Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 113
Song, soŋ, lied, gezang, zang, poëzie, kleinigheid: — of Solomon = Hooglied; Sacred — = gewijd gezang: Give us a — = zing eens wat; I bought the picture for a (mere) — = voor een appel en een ei; It’s the same — over again = het is altijd het oude liedje; —-bird = zangvogel; —-book = liederenboek; —-writer = liederendichter; —less; The feathered —sters; —stress = zangeres, zangster.
Soniferous, sənifərɐs, klinkend, klank voortbrengend.
Sonnet, sonət, subst. sonnet; — verb. sonnetten dichten; —eer, sonətîə, subst. sonnettendichter.
Sonometer, sənomətə, klankmeter; Sonorific, sounərifik, klank voortbrengend; Sonorous, sənôrəs, welluidend, hel klinkend; subst. —ness.
Sonties, sontiz, alléén in: By God’s — = waarachtig (veroud.).
Soodan, sûdân; Sooloo, sûlû: — Islands.
Soon, sûn, weldra, spoedig, vlug: No —er had he seen me, than = nauwelijks.... of; The —er the better = hoe eer hoe liever; —er or later = vroeg of laat; — got — gone = zoo gewonnen zoo geronnen; I would just as — be hanged = even lief; As — as he came = zoodra; I would —er = wou liever.
Soosoo, sûsû, dolfijn (van den Ganges).
Soot, sut, subst. roet; — verb. met roet besmeren (mesten); —iness = roetachtigheid; —ish = roeterig; —y = roetachtig, vuil.
Sooth, sûth: For, In — = voorwaar; —say = voorzèggen, voorspellen; —sayer = waarzegger; —saying = voorspelling.
Soothe, sûdh, vleien, liefkoozen, verzachten, tevreden stellen: —r.
Sop, sop, subst. iets ingedoopts of geweekts, sop(je), lekkerbeetje, een borrel (om iemand mee om te koopen); iets verzachtends; — verb. doopen, soppen, weeken: It was a — for the rage of the nation = het stilde de woede der natie; I must administer a — to my creditors = moet zien te bevredigen; —s-in-wine = soort anjelier; soort wijnappel; —per; —ping = —py = doorweekt.
Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar (= Junior —) of derde jaar (= Senior —) te Cambridge, en Sophomore = student in zijn tweede jaar (Amer.).
Sophia, səfaiə; səfîə (stad).
Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, sophist; Sophister = drogredenaar; student te Cambridge, Zie Soph: Sophistic(al), sofistik(’l), sophistisch; Sophisticate, sofistikeit, vervalschen, verknoeien; subst. Sophistication; Sophisticator = vervalscher; Sophistry, sofistri, sophisterij.
Sophocles, sofəklîz.
Sophomore, sofəmö. Zie Soph; Sophy, soufi.
Soporiferous, so(u)pərifərɐs, slaapwekkend: — medicine; Soporific, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soupərɐs, Soporose, soupərous, slaapwekkend, slaperig.
Soprano, səprânou (Meerv. —s, Soprani), sopraan.
Sorb, söb, peer, lijsterbes, sorbenboom; —-apple = vrucht daarvan, sorbepeer.
Sorbet, söbət, sorbet, verkoelende (Oostersche) drank bestaande uit gestampte rozijnen met citroensap, etc.
Sorcerer, sösərə, toovenaar; Sorceress = toovenares; Sorcery, sösəri, toovenarij.
Sordes, södiz, uitwerpselen.
Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; subst. —ness.
Sordine, södîn, sordine.
Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk, vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig, scherp; adv. zeer: It opened the old — = reet de oude wonde open (fig.); I have got a — throat = pijn in de keel; — against my will = zeer tegen; The pessimists and —-heads = pessimisten en mopperaars; I am —ly (sadly) in want of money = heb groot geldgebrek; subst. —ness.
Sorel, sor’l = Sorrel.
Sorex, sôrəks, spitsmuis.
Sorn, sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder genoodigd te zijn; Sornar = ongenoode gast.
Sororicide, sərorisaid, sərôrisaid, zustermoord(enaar); We have fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever verzusterd.
Sorrel, sor’l, subst. (klaver)zuring; rossige of roodbruine kleur, vos (paard); adj. rossig.
Sorriness, sorinəs, droefheid, ellendigheid.
Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; — verb. treuren, smart lijden: The —s of Werther; Every — has its twin joy = de tweeling der smart is de vreugde; He drowned his — in liquor = verzette zijne smart door drank; I heard it to my — = tot mijn leedwezen gehoord; Who goes a-borrowing goes a-—ing = borgen baart zorgen: —ful = treurig, ellendig; subst. —fulness.
Sorry, sori, bedroefd, armzalig: I am very — = het spijt me zéér; I am — to say = het spijt mij te moeten zeggen; I am — for what I have done = wat ik gedaan heb, spijt mij; He made a — figure = maakte eene armzalige figuur; To be in a — plight = ellendige toestand; It was a — sight = een treurig gezicht.
Sort, söt, subst. soort, orde, stel, manier, rang, wijze; — verb. sorteeren, samenvoegen, zich vereenigen, overeenstemmen, passen: He is a bad — = hij deugt niet; To be a good — (Too good a — for) = een beste vent (te goed voor); After a —, In a —, In some — = eenigermate, om zoo te zeggen; All —s and conditions of men = menschen van allerlei slag; Gossip of —s = allerlei onbeduidende praatjes: A poet of —s = een “stuk” dichter; I am out of —s = voel me niet lekker, ben niet monter, ben wat korzelig; We are out of —s = hebben niet meer van die letter; We run upon —s = wij moeten kolossaal veel van eene bepaalde lettersoort hebben; He — of dumbfounded me = hij deed me zoowat versteld staan; You two are well —ed = hoort net bij elkaar; I will not — with such rogues = mij niet ophouden; —er = sorteerder.
Sortes, sötîz, voorspellingen door het openslaan van een boek en ’t nemen van den eersten zin waarop het oog viel: He used to dip into the Aeneid, seeking —.
Sortie, sötî, sötî, uitval.
Sortilege, sötiledž, waarzeggen door loten.
Sori, sôrai, vruchthoopje op varenbladeren; Enkelv. Sorus.
Sot, sot, versufte dronkaard; — verb. zijn verstand verzuipen; —tish = zot, verzopen; subst. —tishness.
Sotheby, sɐthbi, southbi.
Soubrette, sûbret, soubrette.
Souchong, sûšoŋ, sûšoŋ, zwarte thee.
Souchy, sûtši, gekruide peterseliesaus bij visch.
Soudan, sudân; Soudanese.
Sough, sɐf, sau, subst. gesuis, zucht; — verb. zuchten, suizen: The — of the bellows = het hijgen der blaasbalgen.
Sought, sôt, imperf. en p. perf. van to seek.
Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed: He is a good — = een goeie ziel; The — of a party = ziel (fig.); Not a — can hear us = geen schepsel hoort ons; We never see a — here = geen “christenziel”; Cure of —s = zielezorg; I could not for the — of me understand = mij ter wereld niet begrijpen; Upon my — = bij mijne ziel; With all my — = van ganscher harte; He is completely cowed by his wife and dares not (to) call his — his own = hij durft geen boe of ba zeggen: God rest his — = zijne ziel ruste in vrede; To unburden one’s — = zijn gemoed uitstorten; —-seller = zielverkooper; —-sick = zielsziek; —less = zonder hart of ziel.
Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon: sond of zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch; sondeernaald (The — = de Sont); adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide, sterk, gegrond, rechtmatig, onwrikbaar, vast in de leer; — verb. klinken, weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend maken, peilen, looden, sondeeren, onderzoeken, uithooren: We arrived safe and — = gezond en wel; As — as a (bell, colt) roach = zoo gezond als een visch; As — asleep as a church = zoo vast in slaap als een mol; In — earnest = in vollen ernst; I feel on — ground = op vasten bodem; — health = goede; — horse = zonder gebreken; Yours is — reasoning = gij redeneert gezond; He got a — thrashing = een duchtig pak ransel; To — the charge = blazen tot den aanval; His praise was —ed all over the country = werd uitgebazuind; Have you —ed him on (about, as to) that subject yet = hem daarover al eens gepolst; —-board = klankbord; —-hole = klank- of galmgat; Sounding = klinkend, welluidend; subst. klinken, peilen: —s = peilbare plaats(en) in den oceaan, looding; To get on -s = ankergrond aanlooden; We lost our —s = wij konden geen grond meer vinden, waren uit ons vaarwater (fig.); We struck —s = Got on —s; To take —s = looden; —-board = klankbord; —-line = schietlood, loodlijn; —-post = plankje beneden den kam eener viool; —-rod = peilstok; Soundless = stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; Soundness = de gelijkheid, zuiverheid, gaafheid.
