Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 135

Chapter 1353,016 wordsPublic domain

Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in (deliver, give, return) a — = uitspraak doen; To pass one’s — upon = zijn oordeel uitspreken over.

Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.

Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the — of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed —s on madness = grenst aan waanzin; We stood upon a hill which —d to the south = die naar het zuiden afhelde.

Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.

Veriest, veriəst, Zie Very.

Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden; Verification = bevestiging, staving, verificatie: In — of = ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen, waar maken.

Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd, waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti, waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the standard of — = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.

Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and look of his smacks of — = heeft iets zuurs (onaangenaams).

Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.

Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.

Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə, wormachtig, wormvormig: —-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous, Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform, vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž, wormmiddel.

Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The — Sea = Golf van Californië; —ed = vermiljoen-rood geverfd.

Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig: —-destroyer = —-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; —ous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.

Vermont, vɐ̂mont.

Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.

Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst. taaleigen, moedertaal: — disease, idiom, language, tongue; —ism = idioom, dialect; —ize = inburgeren.

Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: — equinox = dag- en nachtevening; — signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.

Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese, verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica, vəronikə, Veronica.

Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol wratten.

Versailles, vɐ̂seilz.

Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A — talent; subst. —ness = Versatility, vɐ̂sətiliti.

Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six stanzas, each of eight —s = in zes verzen, elk van acht regels; Blank — = rijmlooze vijfvoetige jamben; —-maker, —-monger = rijmelaar.

Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.

Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier, vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen maken.

Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing, redactie.

Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).

Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.

Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik. naar de R. Kath. kerk is overgegaan; — verb. overgaan.

Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud; recht om groen hout te snijden; groen (herald.).

Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. —l: —l animals = gewervelde dieren; —l column = wervelkolom; Vertebrata, vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier; adj. gewerveld = —d, vɐ̂tibreitid.

Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. —es, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt, toppunt, zenith.

Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality = loodrechte stand = —ness.

Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend); Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with articles of — = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in hooge mate: He is a — baby = echt “kuiken”; The — man came on the — day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The — thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the — best you could do = het allerbeste; It is — possible = zéér wel mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; —l, vesik’l, tot de blaas behoorende; —nt, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate, vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; —s = vesper, laatste getijde van het brevier; —-bell; Vespertine, vespət(a)in, tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk, gereedschap, mensch: Consecrated —s = gewijde vaten; The weaker — = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; — verb. bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: His money is —ed in lands = belegd in; The right to the estate —s in you = is op u vastgezet; He was —ed with that power = bekleed met; —ed interests = verworven, verkregen rechten; —ed legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax —; Vestal, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch: — Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; —-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l, rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open) — = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select — = de gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij bepalen de Church rates; —-clerk = secretaris van de parochie; —-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis); —man = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; —-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; — verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst. veteraan; —ize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst. veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: — college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; — verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s — on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be (feel) —ed at = zich ergeren over; Slightly —ed at my words = eenigszins geërgerd; —ed questions = lastige, niet uitgemaakte vraagpunten; —ation = ergernis, kwelling, plaag; —atious, vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; —er = plager, sarder, kweller; —ing = kwellend, etc.; subst. —ingness.

Vexil, veksil, baard; —lar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: — lactea = melkweg; He went to Italy — Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; — verb. in een fleschje doen: He poured out —s of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n, trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope = trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): — of (Jesus) Christ = de Paus; —age, vikəridž, ambt, pastorie van een Vicar; —ship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst. vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious, vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: — punishment (atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van een ander; Your experience is — = uit de tweede hand; subst. —ness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil, loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a — = had mij als in eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: — versa, vaisi vɐ̂sə, vice versa; —-admiral = vice-admiraal; —-admiralty = vice-admiraalschap; —-chairman = vice-president; —-chancellor = vice-kanselier; —-consul = vice-consul; —gerency = plaatsvervangerschap; —gerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger, stadhouder; adj. plaatsvervangend; —-president; —regal, vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; —reine, vaisrein, gemalin van een —roy = onderkoning; —royalty = onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd, boosaardig, venijnig; subst. —ness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The —s of life, of fortune; Life has blessed him with — = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a — to his ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort rijtuig: — Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze Militaire Willemsorde); adj. —n; Victorine, viktərîn, bonten kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings..., overwinnend: “Send her —” = maak, dat zij overwinnend zij; —ness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald voordeel: To gain (carry, get, obtain) a — over; Victress = overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; —s, vit’lz, levensmiddelen: Broken —s = kliekjes; Victualler, vitələ, proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed — = grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft: —-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; — verb. zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on — = te bezichtigen zijn; To command a — of = het uitzicht hebben over; To have in — = op het oog hebben; You must keep this in — = in het oog houden; Let us take a good — of it = laten we het goed bezien; In — of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog op); In my — = mijns erachtens; I did it with a — to ascertain whether he was safe = met de bedoeling; Our points of — are different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at it from this point of — = uit dit oogpunt; —s on the war = meeningen over; A bird’s-eye — of Cologne = Keulen in vogelvlucht; —er = opzichter, onderzoeker, deskundige; —less = onzichtbaar, niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; —s = nachtwake; Vigilance = waakzaamheid: — Committee (Society) = een vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending; veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); — verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen (photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. —ness; Vigour, vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood, afschuwelijk: A — smell; subst. —ness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai, lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; —dom = de gezamenlijke villa’s, villabewoners.

