Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 69
Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.
Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; — verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be —s of fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a — off = verlichten, opluchten; —-draught = diepgang van een geladen schip; —-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); —ed: —ed cane = stok met looden knop; —ed dice = valsche dobbelsteenen; —ed tongue = beslagen; —ed wine = vervalschte, aangezette wijn; —er = lader; —ing = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de bedrijfsonkosten.
Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun, magneet(steen).
Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); —-sugar, broodsuiker (Vergel. Sugar-— = suikerbrood).
Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): —ing on Mondays = Maandag houden; —er = leeglooper, luilak, landlooper.
Loam, loum, subst. leem; — verb. met leem bedekken; —y = leemig, leem ...
Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; — verb. uitleenen (out): I begged him for a — of five pounds = vroeg hem ter leen; To lend the — of = uitleenen; I put it out to — = heb het uitgeleend; —-office = leenbank, bank van leening; —word = ontleend woord.
Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be — to do a thing = ongeneigd zijn; Nothing — = gansch niet ongeneigd.
Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger —d such bad food = ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing, subst. walging, afkeer = —ness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst. —ness.
Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade; bovenslag bij Lawn-Tennis; — verb. gooien, rollen, een bovenslag maken; zich log bewegen; —-cock = botterik, lomperd.
Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande; Lobation = lobbenvorming.
Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t Parlementsgebouw); foyer; — verb. de lobby herhaald bezoeken om steun te vragen van de leden; —-member, —ist = couloirlooper (om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).
Lobe, loub, lob, lel (van het oor).
Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek; adj. vertroeteld; —-boy = adsistent van den scheepsdokter.
Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch, scheepsbeschuit, uien en aardappelen.
Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his — = is van geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) — = politieagent; —-box = kazerne.
Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.
Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein, inwoner: — colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van beschrijving; — option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; — organ = plaatselijk blad; — time = plaatselijke tijd; —ism = eigenaardigheid van (voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid; Localization = localisatie; —ize = de plaats bepalen, localiseeren.
Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen, naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden) in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen (Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij, boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein; Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator = iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).
Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het graafschap Inverness: —-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven, loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.
Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring, omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een kanaal); lok, krul, bosje, handvol; — verb. sluiten (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen in: He is under — and key = achter slot en grendel; —, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through the — = werden doorgeschut; The door was closed but not —ed = de deur was dicht maar niet op slot; —ed from without = van buiten gesl.; —ed water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To — away = wegsluiten; To — in = opsluiten; To — out = buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To — up = opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring; —-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; —-chain = remketting; —-chamber = sluiskolk; —-dues = sluisgeld; —-gate = sluisdeur; —-jaw = klem (in den mond); —-keeper = sluiswachter; —-paddle = schuif (in een sluisdeur); —-smith = slotenmaker; —-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; —-stitch = kettingsteek; —age = sluiswerken; schutgeld; —er = lade, kist; Not a shot in the —er = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.
Locket, lokət, medaillon.
Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.
Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).
Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive, loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief (Amer.): — engine = locomotief; — organs = bewegingsorganen.
Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).
Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.
Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.
Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.
Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam; — verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten, blijven zitten (steken), logeeren: The —s of the beaver = holen; To — a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen, bij); To — information (against) = aangeven; Certificates must be —d with the committee = ingeleverd bij; I have —d it in my memory = opgenomen; —-keeper = portier bij een landgoed; —able = bewoonbaar; —r = bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: —s = gehuurde kamer: Furnished —s; Unfurnished —s; To live in (To stay at), To take —s; —-allowance = toelage voor huishuur; A —-bill was stuck up in the window = verhuurbiljet; —-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies secured a — = kregen vasten voet.
Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.
Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog, verheven, voornaam, trotsch.
Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; — verb. in blokken zagen (Amer.); opschrijven in het —-book = scheepsjournaal; schoolregister; —-cabin = blokhuis; —-canoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt; —-headed = dom; —-hut (—-house) = blokhuis; —-line = loglijn; —man = houthakker, knecht op een zagerij; —-reel = logrol; —-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential —-rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen; —-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); —wood = campèche-hout; —ged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); —ger = houthakker.
Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. —ic(al), logərithmik(’l).
Loggerhead, logəhed, domkop: They are at —s = zij hebben standjes; To come (get, fall) to —s together = elkaar bij den kop krijgen.
Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.
Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; —-chopper = pedante disputant; —al = logisch; Logician = logicus.
Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als afzonderlijke letters gezet worden.
Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.