Soup, sûp, soep: Portable — = soeptablet; —-kitchen = soepkokerij; —-maigre, sûpmeigə, magere soep; —-plate; —-ticket = soepkaartje; —-tureen = soepterrine.
Sour, sauə, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig; — verb. zuur maken, verzuren, knorrig maken: That has —ed my joy = mijne vreugde vergald; Rye-bread —s on my stomach = van roggebrood krijg ik het zuur; —-crout (—-krout) = zuurkool; —-dock = veldzuring; —-dough = zuurdeeg, gist; —-faced = met een zuur gezicht; —ish = zuurachtig; —ness = zuurheid, etc.
Source, sös, bron, oorzaak, oorsprong.
Souse, saus, subst. pekel, de ooren en pooten van varkens in pekel, onderdompeling, het plotselinge neerschieten op; — verb. pekelen, onderdompelen, neerschieten op (upon) (van roofvogels); adv. plotseling, hevig.
Soutane, sûtein, toog, soutane van Roomsche geestelijken.
South, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid; — verb. zich naar het Z. bewegen: — of the island = ten zuiden van het eiland; —-down, subst. en adj. (schaap) uit de duinstreken van Hampshire en Sussex; —-east = subst. zuidoosten; adj. zuidoostelijk; —-easterly, —-eastern = zuidoostelijk; —erly, sɐdhəli, zuidelijk; —ern, sɐdhən, zuidelijk: —ern Cross = zuiderkruis (sterrenbeeld); —ernwood = soort alsem; —erner, sɐdhənə, bewoner van de Z. Staten der Amer. Unie; —ernmost = zuidelijkst; —ing, saudhing, subst. richting of beweging naar het Z.; —ward = sauthwəd, zuidwaarts(ch); —west, subst. zuidwesten; adj. zuidwestelijk; —wester, southwestə, zuidwestenwind; zuidwester; —-westerly, —-western.
Southam, saudh’m; Southampton, sauthamt’n, sɐdh(h)am(p)t’n; Southend, sauthend; Southey, saudhi, sɐdhə.
Southron, sɐdhr’n, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam door de Schotten aan Engelschen gegeven; adj. zuidelijk.
Southwark, sɐdhək; Southwell, sauthwel, sɐdhəl.
Sovereign, sovərin, sɐvərin, subst. heerscher, opperheer, souverein, monarch, E. goudstuk van 20 shillings; adj. oppermachtig, heerschend, onovertroffen, grootste, krachtdadig: —ty = oppermacht.
Sow, sau, zeug; metaalklomp: To have (get, take) the right (wrong) — by the ear = den rechte (verkeerde) te pakken hebben (krijgen); —-backed = met krommen rug; —-bread = varkensbrood (plant); —-thistle = moes, melkdistel.
Sow, sou, zaaien, verspreiden, uitstrooien: —ing-machine.
Sowar, souâ, sauâ, inlandsch cavalerist (Brit. Ind.).
Sowerby, sauəbi; Sowter, sautə.
Soy, sôi, soja.
Spa, spâ, minerale bron, badplaats: To go to a — = naar een badplaats gaan.
Space, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, spatie; — verb. spatiëeren (met out): For a — = voor een tijdje; Into — = in ’t niet; In — comes grace = komt tijd, komt raad; Spacious, speišəs, ruim, uitgestrekt: A — hall = ruime, groote zaal; subst. —ness.
Spaddle, spad’l, kleine spade, schopje.
Spade, speid, subst. spade, schop (—s = schoppen in ’t kaartspel), driejarig hert, ruin, gecastreerd dier; — verb. graven, spitten: Ace, King, Queen, Knave of —s = schoppenaas, heer, enz.; He calls a — a — = noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called —s something more than —s = droeg hij de waarheid wel wat al te naakt voor; —-bayonet = breede bajonet: —-guinea = schopjesguinje van 1787–1799 (wegens het schopvormig schild op de keerzijde); —-husbandry = bebouwing van ’t veld door diep omgraven; —ful.
Spadiceous, spədišəs, kastanjebruin.
Spadill(e), spədil, schoppenaas in omber en quadrille.
Spahee, Spahi, spâhi, ruiter bij de vroegere Turksche lichte cavalerie; Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst.
Spain, spein, Spanje.
Spake, speik, oud imperf. van to speak.
Spalding, spôldiŋ.
