Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 47

Chapter 473,196 wordsPublic domain

Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation = berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje; Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.

Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; — verb. grappen maken: That was the — of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much — = niet erg leuk zijn; I did it for (in) —, for the — of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) — = veel pleizier hebben; He made — of it = hij maakte er een grapje van; To poke — at = voor de mal houden.

Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.

Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; — verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway —s no longer = die baan is buiten dienst; —al-disease = organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.

Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (—s = nationale schuld, geld, financiën) — verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor; —-holder = actiënhouder; —ed debt = staatsschuld, die de regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; —ing-system = amortisatie-stelsel.

Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; —al, fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; subst. basis, grondslag, grondtoon: —al bass = becijferde bas, aanduiding der accoorden door hun grondtoon.

Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.

Funen, fjûnən.

Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: — pile = brandstapel; —-sacrifice = doodenoffer; —-sermon = lijkrede; —-train = begrafenisstoet; —ize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis ..., treurig: A — gait = begrafenispas.

Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi, fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig; Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: — flesh = wild vleesch.

Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.

Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular, fjunikjulə, kabel- of touwvormig: — railway = kabelspoorweg; Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.

Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop, knorrigheid; — verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn: He was in a blue — = zat vreeselijk in de rats; You seem to — it = gij schijnt het niet aan te durven; —er = bange, benauwde vent; —y = angstig.

Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); —-form (—-shaped) = trechtervormig; —-net = fuik.

Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst. soort van roeiboot; —-bone = elleboogsknokkel: A rap on the — = weduwnaarspijn.

Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; — verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); —below, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; — verb. met bont voeren of omzoomen; —-moth = mot; —-trimmed = met bont omzoomd; —red = met bont gevoerd; —ring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen, spijkerhuid; —ry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont ...

Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; —er = polijster, zwaardveger.

Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking.

Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); —aceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.

Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol, geweldig, levenmakend; subst. —ness.

Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).

Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.

Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; — verb. verlof toestaan: He is on — = met verlof.

Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.

Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.

Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere ‘conditie’ komen (rensport): They —ed him forth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; —er = leverancier, behanger.

Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of — = meubelen; —-van = verhuiswagen; The coffin was destitute of — = de kist had geen zilveren hengsels, etc.

Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; —y = bontwerkerszaak, bontwerken.

Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; — verb. doorploegen, groeven of rimpels trekken in; —-drain = voor (om water af te voeren); —-faced = met gerimpeld gelaat.

Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; — verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the — side = aan den anderen (tegenovergest.) kant; — than this = buiten dit alles; —ance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In —ance of = ter bevordering van; —er = bevorderaar; —more = bovendien; —most = het verst verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the furthest = op zijn laatst.

Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.

Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.

Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de drie wraakgodinnen.

Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.

Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, vereeniging.

Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.

Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.

Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.

Fusiform, fjûziföm, spilvormig.

Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); —eer, —ier, fjûzilîə, fuselier; —(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; — verb. neerschieten, fusileeren.

Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; — verb. woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: — and feathers = veel geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and —ed over its bed = schuurde en klaterde; The tug —ed and fretted, tossing over the green waves = pufte en woelde; The animal was —ing and fuming after it = liep er puffend en woedend achteraan; —iness = drukte, enz.; —y = drukte makend, druk: A —y looking fellow = een opgewonden, druk standje.

Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.

Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; — verb. duf en muf worden; —y = muf, duf, bedorven.

Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel verfhout; Fustin = Fusteric.

Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van fustein; opgeblazen, gezwollen.

Futhork, fûthök, runenalphabet.

Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility = beuzelachtigheid.

Futtock, fɐtək, oplanger: —-shrouds = puttings.

Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the — = waarzeggen; In the — = in de toekomst; In — = voortaan; adj. toekomstig: — tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.

Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; — verb. in kleine deeltjes wegvliegen; —-ball = stuifzwam; —-wigged = met krullige pruik; —iness, donzig(vlokkig)heid; —y = vlokkig, donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.

Fy, fai, foei!

Fyke, faik, fuik; —-fisherman; —-net (Amer.).

Fytte, fit, zang, vers.

G.

G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af; Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand) C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman); Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic); Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain); Greg(ory); Gtt = druppels.

Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; — verb. praten, snappen, kakelen: He has the gift of the — = hij kan praten als Brugman; —ble, subst. luid gekakel, druk gerammel; — verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; —ble-mill = het Congres (Amer.); —by = praatziek.

Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.

Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.

Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).

Gabion, geibj’n, schanskorf; —ade, geibjəneid, geibjəneid, versterking van schanskorven, krib; —age = schanskorven; —ed = met —s.

Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped — = trapjesgevel; —-roof = zadeldak; —-window = gevelvenster; —d = van gevels voorzien.

Gabriel, geibriəl.

Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.

Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel; — verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not know what to say on the — = zoo gauw; His imagination was —ding = zijne fantasie was aan het dwalen; —-about = belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a —-about spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven; —-fly = horzel, paardevlieg; —der = —-about; —ling, subst. vagebond; adj. zwervend; —dle = aan het zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads —dling = bracht al hunne hoofdjes op hol.

Gadelle, gədel, roode bes.

Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland, Ierland en het eiland Man.

Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.

Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.

Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; — verb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak: To blow the — = verraden; —-topsail = gaftopzeil.

Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.

Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).

Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht; — verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); —ger = knevelaar.

Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z. Gauge); — verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.

Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.

Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily, geili, vroolijk.

Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.

Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; — verb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To — the day = de overwinning behalen; They have —ed ground of late = zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They —ed the other side = bereikten; That will — us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have —ed the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have —ed him into that act = er toe overgehaald; My good behaviour —ed on him = nam hem voor mij in; I shall try to — him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy —ed upon us = inhalen, voordeel behalen op; —er = winner; —ing = het winnen of verkrijgen; —ings = behaalde winst.

Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; —er = loochenaar; —ing = tegenspraak, ontkentenis.

Gainst, genst, geinst, verk. van against.

Gairdner, gâdnə: — Lake.

Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The pictures went off at a rattling — = gingen grif van de hand; —ed, in samenstell.: Heavy —ed = langzaam.

Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; — verb. van slobkousen voorzien.

Gal, gal = girl.

Gala, geilə, gala, feestelijkheid; —-day = feestelijke dag; —-dress = galakleeding.

Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs, melkhoudend.

Galage, galidž, klomp, overschoen.

Galantine, galənt(a)in, galantine.

Galatia, gəleišə, Galatië; —n, bewoner v. Galatië.

Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.

Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling; — verb. snel zeilen: Great events are in the — = in de lucht, op til; —-day = rentedag.

Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131–200).

Galicia, gəlišə, Galicië; —n, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.

Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.

Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.

Gal(l)iot, galiət, galjoot.

Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land; — verb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen; —-bladder = galblaas; — of glass (Zie Sandiver); —-fly = galwesp; —-nut = galnoot; —-sickness = galkoorts; —-stone = steen (in de blaas).

Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; — verb. het hof maken, hoofsch behandelen; —ly = galant.

Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig; —ly = dapper; —ry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.

Galleon, galj’n, galjoen.

Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent: Shooting-— = schiettent; He is playing to the — = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.

Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam: The article went straight from the — to the stone = werd ongecorrigeerd gedrukt; —-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord Mayor; —-pepper = kolenasch; —-slave = galeislaaf; —-worm = soort. v. duizendpoot; —-west: That knocked the mystery —-west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).

Gallia, galiə, Gallië; —n, galiən, Gallisch.

Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel; —ise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.

Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: —an); uit galnoten getrokken; —ism, galisizm, Fransch idioom; —ize = verfranschen.

Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.

Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.

Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.

Gallipot, galipot, likkepot.

Gallium, galiəm, gallium.

Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.

Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).

Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.

Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial — = ± 4.54 L.

Galloon, gəlûn, lint, band, galon; —ed.

Gallop, galəp, subst. galop; — verb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen; —ing-consumption = vliegende tering; —ade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”; — verb. galoppeeren, een galop dansen.

Gallow, galou, doen schrikken.

Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.

Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).

Gallows, galouz, galg, galgebrok (= —-bird); —es = bretels (Amer.); —-bits = galg (op een schip); —-free = van de galg gered; —-ripe; —-tree = galg; —ness = ondeugendheid, boosheid.

Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.

Galoche = Galosh.

Galoot, gəlût, lummel, kerel.

Galop, galəp, galop (dans).

Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery — = zij heeft een rijkdom aan juweelen.

Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.

Galvanic, galvanik, Galvanisch: —-battery = Galvanische batterij; — current; — pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.

Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.

Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.

Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.

Gambado, gambeidou, slobkous; —es = aan het zadel bevestigde rijlaarzen.

Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).

Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They —d away their lives = verdubbelden, vergooiden hun leven; —r.

Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.

Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; — verb. springen, huppelen.

Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch; —-roof = tentdak.

Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar; — verb. spelen: A — at cards, at dice, at (of) chess; A — of chance = hazardspel; Popular —s = volksspelen; Is that your little —? = voer je dat in je schild? That is not my — at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The — is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made — of us = hield ons voor den gek; I am — to do it = ik ben bereid; He is — to play that part = geschikt; All hoped he would die — = dat hij als een man zou sterven; He went to America much —r than we could have expected = met meer moed (flinker) dan ...; —-bag = weitasch; —-birds (—-fowls) = kempvogels; —-cock = kemphaan; —keeper = jachtopziener, koddebeier; —-laws = jachtwetten; —ful, —some = dartel, vroolijk, speelsch; subst. —someness; —ster = speler, dobbelaar; Gaming: —-debt = speelschuld; —-house = speelhuis; —-table = speeltafel.

Gamin, gamin, straatjongen.

Gamma, gamə, toonladder.

Gammer, gamə, moedertje.

Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Back—); bedriegerij; — verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No — with me! = ’k laat me niet bedotten!

Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; — verb. bollen of uitzetten.

Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The — of human feeling.

Gamy, geimi = Game (adj.).

Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the — = gelijke monniken gelijke kappen.

Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: —-board = loopplank, valreepsbord; —-cask = watervat (op een schip); —way = pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the —way = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the —way = hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de gangway te bereiken); —-week = rondgangweek (Z. Rogation); —er = opzichter van een arbeidersploeg.

Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.

Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.

Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; — verb. het koudvuur krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.

Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.

Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.

Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to run the — = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the — of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot; He took up the — = hij nam den handschoen op.

Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.

Gaol; džeil; Zie Jail; —er.

Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; — verb. een gat maken in; He stood in the — for all his friends = hij sprong in de bres voor; We had to stop the — = moesten het gat stoppen (ook fig.); —-toothed = met holten tusschen de tanden.

Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; — verb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the —s = hebben de gaapziekte; We were —d at by all = werden aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.

Gar, gâ, geep; — verb. dwingen, veroorzaken.

Garage, garâž, garage.

Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s —; —ed = gekleed.

Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; —d = van ingewanden gereinigd.

Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier; —r = schifter, vervalscher.

Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).

Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; — verb. onderstboven gooien, storen.

Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; — verb. tuinieren, een tuin aanleggen; — City = Chicago; The — = de markt (= Covent — in Londen); —-glass = tuinspiegel; —-house = tuinhuisje; —-mould = tuin- of teelaarde; —-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; —-stuff = groenten, enz.; —-tools = tuingereedschap; —er = tuinier.

Gardenia, gâdînjə, gardenia.

Gare, gêə, grove wol op schapepooten.

Garfish, gâfiš, geep.

Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.

Gargery, gâdžəri.

Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.

Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; — verb. gorgelen, kweelen.

Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).

Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.

Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.

Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet; — verb. met kransen tooien.

Garlic, gâlik, knoflook; —-eater = scheldnaam voor Joden; —ky = knoflook bevattend.

Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The —age of life = het uiterlijke des levens.

Garner, gânə, subst. graanzolder; — verb. opstapelen (van koren), verzamelen.

Garnet, gânət, granaatsteen.

Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi; — verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. —ment.

Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.

Garret, garət, vliering, zolderkamertje; —-master = meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen; —eer, garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.

Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; — verb. in garnizoen leggen, bezetten.

Garron, gar’n, klein Schotsch paard.

Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging); — verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; —r = straatroover.

Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek, snapachtig.

Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; — verb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the — = Ridder van den Kouseband.

Garth, gâth, hof, vischweer.

Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.

Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; — verb. wauwelen, bluffen: How he was —sing = wat was hij aan ’t opsnijden; —-buoy = gasboei; —-bracket = gasarm; —-coal; —-condenser = gascondensator; —-cooker = gasfornuis; —-engine = gasmotor; —-fitter; —-fitting = gasaanleg; —holder = gashouder; —-jet = gasvlam, gaspit; —-lamp = lamp, lantaarn; —-light; —-main = hoofdleiding; —-mantle = gloeikousje; —-meter = meter; —-motor; —-pipe; —-range = gaskookkachel; —-regulator = gasregulateur; —-retort; —-tar = koolteer; —-works = gasfabriek; —alier, —elier, gasəlîə, gaskroon; —eity, gesîiti, gasachtigheid; —eous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; —iform = gasvormig; —ify = in gas veranderen; —oline, gasəlîn, gasoline; —ometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten van gas; —sy = gasachtig; opgeblazen.

Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; —ade, gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij; — verb. snoeven, grootspreken; —ader = bluffer, “opsnijer”; —y, gaskəni, Gascogne.