasregen; —right = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A —right fool = gek in folio, echte dwaas; subst. —rightness; —stairs = (naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was —-thump on him = pakte hem (te) hard aan; —-stroke = neerhaal, neergaande beweging; —-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-trod(den) = platgetreden, overheerscht; —-weed = roerkruid, viltkruid; —y = sluw.

Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.

Dowse, daus. Zie Douse.

Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.

Doxy, doksi, liefje; snol.

Doze, douz, subst. dutje, sluimering; — verb. sluimeren, dutten, suffen.

Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s — = dertien.

Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.

Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (—s = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too — to last = te zwak; —bish = vuil, geelgrauw; —by = vuil, slonzig.

Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met een grondangel.

Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.

Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt; nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.

Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den bodem; vliegende draak = — volans, soort van hagedis (Indië en Afrika); —nian, drəkounj’n, —nic(al), drəkonik(’l), Draconisch.

Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of schelvischduivel.

Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and — = volkomen waardeloos iets.

Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht, rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig voor een schip; — verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren: Finnish battalions will be —ed into the Russian regiments; He was —ed off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; — bill = concept. Zie ook Draught.

Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.), sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans met vier paarden; — verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen, uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet vlotten: The affair —ged = vlotte niet; —-bar = koppelstang; —-chain = remketting; —-hunt, Zie Anise; —man = visscher, die een sleepnet (—-net) gebruikt; —-rope = trektouw.

Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A —-tail, a —-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; —d skirts = vuile rokken.

Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).

Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw); sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid, keizersalade; —’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); —-fish = pitvisch; —-fly = paardebijter, waterjuffer; —’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.); —-tree = drakenbloedboom; —et = kleine draak.

Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); — verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder; — verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The military vice of —ing is unsuited to civic life = van “donderen”.

Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; — verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy — on my purse = dat kost veel geld; —s = korrels uit de brouwerskuip; —able = wat gedraineerd kan worden; —age, dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; —(age)-pipe = draineerbuis; —er = vergiet, schep; —ing-engine = pompmachine (voor waterafvoer); —(ing)-tiles = draineerpannen; —ing-well = zinkput; afvoerput.

Drake, dreik, woerd: —-stone = steentje, om over het water te keilen.

Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje; — verb. zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, trakteeren: Not a — = geen zier; —-drinker = borrelaar; —shop = kroeg.

Drama, drâmə, drama; —tic, drəmatik, dramatisch: The — speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown —tically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.

Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; —r = lakenhandelaar: The —rs’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; —ry = lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie; — verb. drapeeren.

Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).

Drat, drat: — the boys = die “duivelsche” jongens.

Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug, drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp, klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; —s = damspel; — verb. ontwerpen, concipieeren: At a — = in één teug; A boat with a light — = met geringen diepgang; Ale on — = bier van het vat; — and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; —-animals = trekdieren; —-board = dambord; —-dog = trekhond; —-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); —-ox = trekos; —-screen = tochtscherm; —sman = teekenaar; —y = tochtig.

Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; — verb. trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken, wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen; leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The — of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure — = trok veel menschen; The game ended in a — = bleef onbeslist; To — a bead upon = mikken op; To — blood = een bloedende schram of wonde veroorzaken; To — bridle = stilhouden; To — a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To — a curtain = dicht trekken; To — a fox = doen ‘uitvaren’; To — a letter = opstellen; To — the long bow = met spek schieten; To — a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; — it mild = maak ’t niet te erg; To — money = trekken, opnemen; To — a parallel; He —s a straight furrow = hij is een eerlijke kerel (Amer.); What water do you — = hoe diep ligt gij? The ship —s twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To — along = voorttrekken; To — back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To — forth = uittrekken, ontlokken; To — in = intrekken, aantrekken, inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings are —ing in = de dagen worden langer; The time —s near = nadert; His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be able to — him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led off on that subject to — out my guest = om mijn gast aan ’t praten te krijgen; They don’t — well together = harmoniëeren niet; They were —ing together = er ontstond toenadering; A report was —n up = opgesteld; To — up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were —n up in array of battle = opgesteld in slagorde; She —s kindly with him = harmoniëert goed; —back, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a — which disappears in time = een gebrek; The —back is, that - - = er is tegen, dat...; —-bar, drôbâ, koppelstang; —-bridge, drôbridž, ophaalbrug; —-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang; —-net, drônet, vogelnet; —-plate, drôpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te verdunnen of te rekken; —-well, drô-wel, put met ketting; —ee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; —er = trekker, putter, tapper, trekdier, lade: A pair of —s = onderbroek; Bathing-—s = zwembroek; Chest of —s = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of — = slecht geteekend; —-board = teekenplank; —-book; —-chalk; —-knife = polijststaal; snijmes; —-master = teekenleeraar; —-paper; —-pen = trekpen; —-pin = punaise, stiftje; —-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s —-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel —n to that conclusion = voel mij getrokken tot: A —n battle (game) = onbeslist; —n butter = gewelde; A —n fowl = schoongemaakte vogel; A —n and wrinkled face = strak.

Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een persoon in Buckingham’s Rehearsal).

Drawl, drôl, subst. temerige spraak; — verb. temerig spreken; adj. —y.

Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; —-horse; —man = sleeper; —age = gebruik en huur van een dray.

Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; — verb. vreezen, duchten: —nought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); —ful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny —s = goedkoope sensatieromans; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness.

Dream, drîm, subst. droom; — verb. droomen, in een droom zien, zich verbeelden: —s go by contraries = komen altijd anders uit; He —s away his life = hij verbeuzelt zijn leven; —er = droomer; —y = droomerig.

Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend; subst. —iness; —y = Drear.

Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; — verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; —r = dregger, oestervisscher, baggermachine; strooibus; Dredging: —box = strooibus; —-machine = baggermolen.

Dree, drî, dulden: To — one’s weird = zich schikken in zijn lot.

Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein; Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the — = ten bodem toe.

Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ was —ed with vinegar; —er = plasregen.

Dresden, drezd’n, dreizd’n: — china, —-ware = Meisz(e)ner porselein.

Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; — verb. kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen, appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen, roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich kleeden: Full — = groot tenu, officieel kleed; High (Low) — = hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, —! = Sectie halt! Richt u!; The ships were —ed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully —ed = waren mooi uitgestald; —ed to death = vreeselijk opgeschikt; To — up = uitdossen, kostumeeren; —-ball = galabal; —-box = loge avant-scène; —-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is; —-coat = rok; —-improver = tournure; —-jacket = ‘smoking’; —maker = naaister; —-shield = sousbras; —-stand = costuumpop; —-suit = rok, enz.; —-sword = galadegen; —-vest = ‘smoking’ (Amer.); —er = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.), appretuur, enz.; —-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; —-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; —-room = kleedkamer; —-station = plaats om gewonden te verbinden; —-table = toilettafel; Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.

Drew, drû, P. Imp. v. To draw.