Spalt, spôlt, toeslag bij ijzererts.
Span, span, subst. span, korte tijd, span paarden, etc., spanning; — verb. spannen, overspannen, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar passen (Amer.): A beautiful — of black oxen = jok zwarte ossen; The Almighty has seen fit to shorten his — = hem vroeg van ons te nemen; Long — = 9 inch.; Short — = 7 inch.; —-long = eene spanne lang; —-roof = zadeldak; —ner = spanner, ratel, schroefsleutel.
Span, span, Imp. van to spin.
Span, span: —-clean = spiegelglad; —-new = Spick-and-—-new = fonkel(splinter)nieuw.
Spancel, spans’l, touw om de achterpooten van koeien of paarden te binden; ook verb.
Spangle, spaŋg’l, subst. loovertje; — verb. met loovertjes tooien of versieren: —d heavens = sterrenhemel; The sky was —d with luminous stars = bezaaid met.
Spaniard, spanjəd, Spanjaard.
Spaniel, spanj’l, subst. patrijshond, Bolognezer (Maltezer) schoothondje; lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend.
Spanish, spaniš, Spaansch: — castle = luchtkasteel; — chalk = kleermakerskrijt; — fly; — woman = Spaansche.
Spank, spaŋk, subst. klap met de vlakke hand; — verb. met de open hand slaan, klappen; vlug loopen; —er = bezaan (scheepsterm); snel renpaard, iets buitengewoons, groote leugen, lange kerel; —er-boom = giek; —ing = groot, grof, krachtig, kranig, flink, aanzienlijk, levendig, vlug: A —ing breeze = krachtige bries; The grey went at a —ing pace = liep er vlug over heen.
Spar, spâ, subst. spar, rondhout, spaath, schijnstoot, vuistgevecht; —s = rondhouten; — verb. de armen uitslaan bij het boksen, met de sporen slaan, redetwisten: He was —ring away like clockwork = sloeg er automatisch op los; —ring-match = bokspartij; —ry = spaathachtig.
Sparable, sparəb’l, schoenspijker.
Sparadrap, sparədrap, hechtpleister.
Spare, spêə, adj. schraal, mager, dungezaaid, matig, spaarzaam, waarloos (scheepst.), overtollig, wat over is; — verb. sparen, over hebben, spaarzaam omgaan met, vergunnen, toestaan, kunnen missen, doen zonder, schenken, ontzien, nalaten, etc.: There was room enough and to — = er was overvloed van ruimte; A — anchor, sail = reserve (nood)anker of zeil; I have a — bedroom = nog eene slaapkamer over; — cash = geld over; A — guest-bed-chamber = logeerkamer; He made it in his — time = in zijne snipperuren; Have you any tickets to —? = heb je nog over; Enough and to — = volop; You need not — costs = geene kosten te ontzien; I will — you the trouble = u de moeite sparen; I cannot — this workman = niet missen; Could you — (me) your grammar for half an hour? = uwe grammatica missen; He did not — himself = ontzag zichzelf niet; The teacher did not — for his crying = sloeg maar toe, niettegenstaande zijn schreeuwen; — to speak, and — to speed = een grienende hond krijgt iets, een zwijgende niets; Ever —, ever bare = te veel bewaard is voor de kat bespaard; —rib = ribstuk; —ness = magerheid. Zie Sparing.
Sparge, spâdž, besprenkelen.
Sparing, spêriŋ: — of time = zuinig op; — of words = karig met woorden; — dinners = schrale diners.
Spark, spâk, subst. vonk, sprank; vroolijke Frans, bluffer, minnaar; — verb. het hof maken: He is but a dull — = een echte suffer; No — of feeling = geen greintje gevoel; The stone emitted —s = spatte vonken; His master was —ing within = zijn heer zat daarbinnen te “flirten”, te vrijen; Sparkle, spâk’l, subst. gefonkel, geflikker, glans; — verb. fonkelen, schitteren; Sparkling = fonkelend, schitterend, levendig: — wine = parelende, mousseerende.
Sparling, spâliŋ, spiering, zeezwaluw.
Sparrow, sparou, musch: Hedge — = bastaard nachtegaal; —-bill = snavel van een musch; schoenspijker; —-grass = asperge; —-hawk = sperwer.
Sparse, spâs, dun gezaaid of verspreid: The population is — = woont verspreid; subst. —ness.
Sparta, spâtə, Sparta; —n, subst. en adj. Spartaan(sch): —n broth; —n dog = bloedhond.
