Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 8

Chapter 83,256 wordsPublic domain

Axminster, aksminstə.

Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).

Ay, Aye, ai, ja, — marry = ja waarachtig; — me = o wee mij!

Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.

Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for —, for ever and —.

Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The — and the noes (= tegenstemmers); The — have it = de meerderheid is er voor.

Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).

Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The — Bard = Robert Burns.

Azalea, əzeiljə, azalea.

Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = —al.

Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische overblijfselen.

Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.

Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel; blauw veld (Herald.); — verb. blauw verven; — stone = Azurite, ažərait, lazuursteen.

Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.

B.

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts; B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. = Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. = Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers); Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed) V(irgin) M(ary).

Baa, bâ, subst. het blaten; — verb. blaten: The baby was caressing a woolly —-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.

Baal, beiəl, Baal; —ist, —ite, afgodsdienaar.

Bab, bab, peur; — verb. peuren.

Baba, bâba, vader, papa.

Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap, gebabbel, gewauwel; gemurmel; —r, wauwelaar.

Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for —s = kinderkost (ook fig.).

Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan; —-like buildings = hooge.

Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: — English = gebroken Engelsch.

Baboon, bəbûn, baviaan; —ery, aapachtig optreden.

Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.

Babu = Baboo.

Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder —: Cry-— (= Cry-a-—) = grienerig kind; —-car = kinderwagentje (sportkarretje); —-carriage = kinderwagen; —-farming = zoogenaamde verzorging (meestal opzettelijke verwaarloozing) van kinderen; —-feeder = slabbetje; —-house = poppenhuis; —-linen = kindergoed, luiers; —-pin = veiligheidsspeld; —hood (—ship), eerste kindsheid; kleine kinderen; —ish (= Babish), kinderlijk; subst. —ishness.

Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: —n, Babylonisch, reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj. Babylonisch, verward, rumoerig.

Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.

Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.

Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).

Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.

Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj. bacchantisch; —s = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën; Bacchanalian = Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj. Bacchantisch; Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic = Bacchantisch; Bacchus = Bacchus.

Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs, bessenetend.

Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man; baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His — rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was, etc.; —’s of —s’ buttons = dubbele ranonkel; —hood = —ship, baccalaureaat; staat van jonggezel.

Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.

Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant, etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug, omgekeerd, etc.; — verb. van een rug voorzien, den rug versterken, verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen, achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit — to — = met den rug tegen elkaar aan; Small of the — = kruis; He does not need my little palm in the small of his broad — = heeft mijn geringe steun niet noodig; He has not a shirt on his — = aan het lijf; Behind one’s — = achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s — = onderdrukken; To get up (make, set) a — = voorover gaan staan, een hoogen rug maken (van katten), boos worden; To provide a — = gaan staan (bij haasje over); To put one’s — into = zich inspannen voor; To put anybody’s — up = boos maken; To scratch the — of the public = vleien; To see the — of = afkomen van, zich afmaken van; To turn one’s — upon = den rug toedraaien; The — of the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant, verste zijde); To be at the — of = ergens achter zitten (fig.); To look best from the —; To see through the — of a person’s head = iemand geheel doorzien; To go — on a friend = verraden; To go — on a promise = breken; She kissed him — = weerom; To look — upon = terugzien op; The angel rolled — the stone from the door = wentelde af; — and forth (Amer.) heen en weer; As far — as = reeds in, toen reeds; Some time — = geleden; The horse —ed with him = ging achteruit; To — the oars = strijken; To — sail = bakzeil halen (bijdraaien); To — water = strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To — down before = wijken voor; Our train was —ed on to a siding = teruggezet op een zijspoor; To — out of an engagement = terugkrabbelen, zich er afmaken; To — out of a fix = met fatsoen uit een moeilijkheid komen; To — up = steunen (rug—); To — a horse = wedden op (in tegenstelling van den book-maker die ‘lays against’); To — the field = op alle paarden wedden behalve op de “favourite”; He would — himself for any amount to do it better than any of them = wilde wedden, maakte zich sterk; —bite = belasteren, kwaad spreken van; —biter; —-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van een (roei)boot; —bone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the —bone = door en door; He has no —bone = geen pit in zich; —-country = achterland, Hinterland (Amer.); —-door = achterdeur; uitvlucht, uitweg; —down: That statesman’s —down was an earnest of later success = zijn toegeven was eene belofte van later succes; High —ed chairs = met hooge ruggen; —er = helper, steuner; —fall = val op den rug (bij het worstelen); —gammon, bakgam’n, triktrakspel, bakspel; —ground = achtergrond: To keep in the — = blijven in; —-hand = subst. schuin linksch schrift; —-handed = met den rug van de hand, schuin links, dubbelzinnig, heimelijk: A —-handed compliment = dubbelzinnig; A —-handed blow (= back-hander) = met den rug van de hand: Fortune gave him a lift, with a —-hander to follow = Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a —-hander = extra glas (wijn etc.); —-house = achtergebouw; —-number (-volume) = oud, vroeger; —-payment (-rent) = achterstallige; —-piece, —-plate = rugbedekking (van een harnas); —-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); —-settlements = nederzettingen in het achterland (Amer.); —-side = achterzijde; achterste; —-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police; —slide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; —slider; —-staff, bakstâf, ouderwetsche quadrant; —-stair(s), bakstêə(z), subst. geheime trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers of the —stairs = lasterlijk gefluister; —stays = pardoens; —-sword, baksöd, soort houwdegen; schermstok met getralied handvatsel, het spel daarmee; —ward = adj. en adv. achterwaarts, rugwaarts, langzaam, traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting; schuchter (Amer.); lang geleden: It is —ward in us = achterlijk; —ward and forward(s) = heen en weer; To repeat —wards = achterste voren opzeggen; —wardation, bakwədeiš’n, korting voor het recht om eerst na 14 dagen te mogen leveren; —wards = van achteren naar voren; —-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen water door waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; —woods, bakwudz, Canadeesche oerwouden; —woodsman = een Peer, die nooit een zitting bijwoont (fig.).

Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; — verb. omkoopen.

Backy, baki, tobacco; —-box = tabaksdoos.

Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.

Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of — = zij spek: He may fetch a flitch of — from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met zijne vrouw (een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To save one’s — = er heelhuids afkomen.

Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological = bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology, bacteriologie.

Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a — way = hij is er slecht aan toe; That’s too — = dat is te kras; To feel — = onwel; boos; To go — = bederven (van eieren); To go from — to worse = van kwaad tot erger; You had it — = je hadt ’m leelijk “om”; To the — = schuldig, te kort; To drift (go) to the — = den slechten weg opgaan; —dish = vrij slecht; I want it —ly = heb het hoog noodig; He seems to be —ly off = hij schijnt het slecht te hebben; —ness = slechtheid.

Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.

Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); — verb. kenmerken: — of authority; — of an order; —d and crested ware = aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.

Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen); — verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a — = zoo kaal als een biljartbal; —-baiting (—-drawing) = dassejacht; —-dog = dashond; —-legged; —ly = grijzend.

Badi, bâdi, veete.

Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.

Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.

Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.

Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To — description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds = veranderlijke winden.

Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; — verb. in een zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig zitten: —s = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag (Schotl.): Alms (Collection) — = armenzakje; Blue (Green) — = zak voor akten, processtukken, etc.; City (Gladstone) — = soort valies; What’s the — to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away — and baggage = met pak en zak; He is a — of bones = de levende dood; To bear the — = baas over’t geld zijn; To get the — = den bons krijgen; To give the — = verlaten; bedriegen; To give one the — to hold = iemand bedotten; He let the cat out of the — = verklapte alles: How many hares have you —ged to-day? = geschoten? You’ve had your wind —ged at footer = bent achter adem gekomen bij het voetbal spel; —-fox, bagfoks, een door jagers medegenomen vos, die los wordt gelaten om op te jagen; —man, bagm’n, handelsreiziger (veroud.); —pipe = doedelzak; —piper; —-wig = pruik met haarzak; —ging = zaklinnen; —gy = zakachtig, flabberig; gezwollen: —gy cheeks.

Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel: —-board.

Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.

Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty, soft-hearted —; —-car (Amer.) = goederenwagen.

Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.

Bah, bâ, ba, foei.

Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).

Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel; stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: — verb. borg blijven; toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) — = tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) — for = borg blijven voor; To give (furnish) — = borg stellen; To — out = met een borgtocht bevrijden; hoozen; —bond, —-piece = schriftelijk bewijs van borgstelling; —sman = borg; —able, tegen borgtocht vrij te laten; waarvoor bail gegeven kan worden; —ee, beilî, borgtochthouder; —er (—or), beilə, borgtochtgever; —er, hoosvat, soort baggermachine; —ment = overdracht onder borgstelling; vrijlating tegen borgstelling.

Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old — = zetel van het Central Criminal Court in de City.

Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het rechtsgebied van een bailiff.

Bairn, bêən, kind.

Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser — volgt op Ramadan; Greater — volgt 70 dagen later).

Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; — verb. van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen, drenken en voeren; aanhitsen: To take the — = bijten; in de val loopen; Bear-—(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.

Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.

Bake, beik, bakken; —d meat = vleeschpastei; —r = bakker: A —r’s dozen = dertien; —r-kneed (—-legged) = met x-beenen (= —-feet); Bakery = —-house = bakkerij.

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; — verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off one’s — = wat van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in the — = hangt aan een zijden draad; I have a — (in my favour) at my banker’s = (batig) saldo; I’ll pay the — in sherry = wat er te kort is; To strike the — = de balans opmaken; — of power = staatkundig evenwicht; — of trade = handelsbalans; —-bridge = wipbrug; —-fish = hamerhaai; —-knife = tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken raakt; —-master, —-mistress = équilibrist; —-pole = balanceerstok; —-sheet = balans; —-step = zweefpas; —r = koorddanser; équilibrist.

Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.

Balcony, balkəni, balkon.

Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: —-face = slechte whiskey (Amer.); —-head(ed), —-pate(d), subst. (en adj.) = kaal(kop).

Baldachin, baldəkîn, baldakijn.

Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.

Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.

Baldwin, bôldwin, Boudewijn.

Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen. (Zie Bail). —-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.

Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.

Baleen, bəlîn, balein.

Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.

Balise, (Balize), bəlîz, baken.

Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling, veredeling; — verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de richting van haringscholen: —-line = streep (bij den onderband van een E. biljart); —er = een visscher, die vanaf een hoogte signalen geeft over de haringscholen; —y = koppig.

Balkan, bôlk’n of balkân: The —s = Balkanstaten.

Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; — verb. (zich) tot een bal vormen: — and socket joint = kogelgewricht; The — of the foot = bal, zool, holte van den voet; A — of wool = kluwen; Brandy —s = soort balletjes; Uncle three —s = “Oome Jan”; To have the — at one’s feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a — = stoppen (bilj.); To keep the — rolling = iets aan den gang houden = (To keep the — up); To load with — = met kogels; To open the — = het bal openen; discussies, strijd beginnen; To set (To start) the — rolling = iets aan den gang brengen; The snow —ed under the hoofs of the horses; —-cartridge = scherpe patroon; —-cock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit; —-proof = kogelvrij; —-room = balzaal.

Ballad, baləd, ballade; straatdeun; —-maker, —-monger = liedjesverkooper (—-maker).

Ballast, baləst, subst. ballast; puin; — verb. ballasten, in evenwicht houden; met puin bestrooien; —age = rechten op ’t innemen van ballast.

Ballet, balei, ballet: A hole in the — = ironische uitroep wanneer iemand blijft steken in zang of voordracht; —-dancer; —-master.

Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics = balistiek.

Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; — verb. (laten) opstijgen; opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red —s = ballonnetjes oplaten; Captive (Dirigible) — = ballon captief (bestuurbare); —er, —ist = luchtschipper.

Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming; loting; het aantal uitgebrachte stemmen; — verb. stemmen, balloteeren, uitloten: To cast a — = stemmen uitbrengen; To make a special — for = laten stemmen over; The — was taken on the resolution = er werd over gestemd; —-box = stembus; —-paper = stembriefje.

Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom, bijenkruid; — verb. zalven; verlichten, lenigen; —-cricket = zwarte veldkrekel; —iness = balsemachtigheid; —y = balsamiek, verzachtend: He is —y on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.

Balmoral, balmor’l, Balmoral; — boot = soort rijglaars; — cap = soort Schotsche muts.

Balneary, balnjəri, bad ...; Balnearies = bad, badplaats.

Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek, verzachtend (middel).

Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.

Baltic, bôltik, Baltisch: The — = Oostzee; Baltimore, bôltimö: —-bird = Am. zangvogel.

Baluster, baləstə, baluster: —ed = van balusters voorzien; —s = trapleuning; Balustrade = balustrade.

Bam, bam, zwendel; — verb. bedriegen.

Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de kribbe.

Bamboo, bambû, subst. bamboes; — verb. met een bamboesstok afranselen.

Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; —ment, bedriegerij; —r, bedrieger.

Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk; Ind. mousseline; — verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To be placed under the — of the law = (uit)bannen; A —ned exile; Zie Banns.

Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit, gemeenplaats.

Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; —-bird = pisangvogel.

Banbury: — cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To ride (a cock-horse) to — cross = een kind op de knieën laten rijden.

Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit in — = in plechtige zitting vereenigd zijn.

Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand, drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; — verb. (zich) vereenigen: A plain gold — = gladde (trouw)ring; He has a — upon his hat = rouwband; Endless — = drijfriem; — and gown = toga en bef; — of hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; — of pearls = snoer; Brass — = fanfarekorps; Musical — = muziekkorps; String — = strijkorkest; Wind — = blaasorkest; —-box = hoeden(linten) doos; fat: He looked as if he came out of a —-box = je kon hem door een ringetje halen; —-master = kapelmeester (Military —, Town-—); —sman, muzikant; hoboist; —-stand = muziektent; —age, bandidž, subst. verband, zwachtel; — verb. verbinden.

Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).

Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.

Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.

Bandit, bandit, (Meerv. —s of -ti, banditi), bandiet.

Bandog, bandog, bandrekel.

Bandoleer, bandəlîə, bandelier.

Bandoline, bandəlin, soort pomade; — verb. pomadeeren, toilet maken.

Bandore, bandö, bandö, soort luit.

Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen, disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.); adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en onpas genoemd; Don’t — words with me = disputeer niet; There is no use in our —ing incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen; —-legged = met O-beenen.

Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was considered the — of society = pest; Wolf’s — = wolfswortel; —wort, beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; —ful = giftig; doodelijk.

Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv. boem; — verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen, knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To close with a — = bons; —s = (valsch) ponyhaar (Amer.); —er = leugen: I never heard (told) such a —er = leugen; He —ed his fist on the table = sloeg met; To — things = hard neergooien; He —ed my hat in; To — each other with quarter staves = afranselen; That took my breath — away = plotseling; To do a thing in —-up style = royaal; —-shop = minder soort winkel (ook: Slap-and-—-shop).

Banghy, baŋgi, draagstok; —-post = postpakketdienst; —-wallah = drager.

Bangle, baŋg’l, armring, armband.

Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; —-eared = met slap neerhangende ooren.

Bangy = Banghy.

Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar; katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; —-days = dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt — (—-tree) = heilige Ind. vijgeboom.

Banish, baniš, verbannen; —ment, verbanning.

Ban(n)ister, banistə = Baluster.

Banjo, bandžou, banjo.

Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank, doft; — verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een bank, deponeeren, realiseeren: —er = bankier, bankhouder; grondwerker; visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.; modelleerbank: Discount (Mortgage —, Savings —) = Disconto (Hypotheek-, Spaar-) bank; — of Deposit (— of Issue) = Deposito (Circulatie) bank; He broke the — = deed de bank springen; A —ed-up fire = bedekt of ingerakeld vuur; —-agent = directeur van eene filiaalbank; —-bill = wissel, bankbiljet; —-book = bankboek; —-engine = hulplocomotief (bij hoogten); —-holiday = Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus en Kerstdag; —-note = bankbiljet; —-rate = bankdisconto; —smack = visschersvaartuig (Newfoundland); —-stock = kapitaalvoorraad; —ing and commission-business = bankiers- en wisselzaak (commissionairsz.): —ing-house = bankiershuis.

Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; — verb. bankroet gaan of maken: Act of — = faillietverklaring; — commissioner = curator; Bankruptcy Act = wet op het faillissement.

Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our —s = streed onder onze banieren; —ed = van banieren voorzien; —et = baanderheer; vaantje.

Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn, banəkbɐ̂n.

Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the — = kerkelijk afkondigen; To forbid the — = bezwaren inbrengen tegen de afkondiging.

Banquet, baŋkwət, subst. banket; — verb. banketeeren; —er = deelnemer aan een banket; —ing-hall = feestzaal.

Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug; trottoir.

Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.

Banstickle, banstik’l, stekelbaars.

Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch; klein; strijdlustig; gewichtig; —-work = nagemaakt Japansch snijwerk.

Banter, bantə, subst. scherts, boert; — verb. schertsen, gekscheren, schertsend plagen.

Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our — days = kinderjaren.

Banyan, banj’n = Banian (-tree).

Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.

Baptism, baptizm, doop: — of fire = vuurdoop; Baptismal = doop - -: — certificate (— font); Baptist = baptist: St. John the — = Joh. de Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken; Baptistic = doop - -; baptisten - -; Baptize = doopen.