Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 22

Chapter 223,217 wordsPublic domain

Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; — verb. overhalen, opheffen, opzetten, optoomen, schuin (zwierig) opzetten, wenken: By — and pie = bij kris en kras; As the old — crows, the young — learns = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; He lives like a fighting — = leidt een weelderig leven; That — won’t fight = die vlieger gaat niet op; —-a-doodle (-doo) = kikeriki; That man is —-a-hoop = zijn haan kraait victorie; The — of the school = de “primus”; He is the — of the walk = haantje de voorste, leider; A — and bull (A —-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To — the ears = spitsen; To — the eye = wenken; To — the eye at = boos aankijken; To — the tail = hoog dragen; —-boat = kleine boot; —-brained = onbezonnen, dwaas; —-broth = hanensoep; —-chafer = meikever; —-crow(ing) = hanengekraai, dageraad; —-fight(ing) = hanengevecht; —-eyed = loensch; —-horse = hobbelpaard, stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge plaats, schrijlings: To ride a —-horse to Banbury = paardje rijden; zich trotsch, aanmatigend gedragen; —-match = hanengevecht; —pit = hanenmat, plaats voor hanengevechten; —pit deck = ziekenboeg aan boord; —roach = kakkerlak; —-robin = roodborstje; —-rose = roode papaver; —s-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; —’s-head = spurrie; —-shut (—time) = schemeravond; —-shy = spel, om met stokken (—-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; —-spur = hanenspoor; —-sure, šuə, positief zeker; —swain, koks’n, stuurman in een giek; —tail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier gedragen staart; poen: Champagne —tail = champ. met enkele droppels Angostura bitter; Soda —tail = selterswater met bitter etc.; —-tread = hanetree; —ed hat = steek; driehoekig gevouwen briefje: To knock into a —ed hat = tot moes slaan; —erel (—let, —ling) = jonge haan; —-up = naar boven gekeerd; boven den regel uitstekend; scheeve hoed; —y = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.

Cockade, kəkeid, kokarde.

Cockatoo, kokətû, kaketoe.

Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.

Cockburn, koubɐ̂n.

Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht; — verb. troetelen, liefkoozen: —ed up too much; — thy child and he shall make thee afraid = vertroetel; According to — = volgens Bartjes.

Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel, levendig, coquet: —ed up in fair gowns = uitgedost; —-bread = tweede soort tarwebrood.

Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.

Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; — verb. rimpelen, samentrekken: That warms the —s of my heart = doet me innig genoegen; Hot —s = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; —-hat = pelgrimshoed met een —-shell = (mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje); —-stairs = wenteltrap; —r = mosselverkooper.

Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; —dom; —fy = tot C. maken; adj. —ish; —ism = aard of uitdrukking van een C.

Cocoa, koukou, cacao; —butter; —-nib = zaadvliesje van de cacaoboon; —-nut = kokosnoot.

Cocoon, kəkûn, cocon; —ery = inrichting voor de zijdewormteelt.

Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.

Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; — verb. in eene schil besluiten.

Cod, kod, kabeljauw; —-liver-oil = levertraan; —der = visschersschuit (voor —s); —ling = jonge kabeljauw.

Coda, koudə, coda.

Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t — yourself = verwen je zelf niet.

Code, koud, wetboek, reglement: — of morality = zedewet; —-words = afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the — = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.

Codger, kodžə, oude vent, vrek.

Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.

Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify, koudifai, kodifai, codificeeren.

Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.

Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).

Codlin(g), kodliŋ, —lin, soort appelboom; Zie Cod.

Codrington, kodriŋt’n.

Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.

Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.

Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); —ity, kouikwoliti, gelijkheid.

Coerce, kouɐ̂s, dwingen; —r; Coercion = dwang; —-act = dwangwet.

Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.

Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.

Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.

Coeval, kouîv’l = Coetaneous.

Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj. Coexistent.

Coffee, kofi, koffie: A cup of black —; To grind, make, roast, take —; —-beans (= —-nibs); —-mill; —-pot; —-room = gelagkamer.

Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij (vestingb.), sluis (in een kanaal); — verb. in eene kist besluiten; —-dam, kofədam, kistdam; —ed.

Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van een paardehoef, kar van een drukpers; — verb. in eene kist besluiten, insluiten.

Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; — verb. paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were —ged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); —-wheel = tand- of kamrad.

Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig, overtuigend.

Coggle, kog’l, kleine boot; —-stone = afgeronde keisteen.

Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj. Cogitative.

Cognac, ko(u)njak, cognac.

Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation = bloedverwantschap.

Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); adj. Cognitive.

Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance, ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie, (rechts)gebied: Out of the — of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).

Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.

Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de eischer in zijn recht is.

Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.

Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. —ation.

Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.

Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. —nce = —ncy; adj. —nt; —r = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).

Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst. —ness.

Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).

Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; — verb. met eene kap bedekken.

Coiffure, kwofûə, kapsel.

Coign(e) kôin. Zie Coin.

Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back —s), rumoer, verwarring, menigte; — verb. kronkelen.

Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde munt); — verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current — = gangbare munt: To be all over — = een bom duiten hebben; He was paid in his own — = met gelijke munt betaald; He is —ing money = hij verdient geld als water; He —ed new words = smeedde; —age, kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); —er = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.).

Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop (v. omstand.).

Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).

Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.

Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld.

Coke, kouk, subst. coke(s); — verb. in coke(s) veranderen.

Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.

Colander, kɐl’ndə, vergiettest; — verb. doorzijgen.

Colchester, koultšəstə.

Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: — comfort = schrale troost; It must be a — day in August ere I ever try it again = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad —; To have (to catch) a —; She always had the joint in — the second day = als koudvleesch; To leave out in the — = in de kou laten staan; negeeren; afschepen; —-blooded = koudbloedig, koelbloedig; —-cream = zalfje voor barsten; —-served = koud voorgediend; vervelend, saai; —-short = koudbroos, koudbreukig; He gave me the —-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely —ed = zwaar verkouden; —ish = wat koud; —ness = koude, koelheid.

Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.

Cole, koul: —mouse = Coal-mouse; —rape, koolraap; —rape-seed = koolzaad; —-wort = Cabbage.

Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire —, Painter’s — = loodvergiftiging; —ky = koliek...

Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan.

Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.

Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.

Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; — verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.

Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; — verb. een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op, wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the — = met tegenzin; He slipped the — = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of — = buiten betrekking, heeft geen werk; A — of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was —d = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; —-beam = dwarsbalk; —-bone = sleutelbeen; —-work = zwaar werk; —ed herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.

Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk “benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker, collator, schenker.

Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: — security = bij- of nevenborg; subst. —ness.

Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; — verb. (kolîg) zich vereenigen, samenspannen; —ship.

Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag; vijver, waterplas (Amer.).

Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He —ed himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not —ed = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; — bag (box) = kerkzakje; —s = een soort tentamen (Oxf.); To make a — = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The — body of a nation = Body Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.

College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting; verkiezingslichaam (Amer.): —-pudding = pudding van nierenvet, brood, rozijnen en eieren.

Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college behoorende: — church = collegiale kerk, die door het kapittel en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.

Collet, kolət, halsband, ringkas.

Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.

Collie, koli, Schotsche herdershond.

Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; —y = kolenmijn, kolenhandel.

Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.

Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.

Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation = bijeenplaatsing, regeling.

Collodion, kəloudj’n, collodium.

Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.

Collogue, kəloug, samenspannen (with).

Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.

Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch, gemeenzaam: A — command of the language = vertrouwdheid met de omgangstaal; — powers = onderhoudendheid; —ism = alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.

Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; —r; Collusion = geheime samenspanning.

Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.

Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).

Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.

Colocynth, koləsinth, kolokwint.

Cologne, kəloun, Keulen: —-water = Eau de Cologne.

Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən (plaatsn.).

Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; — verb. (kolənel) = aanvoeren als —; aanspreken met kolonel; —cy; —ship.

Colonnade, koləneid, zuilenrij.

Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The — Dutch (Dutch —s) = Holl. kolonisten; —-office = Min. v. Koloniën; —-produce = koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.

Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title to — = van ’t begin tot het einde.

Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).

Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).

Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration; Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik, kolərifik, kleurgevend, kleur—.

Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.

Colosseum, koləsîəm, Colosseum.

Colossus, kəlosəs, colossus.

Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.

Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn, soort, karakter; — verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of — = kleurling; State — = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning wordt gesalueerd; —s = kleuren; vlag, standaard, insigne: In —s = opgeschikt; That is off — = niet de ware kleur; I am all off — = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off —ed son of an Indian Civilian; Under — of = onder het voorwendsel van; To change, lose — = van kleur verschieten, bleek worden; To nail the —s to the mast = ten teeken dat men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the —s = als soldaat dienen; To — a pipe = doorrooken; He —ed to the eyes = bloosde tot over de ooren; —-bearer = vaandeldrager; —-box = verfdoos; In the oil and — line = in oliën en verfwaren; —-man = verfbereider, verfverkooper; —-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; —ed = gekleurd (niet wit), zwartbruin; —ing = valsche schijn, kleur(sel); —less; —ist.

Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r, kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.

Colquhoun, kəhûn.

Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.

Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): —’s foot = klein hoefblad (de bladeren worden wel gerookt tegen asthma); —’s-tooth = melktand; — verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; —ish = dartel.

Colter, koultə. Zie Coulter.

Colton, koult’n.

Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in, slangachtig, listig.

Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.

Columbia, kəlɐmbjə.

Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn; adj. met de kleur van een duivenhals.

Columbus, kəlɐmbəs.

Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: — of companies = compagniescolonne; — of route = marschcolonne; Columnar = zuilvormig, zuil - -.

Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.

Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet; zaadpluisje.

Co-mate, koumeit, subst. kameraad.

Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.

Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; — verb. kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a person’s — = een toontje lager doen zingen; To — some one’s head (hair) = iemand onder den duim houden; He —ed his hair with his hands = streek met de hand door.

Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single — = duel; — verb. strijden, worstelen, bestrijden; —able = bestrijdbaar; —ant, subst. (ook: —er) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; —ive = strijdlustig; —iveness = strijdlustigheid.

Combe, kûm, koum.

Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.

Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.

Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; —s = hemdbroek, = —-garment; —-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; —-room = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend, verbindings...

Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; subst. bond, kongsie.

Combings, koumiŋz, kamharen.

Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible, k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous — = zelfverbranding.

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: —, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; —, —, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; —, don’t be a fool; — your ways = allo, kom mee; She was trying to — that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you — the cruise? = tochtje meemaken; You shall not — your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken; To — to hand = in goede orde ontvangen; It has — home to me = is me duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk; To — to light = aan het licht komen; To — to pass = geschieden; To — short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat is kras gezegd; To — true = uitkomen, waar blijken; To — undone = losgaan; In time to — = in de toekomst; For a long time to — = het zal nog lang duren; First — best served = die ’t eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly —, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; He’ll be sixty — next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has — about, round = is weer daar; How did it — about? = hoe is het gebeurd? To — across = toevallig aantreffen, stooten op; — along, old man = ga nu mee; To — at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you — by that horse? = kwaamt gij aan? To — down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down handsomely = zij dokten flink op; To — down (up)on = aanpakken (fig.); — in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen; Chimney-pot hats have — in again = zijn weer in de mode; To — in = te pas komen; He has — into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht; When will the concert — off? = wanneer zal het concert plaats hebben? The trial will soon — off = beginnen; My hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will — out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has — out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out; This —s out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has — out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To — over to a party = overgaan bij; To — round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to — round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon — round again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not — round me = bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk weer bij (uit flauwte); It —s to the same thing = komt op ’t zelfde neer; When all —s to all = alles bijeengenomen; That has — up of late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To — up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To — up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; —-at-able = genaak(verkrijg)baar; —-down = val, vernedering; —-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; —-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his —-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta, komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first — = de eerst komende, de eerste de beste; New— = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium = cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand; soort sprei (Amer.); — verb. troosten, kracht geven, opwekken, opbeuren: We are in — = kunnen ons goed redden; To take — = zich troosten, moed scheppen; —able = subst. soort sprei of polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am —able = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; —er = trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. —ality, —alness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: —! Sir! = aannemen! mijnheer! — in = binnenkomen; inkomsten; — on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. —l.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: — of nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted —s = aanhalingsteekens; —-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; — verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De Wet’s — = commando; — of oneself = zelfbeheersching; I am at your — = ben tot uw dienst; To be in — = het bevel voeren; This hill —s (a view of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); —ant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; —eer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They —eered the caffres for military service; —er = bevelhebber, zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; —er of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; —er-in-chief = opperbevelhebber; —(e)ry = kommandeurschap; —ership = bevelhebberschap; —ment = gebod, bevel; —o: The Transvaal —os.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj. Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; —ment = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a mild winter, — me to the South of France = voor zacht winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; — me to him = doe mijne groeten aan hem; adj. —able = prijzenswaardig; subst. —ableness = prijzenswaardigheid; —er; Commendam = tijdelijk beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (— letter); een prebende in commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) = Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable = commensurabel: A is — with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator = uitlegger, verklaarder.