Spasm, spazm, kramp, krampachtige poging; —odic, spazmodik, krampachtig.
Spat, spat, imperf. en p.p. perf van to spit.
Spat, spat, subst. zaad (v. oesters), jonge oesters; — verb. zaad schieten.
Spat, spat, slobkous: He was neatly —ted = had keurige —s aan.
Spatch-cock, spatškok, gedoode en onmiddellijk daarop gebraden haan.
Spate, speit, plotseling opkomende overstrooming: Mountain streams in — = bergstroomen die hoog gezwollen zijn.
Spatter, spatə, bespatten, spatten, bekladden, “sputteren” (bij het praten); —dashes = slobkousen: —ing-leather = spatkleed.
Spatula, spatjulə (Spatule, spatjûl) spatel; Spatular, Spatulate = spatelvormig.
Spavin, spavin, spat (bij paarden): —ed.
Spawn, spôn, subst. kuit, broed, gebroed (fig.); — verb. kuitschieten, uitbroeden (fig.): This is the latest — the press has cast = het jongste prul dat de pers heeft geleverd; —er = kuiter; —ing grounds = plaatsen waar de visch kuit schiet.
Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeelen: They do not — now = spreken niet meer met elkaar; His life —s him a man of sweet temper = zijn leven bewijst, dat; These two facts — the whole book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent het geheele boek in; To — one’s mind = zeggen waar het op staat; This —s volumes = dit zegt meer dan boekdeelen vol; He was worth —ing fair = het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was a chivalrous man and spoke her fair = en sprak vriendelijk tot haar; He spoke off-hand = voor de vuist; They — well of him = gunstig over; To — at a person = iemand (in zijne tegenwoordigheid) bespreken; To — by word of mouth = zich mondeling uiten; The fact —s for itself = is duidelijk genoeg: This wine —s for itself = recommandeert zichzelf; He has no fortune to — of = zijn fortuin is niet noemenswaard; He spoke of it at some length = er uitvoerig over; — out = spreek vrijelijk; He spoke to me under his breath = fluisterde met mij; He wants to be spoken to = moet eens een standje hebben; — up = spreek luid, vrij uit; We have always spoken up for the good qualities in his poetry = hebben het altijd opgenomen voor; We spoke the ship off Dover = praaiden; Speaker = spreker, voorzitter v. het House of Commons: He is an excellent public — = uitstekend redenaar; —ship = voorzitterschap; Speaking: A — likeness = sprekende; — below the mark (within bounds) = ten minste; — on the outside = ten hoogste; — broadly, generally = in ’t algemeen gesproken; —-trumpet = scheepsroeper; —-tube = spreekbuis.
Spear, spîə, subst. speer, lans, spriet; — verb. met lans of speer doorboren of dooden, hoog opschieten; —-grass = struikgras, kweekgras; —-hand = rechterhand van een ruiter; —-head = punt v. lans of speer; —man = lansknecht; —mint = groene munt; —-side = mannelijke lijn v. een geslacht; —-thistle = speervederdistel; —-wigeon = middelste zaagbek; Greater —-wort = groote boterbloem; Lesser —-wort = egelboterbloem.
Spec, spek, verk. v. Speculation; —s = verk. v. Spectacles; ook: oogen (schertsend).
Special, speš’l, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel aangewezen, extrablad extratrein; adj. bijzonder, buitengewoon, speciaal, extra, uitdrukkelijk, voortreffelijk: Extra — = extratijding; The newspaper —s are not in it with you = de extratijdingen der couranten halen niet bij u; — constable = burger, die bij bijzondere gelegenheden als politiedienaar wordt beëedigd en in dienst gesteld; — train; — verdict = vonnis der jury omtrent de feiten alleen; Specialist = specialiteit; Speciality, spešialiti, bijzonderheid, bijzonder geval: Chance brought him a — = het toeval speelde hem de gelegenheid in handen; Specialization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie, etc.), aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor bepaalde functiën; Specialize = wijden aan een bepaald vak of eene bepaalde functie; Specialty = specialiteit, bijzonder contract.
Specie, spîši, baar geld, klinkende munt.
Species, spîšîz, soort, geslacht: —-monger = peuteraar.
Specific, spəsifik, subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde ziekte of pijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar: A — for the toothache = onfeilbaar middel tegen; — gravity = soortelijk gewicht; — name = de naam van het geslacht of de familie; Specification = specificatie, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden; Specify, spesifai, in bijzonderheden vermelden, specificeeren.
