Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 56

Chapter 562,891 wordsPublic domain

Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; — Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken, bijv.); To have a — = vrij hebben; She was on — = met vacantie, had vrijaf; —s = vacantie; —-maker = plezierreiziger; — task = vacantiewerk.

Holiness, houlinəs, heiligheid: His — = Zijne Heiligheid, titel voor den Paus.

Holinshed, holinzhed, holinšed.

Holla, holə, subst. luide roep; — verb. luide roepen, toeroepen; interj. helà, hei!

Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown — = weinig gebleekt linnen; — gin = —s = Schiedammer; British —s = in Engeland gestookte jenever; —er.

Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen; — verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters — = won het royaal van, overtrof verre; —-eyed = met holle oogen; —-hearted = onoprecht, valsch; —-square = carré (mil.); —-ware = (metalen) keukengereedschap; —ness = holheid, leegheid, valschheid.

Holly, holi, hulst; steeneik; —-fern = stekelige schildvaren; —-hock = stokroos; —-rose = cistroos.

Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den rivieroever, hulst; —-oak = steeneik.

Holmes, houmz.

Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.

Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig geschreven; adj. Holographic(al).

Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.

Holster, houlstə, holster; —ed.

Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).

Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.

Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: — of Holies = het Heilige der Heiligen; The — One = Jehova; — day = Heiligedag; — Ghost (— Spirit) = Heilige Geest; — Office = de Inquisitie; In — orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; — Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); — Saturday = Zaterdag vóór Paschen; —-stone = schuursteen; ook verb.; — Thursday = Hemelvaartsdag; — Tide (Week) = week voor Paschen; — water = wijwater; — wells = miraculeuze bronnen; — Writ = de H. Schrift.

Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.

Holywell, holiwel: — Street Literature = pornographische literatuur.

Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; — verb. huldigen = To do (render) —; —r = vasal, leenman.

Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling; — verb. naar huis gaan, wonen, zich vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle, toepasselijk, raak, krachtig: — is —, be it never so —ly = Be in East and West, — is best = oost, west, thuis best; He banged the door — = sloeg hard dicht; To bring — (carry —, come —, leave —, return —); To bring — to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come — at last = worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came — to me = drong tot me door, werd me bewust; To go — = naar huis gaan, het doel treffen; To pay — = betaald zetten; He is perfectly at — with what passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at — = doe alsof je thuis was; Mrs. N is at — on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at —? No he will be — to dinner; Charity begins at — = het hemd is nader dan de rok; —-baked = eigengebakken; —-bound = —ward-bound = op de thuisreis; —-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd; —-circle = familiekring; —-circuit = rechtsgebied van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; —-counties = de counties bevattend en Londen omringend; —-department (—-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; —-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar, —-fed bacon = inlandsch spek; —-felt = innig, innerlijk, geheim; —-freight = retourvracht; —-keeping = thuisblijvend, huiselijk; —-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; —-return = repatrieering; —-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To be —-sick = heimwee hebben; —-sickness = heimwee; —-speaking = eenvoudige, oprechte taal; —-spun = subst. en adj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; —-stall, —-stead = erf, huismansplaats; —-thrust = gevoelige waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; —-trade = binnenlandsche handel; —less = dakloos; subst. —lessness; —like = gemoedelijk, gezellig; —liness = eenvoudigheid; —ly = eenvoudig, dood gewoon, ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; —ward = —ward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.

Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.

Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide = moord, moordenaar.

Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek; Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.

Homing, houmiŋ: — instinct = om het huis weer te vinden.

Hominy, homini, grof gemalen maïs.

Hommock, homək. Zie Hummock.

Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) = homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.

Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. —ness.

Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.

Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.

Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. —ous, həmonimɐs; —y, homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of woord van denzelfden klank.

Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v. Paracelsus).

Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.

Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; — verb. slijpen, aanzetten.

Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: — Indian? (Injun) = op je woord? —y = braafheid, eerlijkheid: —y is the best policy = eerlijk duurt het langst; In —y of heart = in alle oprechtheid.

Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig, zoet; — verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; —-badger = honigdas; —-bag = honigzakje (der bijen); —-bear = honigbeer; —-bee = honigbij; —comb = honigraat, honigcel: The nation is —combed with secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is —combed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; —-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst; —-flower = honigbloem; —-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); —-harvest = honigoogst; —moon, subst. wittebroodsweken; — verb. in de wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; —-mouthed = vleierig; —-stalk = honigklaver; —-tongued = vleierig; —-suckle = kamperfoelie; —-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; —ed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.

Honied, hɐnid = Honeyed.

Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.

Honorary, onərəri, eervol, eere...: — President = Eere-Voorzitter; — monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.

Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid, kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven; — verb. eeren, eer bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. —s = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in —s = “cum laude” examens; —s of war = krijgseer; — bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of —; You are in — bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the —s = de “honneurs” waarnemen; That does you — = dat strekt u tot eer; To meet with due — = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my —, I pledge my — for it = beloof het op mijn woord van eer; —er.

Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-—); subst. —ness.

Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; — verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen: The — and leathern apron of the carriage = kap; All —s make not monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; —-cap = soort kaproen; soort zeehond; —man = blindeman (in het spel); —man-blind = blindemannetje; —-moulding = lijst boven deur of venster; —wink = blinddoeken, verschalken; ook subst.

Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; — verb. loopen: To beat (pad) the — = te voet (op Apostelpaarden) gaan; —-bound = volhoevig, kreupel.

Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; — verb. met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien, vasthaken, stelen: By — or by crook (Zie Crook); Off the —s = in wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the —s = het hoekje om (= dood) gaan; I wished him off the —s = wou, dat hij dood was; You must do it on your own — = op eigen gelegenheid, verantwoording; She kept him on the —s = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the —s = doodgaan; To take one’s — = uitsnijden; They —ed it = zij zijn er van door; She —s-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen; —-nose(d) = (met een) haviksneus; —-pin = haakbout; —ed = krom, haakvormig; subst. —edness; adj. —y.

Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.

Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.

Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!

Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism = straatschenderij, woeste, liederlijke jool.

Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, — verb. met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); —-iron = bandijzer; —-petticoat, —-skirt = hoepelrok; —er = kuiper.

Hooping, hûpiŋ: —-cough = kinkhoest.

Hoosier, hûžə, bewoner van — state = Indiana; — cake = soort peperkoek (Amer.).

Hoot, hût, subst. gejouw; — verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil); —er = autohoorn.

Hoove, hûv, koliek bij vee.

Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: —-o’-my-thumb = klein duimpje; — verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He escorted her at party or — = naar partijen en bals; He has had many girls on the — = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take) on the (ground) — = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds overvallen, snappen; He is a — out of kin = hij slaat geheel uit den aard; I can — that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To — the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen; —ped over the twig = over den puthaak getrouwd; —-back = hopzeef; —-bind, —-bine = hopstengel; —-joint = opiumkit; —-picker = hopoogster; —-pole = hopstaak; —scotch = hinkspel; soort balletjes; —-vine = hopstengel; —-yard = hopveld; —per = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = —per barge.

Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; — verb. hopen, verwachten; vertrouwen: Young —ful = veelbelovend jongmensch (ironisch); —fulness; —less = hopeloos; subst. —lessness.

Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; —s = kluisters voor vee in de weide.

Horace, horis.

Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.

Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.

Horde, höd, subst. horde, bende, troep; — verb. in horden of benden leven of zich vereenigen.

Horehound, höhaund, witte malrove.

Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible — = schijnbare horizon; Rational, Real, True — = werkelijke horizon; The plain of literature that is —ed by 1801 = het veld der literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness; Horizontality.

Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij ’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); — verb. van horens voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of — spectacles; — of Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the — = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his —s = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the — = vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a — = ik waag het, erop of eronder; To show one’s —s = de tanden laten zien, flink optreden; Take a — = neem een borrel (Amer.); To wear the —s = hoorndrager zijn; —-beak = gewone geep; —beam = hagebeuk; —-bill = neushoornvogel; —-blower = hoornblazer; —-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met handvat; —-distemper = hoornziekte (van vee); —-eel = smelt; —-finch = stormvogeltje; —-fish = zeenaald; —-pipe = oud blaasinstrument; horlepijp; —-work = hoornwerk (vestingbouw); —ed = van horens voorzien; —ed horse (Zie Gnu); —ing = het wassen of afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); —y = hard, hoornig: —y coat of the eye = hoornvlies; —y hands = vereelte.

Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of —s about one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.

Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology = uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.

Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her — = haar horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst te voorspellen.

Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.

Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. —ness.

Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand; treurig; subst. —ness.

Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw vervullen, doen sidderen.

Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge rijst.

Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The —s = delirium tremens; zwaarmoedigheid: To give the —s = afschuw inboezemen; To have the —s = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; —-stricken, —-struck = door afgrijzen verpletterd.

Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead —), ezelsbrug; — verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near — = bij-de-handsche paard; Off — = van-de-handsche; Dark — = nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the — = opperstalmeester; Those who cannot flay the —, flay the saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead — = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high — = een hoogen toon aanslaan; To look a gift — at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark — then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free — to death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a — very well = hij rijdt goed; To take — = te paard stijgen; I will win the — or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I have often been —d in this school myself = ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden; —-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on —back = te paard; —-bean = paardeboon, tuinboon; —-block = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; —-boat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten; —-box = wagon voor paarden; stalafdeeling; —-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; —-car = tramwagen (Amer.); —-car-track = tramweg (Amer.); —-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen; —-chestnut = paardekastanje; —-cloth = paardedek; —-coper = paardenkooper; —-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; —-cucumber = groote groene komkommer; —-dealer = paardenkooper; —-doctor = paardenarts; —-drench = paardendrank; —-emmet = roode mier; —-faced = met een lang, grof gezicht; —-faker = paardenkooper (Zie Fake); —-flesh = paardevleesch; paarden: The age of —-flesh = de diligencetijd; He knows little of —-flesh = hij heeft geen verstand van paarden; —-fly = paardenvlieg; —-Guards = bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; —-hair = paardenhaar; —-hoe = groote egge; —-jockey = pikeur, paardenkoopman; —-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.; —-knacker = paardenvilder; —-laugh = luide en ruwe lach; —-latitudes = streek der windstilten; —-leech = paardenarts, bloedzuiger; vrek; —-litter = baar door paarden gedragen; —-load = paardenvracht; —-lock = paardenkluister; —man = ruiter; —manship = rijkunst; —marines: Tell that to the — = maak dat je grootje wijs; —-marten = groote hommel, torenzwaluw; —-meat = paardevoer; —-mill = rosmolen; —-milliner = paardetuig- en zadelmaker; —-play = ruwe grap, ruwe wijze van doen; —-pond = paardewed; —-power = paardekracht: —-race = wedren; —-radish = mierik, meerradijs, peperwortel; —-railroad = tramweg (Amer.); —-rake = paardehark, groote egge; —-rider = kunstrijder; —shoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig); —-shoeing = beslaan van paarden; —-stinger = paardenbijter; —-tail = paardestaart; Turksche standaard; —-way (Amer.) = rijweg; —-whip, subst. paardezweep; — verb. met de paardezweep slaan, afranselen; —woman = paardrijdster, amazone; —-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen jongen hangt.

Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory, hötətori, vermanend.

Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.

Hosanna, həzanə.

Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek, brandspuitslang, tuinslang (= —-pipe); — verb. bespuiten: You have got your legs into twisted — there = dat hebt gij glad mis; —-man = spuitgast.

Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; —y = sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.

Hosea, houzîə, Hosea.

Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.

Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. —ness; Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis: —-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er = hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.

Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; — verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of —s = de Heer der Heerscharen; —ess = gastvrouw.

Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.

Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge); Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.

Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti, vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).

Hostler, oslə, stalknecht.

Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is — at hand = is vurig en hard in den bek; In — haste = overijld, snel; We found ourselves in — water = we zaten er leelijk in; — water tin = waterstoof; X. is becoming too — for him = hij kan het te X. niet meer uithouden; I’ll make it — for him = ik zal hem mores leeren; Brandy — = warme cognacgrog; —-bed = broeibak; broeinest; —-blast = stroom van heete lucht; —-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; —-brained = oploopend, heethoofdig; —-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; —-flue = droogkamer (katoenfabr.); —-foot = zoo snel mogelijk; —-head = driftkop, heethoofd; —-headed = heethoofdig, driftig; subst. —-headedness; —-house = broeikast, droogkamer; —-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; —-press = pers (voor het satineeren van papier of het decateeren van laken); —-spirited = vurig van geest, driftig; —-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj. doldriftig; —-spurred = driftig, onstuimig; —-tempered = opvliegend.

Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.

Hotel, hətel, logement: —-car = restauratiewagen (Amer.); —-keeper = hotelier.

Hotri, houtri, Brahmaansch priester.

Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.

Houdah, hauda. Zie Howdah.

Hough, hɐf.

Hough, hok. Zie Hock.

Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.

Hound, haund, (jacht)hond; — verb. met honden jagen, aanzetten, ophitsen, wegjagen: Master of Fox-—s = jagermeester, hoofd van de Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the —s = jagen (op vossen); He rides well to —s = hij is een goed vossenjager; —’s-tongue, = hondstong.

Hounslow, haunzlou.

Hour, auə, uur; —s = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae; After —s = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) —s = hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early —s = vroeg opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small —s = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil — = te kwader ure; What is the — of day = hoe laat is het op den dag? —-angle = uurhoek; —-circle = uurcirkel; —-glass = zandlooper; —-hand = uurwijzer; —-line = uurlijn; —-plate = wijzerplaat; —ly = (van) ieder uur.

Houri, hûri, hauri, houri.

Housage, hauzidž, pakhuishuur.