Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 120
Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum, siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink — = een nagelproef doen.
Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was — in intelligence = haar geest was superieur.
Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch; —ism = bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme; —ist; —istic; Supernaturality = —ness.
Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.
Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.
Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71 cM.).
Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.
Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren; Superscription = opschrift, adres.
Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be —d in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting of schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing, schorsing.
Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual, siûpəsenšuel.
Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.
Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid; Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: — practices, uses = bijgeloovige praktijken; subst. —ness.
Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.
Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.
Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.
Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst. Supervention.
Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren; Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police — (— of the police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siûpəvaizə, opziener, inspecteur; Supervisory power = bevoegdheid om toezicht te houden.
Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de palm naar boven.
Supine, siûpain, supinum (gramm.).
Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos; subst. —ness.
Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the Lord’s — = aan het Avondmaal deelgenomen: —-time = tijd van avondeten; —less: To go —less = geen avondeten krijgen.
Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten; subst. —ation; —er.
Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig, kruipend; — verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen (fig.), afrijden, zich schikken; —-jack = gladbladige paulinia; sterke en lenige wandelstok; subst. —ness.
Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement, toelage; — verb. aanvullen (sɐpliment); —al, —ary, sɐpliment’l, sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend, bijgevoegd.
Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken, vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory = smeekend.
Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst. aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking, vervanger; — verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren, verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and — = vraag en aanbod; Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted = de gelden werden toegestaan; They were supplied with the necessaries of life = voorzien van; Will you — my place for a while? = mij vervangen; To — a (felt) want = in eene (gevoelde) behoefte voorzien.
Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun, onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding; — verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden, volhouden, verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden, dulden: He cannot — himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar —s itself = is vast; I won’t — such insults = niet verdragen; — arms = schouder ’t geweer; —able = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. —ableness; Supporter = steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband, schilddrager (Herald).
Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst. —ness.
Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen, onderstellingen maken: Let it be —d that... = laten we aannemen, dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; — we go = zouden we niet eens gaan?; That being —d = in deze veronderstelling; They are soldiers, I — = het zullen wel zijn; I — = niet waar?
Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden: —al, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs, ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: — case = aangenomen of ondersteld geval; A — child = ondergeschoven; The — joys of basking in luxury = het twijfelachtig genot; subst. —ness; Suppositive, səpozitiv, subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.
Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.
Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen, stoppen, opheffen: The circulation of the letters was —ed = werd verhinderd; —er; —ible = onderdrukbaar; Suppression = onderdrukking, weglating, verheling, stopping: The — of one letter may give an entirely different sense = het weglaten van eene letter; —ist = voorstander van onderdrukking (van den handel in sterke dranken); Suppressive = onderdrukkend, verbergend; Suppressor.
Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren, etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).
Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: —-axillary = boven den oksel; —clavicular = boven het sleutelbeen; —costal = boven of op de ribben; —lapsarian = voorstander van een Calvinistische leer die de verkiezing vóór den zondenval stelt; —maxillary = boven de kaken; —mundane = bovenaardsch, hemelsch; —renal = boven de nieren; —scapular(y) = boven het schouderblad.
Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of — = eed waarbij de oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend wordt.
Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The — = de Allerhoogste; His will ought to be — = zijn wil moet het hoogste zijn; — command = opperbevel; — Court of Judicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de High Court of Chancery, Courts of Queen’s Bench, Common Pleas, Exchequer en het High Court of Admiralty, Court of Probate for Divorce and Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy werden vereenigd; het bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of Justice en het Court of Appeal; — folly = grootste dwaasheid; To rule —ly = de opperheerschappij hebben.
Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.
Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.
Sural, siûr’l, kuit...
Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).
Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; —d, sɐ̂beist: —d arch = elliptisch gewelf.
Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; — verb. ophouden, een einde maken aan.
Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst. overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de hypotheek; —r.
Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; — verb. met een gordel(riem) bevestigen.
Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.
Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van medeklinkers), onmeetbaar.
Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As — as death and taxes = zoo zeker als 2 × 2; As — as a gun = zoo zeker als wat = As — as can be; He is a good fellow to be — = buiten kijf; I am — I shall not go = ik ga bepaald niet; I am — I don’t know = ik weet het heusch niet; I won’t be — = ik durf het niet zeker zeggen; He is — not to come = hij komt bepaald niet; Be — not to forget = denk er om; That’s — enough = dat is vast en zeker; That’s him, — enough = hij is het waarachtig; I will make — where he is = mij vergewissen; —footed = vast van voet, stevig op de beenen, vertrouwbaar; subst. —footedness; I can do that —ly = dat mag ik toch wel doen, he? —ness = zekerheid; Surety = veiligheid, zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a — = zeer zeker; I’ll be — for you, be your — = voor u instaan, borg voor u zijn; To stand — = borg blijven; —ship = het borg zijn, borgschap.
Surf, sɐ̂f, branding; —-boat = boot om mee door de branding te varen; —-duck (-scoter) = brileend; adj. —y.
Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj. oppervlakkig (= —-deep); — verb. eene zachte oppervlakte geven, glad wrijven: Her information is of the most — kind = is zoo oppervlakkig mogelijk; —-man = wegwerker, lijnopzichter; —-survey = landmeten; —-water = overdag van de oppervlakte der aarde in een mijn dringend water.
Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; — verb. (zich) de maag overladen; oververzadigd zijn: —ed with too much appetite = overladen (volgepropt) door.
Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; — verb. golven, hooge baren vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience —d down the corridors = stroomde.
Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of —s = —s’ Hall = Kon. Instituut ter examineering van chirurgen; —cy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, operatiekamer, spreekkamer en apotheek van een dokter; Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig: — instruments = chirurgische instrumenten.
Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.
Surinam, sûrinâm, Suriname.
Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk, afsnauwend.
Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; — verb. vermoeden, onderstellen; —r.
Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club —ed by a crown = met een kroontje er op; A weathercock-—ed cupola = koepeltje met een weerhaan er op; —able = overkomelijk, verwinbaar; —er.
Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.
Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; — verb. ook sɐ̂neim, een bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.
Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: —able = overtrefbaar; —ing = uitstekend, buitengewoon: A maiden of —ing beauty = van weergalooze schoonheid.
Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.
Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In — = bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal, overtolligheid: He has a — of daughters = eene heele collectie.
Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; — verb. overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By — = bij verrassing; That was a — to me = dat verraste me zeer; I am —d at what you say = ik ben getroffen; The beggars —d Brielle = verrasten; To — oneself = zich betrappen op; —-party (in Amerika) = een troepje personen, dat ongenood in het huis van een gemeenschappelijken vriend komt, en waarvan ieder zijne bijdrage voor een souper levert; —-visit = onverwacht (inspectie)bezoek; —r; Surprising = verbazingwekkend, buitengewoon; subst. —ness.
Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); —ter = vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal repliceeren; —der = derde wederantwoord.
Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; — verb. overgeven, uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The town —ed to the enemy at discretion = gaf zich over; To — upon terms = op voorwaarden; —er.
Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk: — edition = nadruk.
Surrey, sɐri.
Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; —ship.
Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten van jagers die omsingelt; — verb. omringen, omsingelen, insluiten: —ing country = —ings = omgeving: London and its —ings = zijne omgeving.
Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.
Surtout, sɐ̂tût, overjas.
Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.
Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict (Amer.): He took a — of the matter = nam op, onderzocht.
Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen, scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; —ing-chain = meetketting; —or = opziener, opzichter, administrateur, landmeter; verificateur (Amer.); —orship.
Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: — of the fittest = het overlèven van de krachtigste individuen.
Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will — his next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he —s = hij is er nog; Those who — = de overlèvenden; Surviver, Survivor = langstlevende: The —s of the wreck = zij die er het leven hebben afgebracht; —ship = voordeel, dat den langstlevende toevalt.
Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.
Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l, vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; —ness = teergevoeligheid; Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst. —ness.
Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; —ed = verdacht; subst. —edness; —er.
Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was —ed by a chain to the ceiling = hing; To — hostilities = schorsen; I wish to — my judgment = op te schorten; The officer was —ed = de ambtenaar werd geschorst; The firm —ed payment = staakte hare betalingen; To stand —ed = weifelen, in tweestrijd zijn; Suspenders = kous-ophouders, bretels: — they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden suspenders genoemd, aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense, səspens, onzekerheid, besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal — = in doodelijken angst; To keep in — = in spanning of onzekerheid laten; Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding, opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking: — of arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden, een wapenstilstand; — of pain; — of payment; —-bridge = hang- of kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig, onzeker; Suspensor = breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory = hangend, dragend.
Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A — frame of mind = achterdochtige aard; subst. —ness.
Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep ademhalen.
Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.
Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To — authority = het gezag hoog houden; To — a loss = lijden; To — one’s part = zijn rol volhouden; This admirable spirit is —ed throughout the work = wordt het geheele werk door volgehouden; —able = wat volgehouden, enz. kan worden; —er; —ment = ondersteuning, etc. Sustenance, sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen; Sustentation, sɐst’nteiš’n, steun, onderhoud: — fund = fonds ter verbetering van de traktementen der bedienaren van den godsdienst (vooral in de Free Church of Scotland).
Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration, siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch, gefluister.
Sutherland, sɐdhəland.
Sutler, sɐtlə, zoetelaar; —ship; Sut(t)ling, sɐtliŋ: —-wench = marketentster, zoetelaarster.
Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot, weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; —ism = vrijwillige vuurdood der weduwe.
Suttle, sɐt’l: — weight = netto gewicht.
Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.
Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend, machtig; —ty.
Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; — verb. dweilen, zwabberen, afwisschen: You drunken — = jij drankorgel; He —bed the perspiration from his face = veegde zich het zweet af; —ber = zwabber (scheepst.).
Swabia, sweibjə, Zwaben; —n = Zwaab(sch).
Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).
Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; —r = scheldnaam aan Methodisten gegeven; Swaddling: —-bands = —-clothes = —-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gewikkeld wordt).
Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking, gestolen goed, buit; ransel (Austral.); — verb. los en zwaar hangen, heen en weer slingeren; —-belly = iemand met een hangbuik; swagman = reizend gezel; houder van een —shop = uitdragerij; —sman = heler.
Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje der Engelsche militairen (= —-cane); — verb. snoeven, met gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren: — houses = huizen der “groote lui”; —er = bluffer, grootspreker, tiran.
Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.
Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).
Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap of slok; — verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken (ook fig.): At one — = in één slok, hap; I won’t — such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He —ed all this nonsense like gospel-truth = slikte; The poor fellow was —ed by the waves = werd verzwolgen; —-fish = groote zeehaan; —-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel, vooruitgeschoven bastion; —-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende slippen (als een rok): —-tailed butterfly = koninginnepage; —er = verzwelger, gulzigaard.
Swam, swam, imperf. van to swim.
Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; — verb. in een moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken, overstroomen, overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in onoverkomelijke moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman —s the labour-market of America = overstroomt; We got —ed = wij kwamen er leelijk in te zitten, waren geruïneerd; —-fever = moeraskoorts; —-hickory = Noord-Amerik. hickory-noot; —-honey-suckle = kleverige azalea; —y = moerassig, drassig.
Swan, swon, zwaan: A black — = een witte raaf (fig.); —-down, —’s down = zwanendons; —herd = hoeder; —-hopping (—-upping) = het merken van zwanen; —-shot = ganzenhagel; —skin = soort van gekeperd flanel, zwanevel; —-song = zwanenzang; —wort = soort van orchidee.
Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.
Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.
Swansea, swonsî.
Swap, swop, subst. slag; ruil; — verb. neerploffen; ruilen, wisselen: I had a — with him = ruilde; We fell to —ping notes about customs in Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken); We smoked a final pipe, and —ped a final yarn = vertelden nog een laatst verhaal; To get —ped = de bons krijgen.
Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; —-well = pomp.
Sward, swöd, grasveld; huid, bast; —-cutter = ploeg (voor grasvelden), grasschaar.
Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).
Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; — verb. zwermen (van bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen (gew. met up): —ing time (van bijen).
Swarry, swori, verbastering van soirée.
Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy = getaand, bruin.
Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen; watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; — verb. klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; —-buckler = schetteraar, bluffer, vechtersbaas = —er; —ing = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend; —y = papperig.
Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene zeis of maaimachine bereikt: To cut a — = gewichtig doen.
Swathe, sweidh, subst. zwachtel; — verb. zwachtelen, bakeren; Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).
Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij, invloed, het doorslaan (van den balans); — verb. zwaaien, slingeren, hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed oefenen: He was —ed by my advice = liet zich leiden; — on = vooruit maar; —ed (in the back) = lendenlam (van paarden).
Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood varken.
Swear, swêə, subst. eed, vloek; — verb. zweren, vloeken, bezweren, beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd; To — an oath = een eed doen; To — the peace against a person = iemand bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To — false = een meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat heilig is; I — by you for the best of friends = ik vertrouw u; The new mayor was sworn in = werd beëedigd; I — off lying = ik beloof plechtig niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence = moesten onder eede beloven te zullen zwijgen; —er = vloeker, hij die een eed doet.
Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; — verb. zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the — of thy face shalt thou eat bread; It gave him (put him in) a cold — = maakte dat hem ’t koude zweet uitbrak; You’ll — for it = er voor bloeden; The —ed carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui; Sweating: —-bath = zweetbad; —-house = zweethuis; —-iron = roskam; —-room = zweetkamer, droogkamer (kaas); —-sickness = zweetziekte; —-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij thuiswerkende arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty = zweeterig, bezweet, zwoegend, zwaar.
Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; —n = Zweden.
Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van Swedenborg; —ism = leer van de —s.
Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).
Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang, uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; — verb. vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel overzien: We heard the —s of the oars = de riemslagen; He killed them at one — = met éénen slag; Give this room a — = veeg eens aan; To make a clean — = schoon schip maken, een flinke opruiming houden; Lamp-chimney — = lampeglasveger; — before your own door = veeg uw eigen pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n) schoon; Everything was swept away = werd weggevaagd; He was swept from our sight = plotseling aan ons oog onttrokken; The waves — (over) the deck = slaan over het dek, vegen het dek schoon; —-net = sleepnet; —-stakes = spelen of wedstrijden waarbij de prijzen hoofdzakelijk bestaan uit de inleggelden; die prijzen zelf: They got up —-stakes = zij zetten samen geld in, dat den winner tebeurt zou vallen; —-washings = afval in goud en zilversmederijen; —er = wie of wat veegt; Sweeping: — assertions = algemeene; The motion was carried by a — majority = met eene verpletterende meerderheid; A — reduction = kolossale prijsvermindering; —s = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the —s of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend, trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.