Specimen, spesim’n, proef, staaltje, exemplaar: —-book = staalboek; —-page = proefblad; —-scheme of instruction = ontwerp-leerplan.
Specious, spîšəs, schoonschijnend, plausibel; subst. —ness.
Speck, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stip; spek (v. walvisch); — verb. bespikkelen; Speckle, subst. spikkel; — verb. bespikkelen; —d = gespikkeld; subst. —dness; Speckless = vlekkeloos.
Spectacle, spektək’l, schouwspel, vertoon(ing): A pair of —s = een bril; To look through very roseate —s = door een erg rooskleurigen bril kijken (fig.); He wears —s = draagt een bril; —-case = brillenhuisje; —-frame = montuur; —-glass; —-snake = brilslang.
Spectacular, spektakjulə, bij wijze van schouwspel of vertooning; Spectator, spekteitə, toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spekteitrəs (—triks), toeschouwster.
Spectral, spektr’l, spookachtig, spook...; spectraal: — analysis; Spectre, spektə, spook, geestverschijning: The — of the salt = het spooksel van rang- en standverschil; The — self = de spookgestalte, het visioen.
Spectroscope, spektrəskoup, spectroscoop; Spectrum, spektr’m, spectrum: Solar —; — analysis = spectraal analyse.
Specular, spekjulə, als een spiegel, spiegelend, spiegel...
Speculate, spekjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken; speculeeren; Speculation, spekjuleiš’n, overpeinzing, bespiegeling; speculatie; een kaartspel; Speculative, spekjuleitiv, bespiegelend, theoretisch, speculatief: — beet-market = termijnmarkt v. bietsuiker; subst. —ness = ondernemingsgeest; Speculator, spekjuleitə, theoreticus; speculant.
Speculum, spekjulɐm, metalen spiegel: Ear, Nose —; — oculi = oogspiegel; — oris = mondspiegel.
Sped, sped, imperf. en p.p. van to speed.
Speech, spîtš, taal, spraak, redevoering: The parts of — = rededeelen: He delivered (made) a brilliant — = hield eene schitterende redevoering; No —making, please = houd je redevoeringen voor je, alsjeblieft; —-day = jaarl. prijsuitdeeling in scholen met de van buiten geleerde lesjes der leerlingen; —-maker = redevoeringenhouder; —ify = toespraken houden; —less = sprakeloos, stom; —less with amazement = stom van verbazing; subst. —lessness.
Speed, spîd, subst. spoed, snelheid, bespoediging, voorspoed; — verb. haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed succes, of: het beste wenschen, varen: We were steaming on at full — = met volle kracht; The horseman was spurring on at the top of his — = spoorslags; Good — = goed succes! How —s life under your roof? = hoe vaar jullie allen; May God so — me as I wish your welfare = moge God zóó met mij zijn als ik u het beste wensch; To — the parting guest = een heilwensch toebrengen; We sped on through the forest = snelden voort; —well = eereprijs (plant); —er; —ily = —y; —iness = spoed; —y = spoedig, haastig, snel.
Spell, spel, subst. tooverformule, betoovering; aflossing, hulp, rust, arbeidsduur, wacht (op het schip), tijdje; — verb. betooveren, beschutten, beteekenen, spellen, ontcijferen; aflossen: — and — = om de beurt; To take — and — = elkaar aflossen; We had a — of rainy weather = een tijd van regenachtig weer; He spoke for some minutes at a — = achtereen; The birdie was under the serpent’s — = kon van angst voor de slang niet weg, was door de slang als behekst; To cast (lay, set) a — on = betooveren, beheksen; He had laid the public mind under a — = den geest van ’t volk betooverd; I can — out this lesson if necessary = dit lesje met wat moeite lezen; How does it —? hoe spelt men dat; It has become a proverb that Shakespeare —s ruin = dat opvoeringen van de stukken van S. zwaar verlies opleveren; —-bound = —-stopped = betooverd; —er: He is a bad —er = kan niet zonder spelfouten schrijven; —ing: —ing-bee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het spellen; —ing-book = spelboek; —ing reform faddists = verwoede spellinghervormers.
Spellicans, spelik’nz = staafjes van stroo, hout of ivoor, gebruikt bij het knibbelspel; dit spel zelf.
Spelt, spelt, imperf. en p.p. van to spell.