Logos, logos, “Het Woord”, Christus.
Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the —s = de lendenen omgorden; —-cloth = lendendoek; —-steak = lendestuk.
Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To — about = rondslenteren; He —ed away his time = verbeuzelde; —er = treuzelaar.
Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten) hangen uit (den bek): They —ed back in the carriage.
Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen van Wiclif; ketter.
Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.
Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd worden.
Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all — street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy = Lombardije.
Lomond, loumənd: Lake —.
London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to — = op handen dragen (kinderspel); —-pride = porseleinbloempje; —er = Londenaar; —ese = Cockney dialect; —ism = typisch Londensche uitdrukking; —ize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.
Lone, loun, eenzaam, verlaten; —liness, subst. v. —ly = alléén, eenzaam, akelig, somber; —some = eenzaam; subst. —someness.
Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than you by a — chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in — division = kan geen lange deelsom maken; — dozen = dertien; — figure = lang getal; — firm = flesschentrekkersfirma; — hand = gewoon schrift; — hundred = 120 stuks (haringen); I will accept — odds against him = durf veel op hem wedden; It is — odds = het is honderd tegen één; — premium = hooge premie; — price = brutoprijs; hooge prijs; — primer = klein romein (drukletter); You got a — pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will have to give it up in the — run = eindelijk, op den duur, ten lange leste; To dress, to travel by — stages = op z’n dooie gemak; It is a — way = een heel eind; I shan’t be — = ik blijf niet lang weg; He is — saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The opportunity was not — in coming = liet zich niet lang wachten; To take — = langen tijd noodig hebben; The — and short of it is, that he went away = om kort te gaan; —-boat = pinas; —-bow: He draws (pulls) the —-bow = schiet met spek; —-breathed, —bretht = lang van adem; —-headed = vooruitziend, uitgeslapen; —legged = langbeenig; —-lived, —laivd, langdurig: Ours is not a —-lived family = onze familie wordt niet oud; —-necked; —-nosed; —-shoreman = baliekluiver; The —-shore fraternity = baliekluivers; —-sighted = vèrziend, sluw, slim: —-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. —-sightedness; —-staple = langdradig katoen; —-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj. lankmoedig, geduldig; —-tail, subst. langstaart (van jachthonden); —s, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten staart; —-tongued = praatziek, babbelachtig; —-winded: A —-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; —ish = wat lang: —ish bills = al lang staande rekeningen.
Long, loŋ, verlangen, hunkeren; —ing = verlangend, hunkerend; ook subst.
Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.
Longfellow, loŋfelou.
Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).
Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.
Long Island, loŋail’nd.
Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal, lonžitjûdin’l, lengte...
Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; — verb. elken trek winnen bij dit spel: I am —ed = ik heb geen enkelen trek; —-table = speeltafel, elegante ronde tafel.
Looby, lûbi, lummel.
Loof, lûf, loef (van een schip).
Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; — verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the — of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does not belie his —s = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his —s = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his —s = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It —s like you = dat is net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; — alive! = vlug wat; — at home = bemoei je met je eigen zaken; To — one’s best = op zijn voordeeligst; He —ed black as thunder = zeer dreigend; Things —ed black against her = het zag er donker voor haar uit; You — pale = ziet er bleek uit; — sharp = maak wat voort; He —ed daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He —ed his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To — all wonder = een en al verbazing zijn; You must — about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you — after the children = letten op, zorgen voor; I — at it in that light = beschouw het als zoodanig; To — back = terugzien, omzien; To — beyond = verder zien (dan), overheen zien; To — down = naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To — down on a person = neerzien op; He —ed me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To — downwards = achteruitgaan in prijs; To — for = wachten op, verwachten; zoeken naar: Not —ed for = onverwacht; I — forward to a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To — in at = even gaan kijken; To — in upon a person = even bezoeken, aanloopen bij; I —ed him in the face = flink onder de oogen; To have a —-in = kans hebben; Let me — into it = eens onderzoeken; I — on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely —ed on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To — out = uitkijken; To — out at (of) the window; My rooms — out upon a beautiful landscape = zien uit op; You may — out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have —ed it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your —-out = zoo! dat is jou plan? That’s your —-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the —-out = stond op den uitkijk; On the —-out for a job = uitziende naar; He established a sharp —-out all round the bed = met scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; — out there = pas op! voorzichtig! I will just — over it = doorloopen, nagaan; We will — over (= over—) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room —s over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He —ed over my book = hij keek bij mij in; To — round = To take a —-round; He seems to — through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I — to you for support = reken op uw steun; I — to your prudence = vertrouw op; You should — to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to — it up = het niet kunnen vinden; The weather is —ing up = knapt op; Things are —ing up = beginnen er beter uit te zien; I will — you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have —ed up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere —er-on = slechts toeschouwer; —ing: Good-—ing = knap; —ing-glass = spiegel; nachtspiegel.
Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; —ery = broedplaats van looms.
Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It —ed upon my mind = doemde op voor mijn geest; —ing = zichtbaar worden, luchtspiegeling.
Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut, dodaars: He is a lazy — = luie vlegel; As crazy as a —, As wild as a — = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; —y = dwaas, krankzinnig.
Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; — verb. eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To form an ‘h’ without a —; The curtains were —ed back = met een embrasse opgenomen; —hole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; —-line = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); —y = vol bochten.
Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig, dartel, loslijvig; ook subst.; — verb. losmaken, loslaten, ’t anker lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: — cash (change, money) = kleingeld; — definition = onvolledige; Every — farthing = losse cent; — fish = pierewaaier; — gown = peignoir; At — ends, At a — end = verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the — = aan den rol; To be on the — for a job = werk zoeken; To break —; To come — = losgaan; To give a — to = den teugel vieren; To let — = loslaten; He was set — = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist uit; —-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan; —n = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden; —ness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (= —ness of the bowels); —ly = losjes: A —ly-hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.
Loot, lût, subst. buit, roof; — verb. rooven, buitmaken, plunderen: The waggon had been —ed of its provisions.
Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; — verb. snoeien, afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A —-eared dog = met hangende ooren; —-sided = scheef, eenzijdig; The —-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke genootschappen; —ping-shears = snoeischaar.
Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; — verb. lange stappen maken, draven.
Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. —ness = Loquacity, ləkwasiti.
Lor, lö, heerejé.
Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in — Mayor); — verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The — = de Heere, Jezus Christus; The Day of the — = dag des oordeels; —’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The —’s Day = dag des Heeren; The —’s Prayer = het Onze Vader; The —’s Supper = het Avondmaal; The — Harry = de duivel; The House of —s = het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; —-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); —-lieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); — Mayor = titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor); — of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere dagen; —s spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden, die —s temporal heeten); —s of (the) creation = heeren der schepping, de mannen; First — of the Treasury, — High Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to — it over me = om mij te commandeeren; The hill —s it over the surrounding landscape = steekt hoog uit boven; —like = —ly; —liness = hooge rang, trots, aanmatiging; —ling = jonge lord, pseudo lord; —ly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; —olatry = lordvereering; —ship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His (your) —ship.
Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.
Lorenzo, lərentsou.
Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.
Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.
Lorikeet, lorikît, soort papegaai.
Loriot, loriot, wielewaal (vogel).
Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.
Lorraine, lorein: —r = bewoner van L.
Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).
Lory, lôri, soort van papegaai.
Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen, achterloopen; verdwalen (oneself): I — my debts = men betaalt mij niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den moed; To — one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte van de been; To — sight of = uit het oog verliezen; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To — one’s way = verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; —r: You always were a bad —r = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall be no —r by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a —r = aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle, playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.
Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his — well = kan goed tegen; This world with its —es and crosses = moeiten en bezwaren; I was at a — how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken; At a — for money = in geldverlegenheid.
Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.
Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein, hoop, boel; — verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about a hundred —s = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast —s = er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my — with yours = heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a — = druk komen; They have drawn —s = geloot; It fell to my — = mij ten deel; To like quite a — = een “boel” houden van; They made a — of him = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has —s of money = een ‘schep’ geld; Let us have —s of room here = zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He thinks a — of himself = hij denkt dat hij heel wat is; Can you walk a —? = een heel eind?
Loth, louth. Zie Loath.
Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair Penitent): A gay — = een Don Juan.
Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke drank.
Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a —; —-ticket.
Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie, rolklaver; —-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft.
Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.
Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh —est = die het laatst lacht, lacht het best; A — dress = opzichtige, drukke japon; She dresses — = opzichtig; He said it out — = luide; —-voiced = met luider stem; subst. —ness.
Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. —; Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.
Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een hotel; — verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten; —r.
Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen, gemeen.
Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; — verb. buigen, bukken, (zich) vernederen; —ish = lummelachtig, onhandig; subst. —ishness.
Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.
Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); —-window = klankgat.
Lovable, beminnenswaardig; subst. —ness.