Village, vilidž, dorp; —r = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; —age, vilinidz, lijfeigenschap; —ous = schurkachtig, laag, gemeen; subst. —ousness; —y = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose, vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn...; wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; —ian, vinsenš’n, van den H. Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk, verwinbaar; subst. —ness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l, rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen: I will — my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in — of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger, beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend, straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. —ness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; —-clad = met wijngaardranken begroeid; —-culture = wijnbouw; —-disease = druifluisziekte; —-dresser = wijngaardenier; —-fretter = druifluis; —-grower = eigenaar van een wijnberg; —-grub = —-fretter; —-shoot = wijngaardrank; —-yard, vinjəd, wijngaard; —ry = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, — verb. zuur maken, met azijn wrijven: His temples were —ed = zijne slapen werden met azijn gewreven; —-bottle, —-cruet = azijnfleschje; —-sauce = zure saus; —-works = azijnmakerij; —y = zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs: — flavour = wijnsmaak; — loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst; Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder, wijnhuis.

Viol, vaiəl: —-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola, vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n, schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend, onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker: — of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by — = met geweld, gewelddadig; He was done — to = hem werd geweld aangedaan; To offer — = verkrachten; He put a — on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal — to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent, adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To die a — death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje; adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the — = speelde viool; —-bow = strijkstok; —-case = vioolkist; Violinist, vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist, violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is — = heeft een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a — in my bosom = een adder aan mijn borst gekoesterd; —’s bugloss = slangenkruid; —’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; —ian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, ongerept, ongeploegd: The (Blessed) — = de Maagd Maria, de H. Maagd; —-born = uit eene maagd geboren; — metal = gedegen, zuiver; —’s-bower = boschdruif; —al = maagdelijk, rein: (Pair of) —als = spinet; —hood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): — creeper = wilde wingerd; —n = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo, vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: — age; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: — focus = virtueel brandpunt; — velocity = onderstelde snelheid; —ity, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is —ly the same thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen, reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) — of his office = krachtens zijn ambt; Cardinal —s, zie Cardinal; —less = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst. —ness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj. Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked, scoundrelly, wan, —; adj. —d.

Viscera, visərə, ingewanden: —l = tot de ingew. behoorende, de ingew. bevattende, ingewands...; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. —ity, visiditi = Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in; —ess = echtgenoote van een viscount; —ship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. —ness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar, duidelijk; subst. —ness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; —al = ingebeeld, hersenschimmig; —ariness, subst. v. —ary = hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer, fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; — verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary — = huiszoeking; I was on a — there = op bezoek; He made a — to his birthplace = bracht; He paid me a — and I returned it = bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A — from his Majesty = door; I never — at his house = maak nooit visites bij hem; We should not — those measures with a return in kind = die maatregelen niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were —ed with rigour = werden gestreng gestraft; We do not — = zien elkaar niet; He —s there = komt er vaak; —ant = bezoeker; Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie, bezoeking Gods: — of the sick = ziekentroost; — of the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl: — power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite (manteltje); Visiting: —-card = visitekaartje; —-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; —-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker, inspecteur, visiteur: —’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; —ed = met een vizier, gemaskerd, vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid —s to the intelligent reader = opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: — angle = ooghoek; — nerves = gezichtszenuwen; — point = oogpunt; — signalling = optische telegraphie; —ization, subst. v. —ize = verzinnelijken voor het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens..., onmisbaar, onheilspellend: —s = — organs; His — forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; — organs, — parts = edele deelen; — power = levenskracht; We tried to revive this — question = levensvraag; — spirits = levensgeesten; — thread = levensdraad; — statistics = statistiek over levensduur; That is — to our cause = eene levenskwestie voor; —ity, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur, levensvatbaarheid; —ization = bezieling, etc; —ize = bezielen, leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst. Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis, vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: —-electric = positief-electrisch; Vitreous, vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: — electricity = glas-electriciteit; subst. —ness; Vitrifaction, vitrifakš’n, verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification, subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of — = zwavelzuur; — of copper = kopervitriool; —-throwing = het gooien van vitriool in iemands gezicht; —ate, vitriəleit, in vitriool veranderen; —ic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst. Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. — dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst. —ness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst. —ness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving; Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; —ion, vivisekš’n, vivisectie; —ionist, vivisekšənist, = —or = ontleder van levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; —ish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A — mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; —ate = vizierschap.