Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 61
Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They —d the pony among carts and baskets; She —d herself into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.
Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. —ity, insipiditi.
Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be —ed on = hierover behoeven we niet uit te weiden; —ence (—ance) = halstarrigheid, aandrang; adj. —ent.
Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; —r.
Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.
Insociable, insoušəb’l, ongezellig.
Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.
Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l, onoplosbaar, onverklaarbaar.
Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt, subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.
Insomnia, insomniə, slapeloosheid.
Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.
Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).
Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; —ion, inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind —ion = ter inzage; —or = inspecteur; —orate = —orship = opzienerschap, inspectie (-district).
Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; —al = geinspireerd, inspireerend; —ist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: — muscle = longspier; Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.
Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed geven.
Inspissate, inspisit, adj. verdikt; — verb. (inspiseit, inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.
Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.
Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; —ation = installatie; —ment = installatie, afdoening, termijn (van betaling), gedeelte: They bought a piano on the —ment plan = op afbetaling in termijnen; The article will be inserted in —ments = bij gedeelten.
Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval, voorbeeld; — verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the — of = op aandrang van; He resigned at the — of popular clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For — = bij voorbeeld; It was a kind thought in the first — = in de eerste plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This —, On the — = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. —ness; Instanter, instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it — = elk oogenblik.
Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.
Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.
Instead of, instedəv, in plaats van.
Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the — = den neus in den wind steken.
Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst. Instigation: Under the — of = op aansporing van; Instigator, instigeitə, aanzetter, ophitser.
Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. —lation = —ment.
Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield, doordrongen van, vol: — with life; —ive, instiŋktiv, instinctmatig, spontaan.
Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; — verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen: An inquiry was —d into (as to) his actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: — of law = wetgever.
Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To — national opinion = opvoeden; He was —ed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); —ion = onderwijs, bevel, last; —ional = onderwijs - -, opvoedings; —ive = onderwijzend, leerzaam; subst. —iveness; —or, onderwijzer, instructeur; vr. —ress.
Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; — verb. instrument, instrumenteeren; —al, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar, bevorderlijk voor: That will be —al to your welfare = zal strekken tot; —ality = bemiddeling, werktuig, middel: By the —ality of = door middel van; —ary, instrumentəri = —al; —ation = arrangement, instrumenteering; —oon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).
Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst. Insubordination.
Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous — = waarmee men absoluut geen succes had.
Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.
Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj. Insufficient.
Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator = inblaasapparaat.
Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. —ism = —ity, insiulariti.
Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin): Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.
Insult, insɐlt, beleediging, hoon.
Insult, insɐlt, beleedigen, honen; —er.
Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l, onoverkomelijk; subst. —ness.
Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. —ness.
Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.
Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering (in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect (To make) an — = een verzekering sluiten; Accident — = verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary — = verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; —-agent; —-broker = assuradeur; —-company = verzekeringsmaatschappij; —-money = verzekeringspremie; —-office = assurantiekantoor; —-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I —d my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; —d: The —d party = Party —d = de verzekerde; —r = verzekeraar.
Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig.
Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. —ness.
Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in — against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen; adj. —al = —ary; —ist = Insurgent.
Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible, insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).
Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.
Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover Cameo (die in relief is gesneden).
Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.
Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l, onvoelbaar, ontastbaar.
Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst. geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend, integreerend: — parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.
Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid.
Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental = Integumentary.
Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de ontwikkelden: —s = verstand: Disordered in his —s; —ive, intəlektiv, verstandelijk; —ual, intəlektjuəl, verstands..., intellectueel: —ual powers = verstandelijke vermogens; —alism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; —uality = verstandelijk vermogen.
Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of — = knipoogje van verstandhouding; — department = informatie-departement (-bureau); —-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.
Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate, intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.
Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He is —ed for the church = zal predikant worden; I — to leave (leaving) at four = ben van plan; She is —ed to marry him = zij is voor hem bestemd; He is not —ed to listen = niet van plan; —ed = subst. en adj. verloofd(e).
Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.
Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate; subst. —ness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.
Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti, intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend, intensief: — cultivation.
Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man to all —s and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the — that = opdat (veroud.); He is — on his work = ijverig bij, vervuld van zijn werk; He looked —ly at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first — = snel; —al = met een bepaald oogmerk; A well-—ed man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.
Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; —ment = teraardebestelling.
Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: — alia, (intəreiljə) = o.a.
Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; — verb. intərakt, wederzijds werken op; —action = wisselwerking.
Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.
Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.); Intercalary = ingelascht: — day; Intercalation = inlassching.
Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; —r.
Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden, versperren, afbreuk doen aan: To — the trade; subst. Interception.
Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To make — to a person for; adj. —al: Intercessor, intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: —y = bemiddelend.
Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel, afwisseling; — verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven, afwisselen; subst. —ability, adj. —able = verwisselbaar, afwisselend.
Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën onderling.
Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer = Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling, gemeenschappelijkheid.
Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.
Intercross, intəkros, onderling kruisen.
Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: — pulse.
Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj. Interdependent.
Interdict, intədikt, verbod: To put an — upon = verbieden; To lay under an —.
Interdict, intədikt, verbieden: To — a person from a thing, To — a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap), subst. —ion; adj. —ory.
Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, interest; — verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben, enz.: I disposed of a third — in the factory = ik verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s —s = waken voor de belangen; To excite a person’s — = belangstelling wekken; To have an — in = belang hebben bij; He has little or no — = weinig of geen invloed; Most of them lost on — account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To promote a person’s —s = iemand’s belangen bevorderen; Put out at — = op interest gezet; To take an — in = belangstellen in; Compound, simple — = samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) — = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders); —-ticket, —-warrant = coupon; He —ed himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am —ed in your fate = stel belang in; He is —ed in the matter = heeft belang bij; —ed marriages (marriages of —) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde; —ing = belangwekkend.
Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken, interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t — with me = bemoei u niet; If it does not — with your plan = niet verstoort; —nce, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; —r; Interfering = storend, belemmerend.
Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the — = voorloopig.
Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste, binnenland: Department (Secretary) of the — = Departement (Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); — angle = binnenhoek.
Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.
Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj. Interjectional = Interjectionary = Injectory: — remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen.
Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten of ineengestrengeld zijn: —d arches = kruisbogen; subst. —ment.
Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken gelegen.
Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.
Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv, doorschieten met wit papier.
Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; —ar, —al, intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; —ation, intəlinieiš’n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.
Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).
Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə, deelnemer aan een gesprek: My — = de persoon met wien ik spreek; —y = uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.
Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd indringen; —r = indringer, beunhaas.
Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook fig.).
Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: — nights.
Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.
Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: — bone = tusschenkaaksbeen.
Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; —r = bemoeial.
Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -; subst. agent, tusschenpersoon.
Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -, indirect: — cylinder = middelb. druk cylinder; — education (— schools) = middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); — person = tusschenpersoon.
Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. —ness.
Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.
Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.
Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; —tence, —tency = onderbreking; —tent fever = intermitteerende koorts = —ting fever.
Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; —ture = mengsel, dooreenmenging.
Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.
Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.
Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.); —al = innerlijk, inwendig, inlandsch; —ation = zending naar het binnenland; —ment = interneering.
International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: —ist adj, internationaal: — law = volkenrecht; —ism = internationalisme; —ist, subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; —ize = internationaal maken.
Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: — war.
Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode, intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.
Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.
Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.
Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.
Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant; Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation = interpellatie.
Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.
Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren; Interpolator; Interpolation = interpolatie.
Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t — in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met; To — appeal = appèl aanteekenen; —r; Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; —er = tolk, uitlegger: Student —er = leerling tolk; —ation, intəpriteiš’n, vertolking, verklaring.
Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.
Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation; Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory, intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.
Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; —er; —ion = onderbreking, storing, pauze; adj. —ive.
Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.
Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; —ion = doorsnede, snijpunt, kruispunt.
Interspace, intəspeis, tusschenruimte; — verb. intəspeis, tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.
Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.
Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial, intəstiš’l.
Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.
Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. —ment.
Intertwist, intətwist = Intertwine.
Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At —s = van tijd tot tijd.
Interveined, intəveind, geaderd.
Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen; Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.
Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hooren; — verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; —er.
Interweave, intəwîv, dooréénweven.
Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate, intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt; subst. persoon, die zonder testament gestorven is.
Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm...; Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: — war = burgeroorlog; —s = darmen, ingewanden.
Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.
Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); — verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiš’n, kennisgeving, wenk: — of death = kennisgeving van overlijden.
Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken; subst. Intimidation; adj. Intimidatory.
Intimity, intimiti, intimiteit.
Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.
Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed — good humour again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look — it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks — the garden = ziet uit op; He reasoned them — courage = hij wist door zijne woorden hun moed te doen herleven; You are sitting well — the fire = je zit haast bovenop het vuur.
Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l, onduldbaar, onverdragelijk; subst. —ness.
Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat zijn te verdragen; adj. Intolerant, intolər’nt, ook subst.
Intonate, intəneit, intoneeren, aanheffen; Intonation, intouneiš’n, aanhef, intonatie, toongeving; Intone = aanheffen, intoneeren, zingen (v. kerkgezangen).
Intoxicant, intoksik’nt, dronken makend, bedwelmend(e drank); Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken; Intoxication, dronkenschap.
Intractability, intraktəbiliti, subst. v. Intractable, intraktəb’l, onhandelbaar, weerspannig; subst. —ness.
Intramural, intrəmjûr’l, binnen de muren.
Intranquillity, intraŋkwiliti, ongerustheid.
Intransitive, intransitiv, onovergankelijk.
Intransmissible, intransmisib’l, wat niet overgedragen kan worden.
Intrench, intrenš, met loopgraven omringen, verschansen; —ment = verschansing.
Intrepid, intrepid, onverschrokken, onversaagd; subst. —ity, intrəpiditi.
Intricacy, intrikəsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister; subst. —ness.
Intrig(u)ant, intrigənt, intrigant; —e, intrigant, intrigant, intrigante.
Intrigue, intrîg, subst. kuiperij, intrigue; — verb. kuipen, intrigeeren: He is an —r, an intriguing fellow = een kuiper of intrigant.
Intrinsic(al), intrinsik(’l), innerlijk, eigen, echt.
Introcession, intrəseš’n, verzakking (Med.).
Introduce, intrədjûs, inleiden, invoeren, inlasschen, bekend maken, voorstellen; subst. Introduction, intrədɐkš’n: Letter of — = aanbevelingsbrief; He made some introductory (introductive) remarks = eenige inleidende opmerkingen.
Introit, introu-it, introïtus, woorden gezongen of opgezegd bij den aanvang der mis.
Intromission, intrəmiš’n, invoeging, toelating;—verb. Intromit, intrəmit.
Introspection, intrəspekš’n, zelfonderzoek; Introspective, intrəspektiv, bespiegelend.
Introversion, intrəvɐ̂š’n, naar binnen wenden of gekeerd zijn; adj. Introversive; Introvert, intrəvɐ̂t, naar binnen wenden: An —ed nature = eenzelvige aard.
Intrude, intrûd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I hope I do not — = niet ongelegen kom; He —d himself upon the minister = drong zich op aan; —r; Intrusion, intrûž’n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrûsiv, opdringend; subst. —ness.
Intrust, intrɐst, toevertrouwen: He —ed me with his secret, He —ed his secret to me = vertrouwde mij toe.
Intuition, intjuiš’n, intuitie, innerlijke aanschouwing, niet op waargenomen feiten berustend; Intuitive, intjûitiv, innerlijk aanschouwend, intuitief.
Intumesce, intjumes, opzwellen, uitzetten; —nce = opzwelling, gezwel; adj. —nt.
Intussusception, intəsəsepš’n, opneming en inschuiving van het eene stuk of deel in een ander.
Intwine, intwain, Intwist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten.
Inundate, inəndeit, inɐndeit, overstroomen; Inundation = overstrooming; overvloed.
Inure, injûə, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden; ten goede komen (met to).
Inurn, inɐ̂n, in eene urn verzamelen, bijzetten.
Inutility, injutiliti, nutteloosheid.
Inutterable, inɐtərəb’l, onuitsprekelijk.
Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden; —r.
Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde; Invalid, invəlîd, invəlid, invəlîd, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek; — verb. door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst, buiten gevecht stellen: They were —ed home = als invalide naar huis gezonden; Invalidate, invalideit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; subst. Invalidation; Invalidism, invəlîdizm, invəlîdizm = invaliditeit; Invalidity, invəliditi = ongeldigheid, krachteloosheid, invaliditeit.
Invaluable, invaljuəb’l, onschatbaar.
Invariability, invêriəbiliti, subst. v. Invariable, invêriəb’l, onveranderlijk, standvastig.
Invasion, inveiž’n, inval, inbreuk, schending; adj. Invasive.