Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 119
Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The —d population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane bevolking; —nce = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling, overstrooming.
Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. —ness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen, voorleggen, aanbieden, beweren: He had to — to that humiliation = moest zich onderwerpen; I — this matter to your better judgment = onderwerp; The Governor —ted my name for appointment to the place = gaf mij op ter benoeming; To — a testimonial = overleggen; He —ted that it was impossible = gaf te kennen, gaf toe.
Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.
Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.
Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst. ondergeschikte, bijzin; — verb. (sɐbödineit) onderwerpen, ondergeschikt maken; —ness = Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping; Breaches of — = insubordinatie.
Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged unlawfully, the evidence being —ed = aangezien de getuigen omgekocht waren; —ation = omkooping; gehoorzaamheid: — of perjury = meineed; —er.
Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij niet-verschijning = Writ of —; — verb. dagvaarden.
Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.
Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.
Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.
Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.
Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren (for, to): A gold medal had been —d for him by the learned society in acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden ...; I cannot — to this = kan niet onderschrijven; Shall we — to this monthly together? = samen inteekenen op; Subscriber = onderteekenaar, inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription, səbskripš’n, inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening: —s are invited = inschrijvingen worden ingewacht; —-list = inteekenlijst.
Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.
Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend, opvolgend: She —ly stated this = vervolgens.
Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism frequently is that it —s interests not its own = dat ze andere belangen dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency, səbsɐ̂vj’ns(i), dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient = dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: — to your interests = dienstig voor.
Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedaren, ophouden: The children went to bed and so —d = en kwamen zoo tot rust; He —d into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence, Subsidency, sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The — must be shored up somehow = in de vermindering (verzakking) moet op de eene of andere manier worden voorzien.
Subsidiary, səbsidjəri, hulp..., bijkomend; subst. helper: — troops = Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz, subsidieeren; Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de oorlogskosten.
Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn aan: Man exists, and must — on food which should consist of nourishing ingredients = bestaan van ... bestaan uit; Subsistence, Subsistency = bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud, inherentie: To have — = bestaan; To gain one’s — = den kost verdienen; Subsistent, bestaande, inherent.
Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; — verb. den ondergrond omploegen; —-plough = ondergrondsploeg.
Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid, hoofdbestanddeel, vermogen: That is in — what he told me = de korte inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig, deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk (—s = hoofdzaken): Many — citizens maintained order = aanzienlijke burgers; — house = kapitaal huis; — meal = stevig; —ly correct = in hoofdzaak juist; Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke; deugdelijkheid, voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness; Substantiate, səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could not — the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival, sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv, subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several papers have a — unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een onafhankelijk geheel; A — post, rank, work = onafhankelijk, afzonderlijk.
Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant; — verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj. Substitutive.
Substratum, səbstreit’m, onderlaag.
Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw, fundament.
Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.
Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.
Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.
Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig; subst. —ness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz, fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven; Subtilty, sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid, haarklooverij.
Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; —-witted = scherpzinnig; subst. —ness, —ty = fijnheid, slimheid, arglistigheid.
Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.
Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not — from his merit = vermindert niet; —er; —ion = aftrekking, vermindering, onttrekking; —ive = verminderend, negatief; Subtrahend, sɐbtrəhend, aftrekker.
Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. —s); Suburban, səbɐ̂b’n, van de voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.
Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst. tusschenkomst, rijksbijdrage; — verb. eene (rijks)bijdrage verleenen, steunen.
Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That would be — of every rule = zou omvergooien.
Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen, verwoesten; —ant, —ed = omgekeerd (herald.); —er = omverwerper; —ible = wat omvergeworpen kan worden.
Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.
Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.
Succade, səkeid, sukade.
Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.
Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen: As darkness —s light = zooals de duisternis komt na het licht: Nothing —s like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did not — in getting the place = slaagde er niet in; He —ed to the title = volgde op in; That will not — with me = gaat niet op bij mij; Nothing —s with him = niets gelukt hem; —er.
Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: — to trade! = leve de handel; He is a social — = hij is zeer gewild in gezelschapskringen; To meet with bad — = mislukken; —ful = gelukkig, subst. —fulness; Succession = (erf)opvolging, volging op, volgreeks, nakomelingschap; Law (Right) of —; War of — = successieoorlog; By order of — = het rijtje langs; In — = achtereenvolgens; —-duty = successierecht(en); —-sale = verkoop van eene nalatenschap (Amer.); —al = achtereenvolgend, opvolgend; Successive = achtereenvolgend: On three — nights = drie avonden achter elkaar; Successor = opvolger, nazaat.
Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den Italiaanschen vaster).
Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. —ness.
Succinic, sɐksinik: — acid = barnsteenzuur.
Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.
Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).
Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); —s = hulptroepen; — verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran to my — = snelde mij te hulp; —er; —less = zonder hulp; subst. —lessness.
Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.
Succumb, səkɐm(b), bezwijken.
Succursal, səkɐ̂s’l: — church = hulpkerk.
Succussion, səkɐšən, schok.
Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: — a one = zoo een, zoo iemand; — and — = die en die, eenige: Mr. — a one = mijnheer zoo-en-zoo; No — thing = niets daarvan; — is life = zoo gaat het in het leven; — was her virtue, that = zoo groot was; — as won’t believe me = zij, die; Take — measures as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze; —like = dergelijke.
Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; — verb. inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich vleiend indringen bij (up to): To give — = zoogen; To — at a cigar = zuigen aan; — in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a —-in = het was beetnemerij; To — up = opzuigen; —er, subst. zuiger (ook van een plant), zuigleer; — verb. zuigers uitsnoeien; —et = suikerballetje: Sucking: —-bottle; —-bag = dot; zuigflesch; —-calf; —-pig = speenvarken; —-pump; —-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling; Suction, sɐkš’n, zuigen, zuipen, drank: —-pipe = zuigpijp, zuigbuis; —-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.
Sudan, sûdân; —ese.
Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje, zweetbad; adj. zweetafdrijvend.
Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) —, All of a — = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. —ness.
Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;
Sudetic, siudetik: — Mountains.
Sudor, siûdə, zweet; —iferous, zweetverwekkend; —ific, zweetafdrijvend (middel).
Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the — = zitten er leelijk in; To leave in the — = in den steek laten; To make some soap— = wat zeepsop.
Sue, sjû.
Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The wife —d her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He —d us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He —d out a pardon for us = verzocht en verkreeg.
Suet, siûət, nierenvet; adj. —y.
Suez, sûəz: — Canal.
Suff, sɐf = Suffragette.
Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf ondergaan, boeten: We —ed chains for religion’s sake = we droegen ketenen; To — a change = ondergaan; To — losses = lijden; To — punishment = ondergaan; To — a reverse = tegenspoed hebben; To — wrong = lijden; You will have to — for it = er voor moeten boeten; Don’t — yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; —able = draagbaar, toelaatbaar; —ance = smart, ellende, lijden, dulden, toestemming of verlof: He is here on —ance = wordt hier geduld; —er = lijder, dulder, die toelaat: You’ll be the —er = zult er het slachtoffer van worden; To be a —er by = bij iets verliezen, te kort komen; —ing = het lijden, verlies.
Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: — it to say = het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi, voldoendheid, genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: — in law = rechtsgeldig; — reason = voldoende reden; You have done — to deserve a dinner = genoeg; — unto the day is the evil thereof = elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).
Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.
Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. —ion.
Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to — = stikvol; Suffocative = stikkend.
Suffolk, sɐfək.
Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: — bishop = onderbisschop, wijbisschop.
Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of the — = uitbreiding; Female —; Household — = huismanskiesrecht; Universal —; An advocate of woman (women’s) — = voorstander van het vrouwenkiesrecht; Suffragette, sɐfrədžet, (hartstochtelijke) voorstandster v. het kiesrecht v. vrouwen; — verb. manifesteeren; Suffragist = voorstander van vrouwenkiesrecht.
Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all —d with blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over, overgièting, blos.
Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; — verb. besuikeren, vergulden (fig.): Powdered — = poedersuiker; Refined —; A glass of — and water = suikerwater; — of lead = loodsuiker; I am not made of — (-plums) = niet poeslief; We —ed the trees = bestreken de boomen met een mengsel van rum en stroop (om daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); —-baker = suikerwerker; raffinadeur; —-basin = suikerpot; —-beet = suikerbiet; —-candy = kandijsuiker; —-cane = suikerriet; —-caster = strooier; —-house = suikerraffinaderij; —-loaf = suikerbrood; —-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood; —-loaf waves = korte golven; —-louse = —-mite; —-maple = suikerahorn; —-mill = suikerfabriek, suikermolen; —-mite = suikerworm; —-orchard = aanleg van —-maples; —-planter = suikerplanter; —-plantation = suikerplantage; —-plum = suikerboon; vleierij, lievigheid; —-refiner = suikerraffinadeur; —-refinery = suikerraffinaderij; —-spirit = rum; —-tongs = suikertangetje; —iness, subst. v. —y = zoet, suikerachtig; —less.
Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen, suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing, suggestie: At this — the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde (toen dit geopperd werd); I did it on your — = op uw wenk of raad; Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend (duidend) op, veelbeteekenend: Yours is a very — present = veelbeteekenend, toepasselijk; To be — of = wijzen op; In a French comedy —ness is expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten.
Suicidal, siûisaid’l: — problem = zelfmat (schaakspel); — thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord (ook fig.), zelfmoordenaar: To — oneself (= To commit —); To be —d = zelfmoord laten begaan; Suicidism, siûisaidizm, neiging tot zelfmoord.
Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel, kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; — verb. passen, voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil — = civiel proces; Criminal — = strafzaak; A — of armour = complete wapenrusting; A — of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice, and the cook followed — = en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and he could not follow — = kon niet bekennen; — yourself = zooals je wilt; That will exactly — me, — me down to the boots (ground) = dat is net wat ik hebben moet; He —ed the action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour does not — you = voegt u niet; Suitability, subst. v. Suitable = gepast, voegzaam, geschikt; subst. —ness.
Suite, swît, gevolg, reeks, stel: — of furniture = ameublement; A — of rooms = eene suite.
Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.
Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.
Sulcate(d), sɐlkit (—eitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs, voor, groef.
Sulk, sɐlk, subst. booze luim: — verb. in kwade luim zijn, pruilen: To be in a — (the —s) = uit zijn humeur; He stood out against her —s and pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; Sulkiness, subst. v. Sulky = gemelijk, pruilend.
Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: — harrow = eg met zitplaats voor bestuurder.
Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig, onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend: —s = kwade bui; subst. —ness.
Sully, sɐli, subst. smet, vlek; — verb. besmetten, bemorsen, bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.
Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.
Sulphur, sɐlfə, zwavel; — verb. met zwavel verbinden (bestrooien), zwavelen; —-springs = heete zwavelbronnen; —ate, sɐlfjureit, met zwavel verbinden, zwavelen; subst. —ation, sɐlfjureiš’n; —eous, sɐlfjûriəs, zwavelig, zwavelhoudend; subst. —eousness; —etted = gezwaveld: —etted-hydrogen = zwavelwaterstof; —ic, sɐlfjûrik, zwavel...: —ic acid = zwavelzuur; —ization, subst. v. —ize, zwavelen, vulcanizeeren.
Sultan, sɐlt’n, Sultan; —a, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; —ate, sɐltənit, sultanaat; —ess = —a; —ic, sɐltanik, van een sultan; —ship.
Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.
Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; — verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) — = ronde; The civil engineer’s advances are great in the — = de vooruitgang van den civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is the total — of my experiences = het totaal; The — and substance = korte inhoud; To do (make, work) a — = maken; He is good at —s = kan goed sommen maken; He could not do a — in large divisions, in multiplication = geene groote deelingen en vermenigvuldigsom maken; It can’t be —med up in two words = laat zich niet zeggen; The judge’s —ming-up was lucid and impartial = ’s rechters resumé van het verhoor en de pleidooien.
Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.
Sumatra, sumâtrə; —n = (bew.) van S.
Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren; Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj. beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a — of the case = summing-up.
Summation, səmeiš’n, het samentellen.
Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel, groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj. zomer...., zomersch; — verb. den zomer doorbrengen, den zomer door laten weiden: We went for a brief —ing in the country = voor een kort tijdje in den zomer buiten wonen; To — and winter a person = van haver tot gort kennen; Indian — = nazomer (in N. Amer.); St. Luke’s — = St. Martin’s — = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en rampen; One swallow does not make a —; —-colts = golvende trillingen van heete lucht nabij den grond; —-fallow, subst. braakliggend land in den zomer; — verb. in den zomer braak laten liggen; —-house = tuinhuisje, zomerverblijf; —-lightning = weerlichten; —-time = zomertijd; —-wheat = zomertarwe; —ing = vroege appel of peer; —y = zomersch.
Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.
Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; —-level = hoogste punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc.
Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; — verb. dagvaarden: —s, subst. dagvaarding; A —s was issued (taken out) against him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a —s on = een dagvaarding beteekenen; —s me for that if you like = dagvaard me hiervoor; To — up one’s courage = zich vermannen; —er = deurwaarder.
Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.
Sumph, sɐmf, domkop; plof.
Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = —-horse.
Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: — edict, law = wet tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur, weelderig, prachtig; subst. —ness.
Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); — verb. in de zon warmen, drogen of zitten: The — rises, declines, sets, goes down = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the — very much in his eyes = was erg dronken; I have got a touch of the — = lichte zonnesteek; There is no new thing under the — = niets nieuws onder de zon; —-beam = zonnestraal; —-bird = zonnevogel; —-blind = zonneblind; —-bonnet = dames zomerhoed; —-bronzed; —-burn = roode vlek van het verbranden door de zon; —-burnt = door de zon verbrand, met sproeten; —-clad = in stralen gehuld; —-dew = zonnedauw; —dial = zonnewijzer; —down = zonsondergang (Amer.) = —set(ting); —-dried = in de zon gedroogd; —fish = zonne(maan)visch; —-flower = zonnebloem; —-glass = brandglas; —-god; —-hat; —-heat; —light = zonnelicht; —lit = verlicht door de zon; —-myth = zonnemythe; —-ray; —rise, —rising = zonsopgang, Oosten; —-rose = zonnekruid; —set gun = het avondschot; —shade = parasol, zeil of scherm; —shine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the —shine = beneveld zijn; —shiny = zonnig, schitterend; —-spot = zonnevlek; —stricken, —struck = door een zonnesteek getroffen; —stroke = zonnesteek; —-up = zonsopgang (Amer.); —less = zonder zon, beschaduwd; —like; —niness, subst. v. —ny = zonnig, opgewekt, blijde: —ny eyes = vriendelijke oogen; I am on the —ny side of fifty = ik ben nog geen vijftig.
Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of —s = lange en onbepaalde tijd; He was dressed in his — best = in zijne mooie Zondagsche kleeren; — citizen = zondagswandelaar; —-out = uitgaanszondag; —-school = Zondagsschool.
Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de uitdrukking: In — = vanéén, in tweeën.
Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.
Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in — = in galanterieën; Sundry = verscheidene, verschillende: All and — = alle gezamenlijk.
Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.
Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; —en battery = verdekt opgestelde; —en face = ingevallen; —en rock = blinde klip.
Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; —n-hemp.
Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.
Sup, sɐp, subst. slokje; — verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal verschaffen: I —ped and dined them for several weeks = ik zorgde voor hun avond- en middagmaal; We —ped on cold beef = wij hadden koud rundvleesch voor het avondeten.
Super, siûpə, verk. van Supernumerary.
Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.
Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with); Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.
Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; —ition = het bijvoegen of bijgevoegde.
Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt maken, zijn of verklaren, pensionneeren; —d = verjaard, uitgediend, gepensionneerd: —d officer; —d spinsters = oude vrijsters; Superannuation, siûpəranjueiš’n, ongeschiktheid, pensionneering, pensioen; — act; — fund; — money (allowance).
Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst. —ness.
Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).
Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious, siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. —ness.
Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Supereminent.
Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of — = leer, dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede komen; Works of — = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht eischt.
Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Superexcellent.
Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: — measure = vlaktemaat; —ity, siûpəfišaliti = —ness; Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte, buitenkant.
Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. —ness.
Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous, siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. —ness.
Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.
Superheat, siûpəhît, oververhitten.
Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.
Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.
Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren; —ence, —ency = oppertoezicht; Superintendent = opzichter, inspecteur, directeur: Lady — = directrice; —ship.
Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven, opper, meer, verhevener: — courts = opperste gerechtshoven (Common Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); — force (strength) = overmacht; — planets = planeten verder van de zon dan de aarde; To be — to = staan boven; Superiority, siupîrioriti, meerderheid, voorrang, overmacht: Air of —.
Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).
Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk; subst. overtreffende trap; subst. —ness.