Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 75
Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The —es Brown, The — Browns = de (jonge)dames B.; —ie = juffertje; —ish = gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. —ishness.
Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A — is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels the — of her children = het gemis; He made a — in balk (a — for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have —ed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun —ed fire = ketste; To — a train; To — one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is —ing = is er niet, is weg; Several are killed or —ing = worden vermist; —ing-link = ontbrekende schakel.
Missal, mis’l, misboek.
Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.
Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.
Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; — verb. wanstaltig maken, verkeerd vormen; —n = wanstaltig, misvormd; subst. —nness.
Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; — dart = werpspies.
Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap, zendelingenstation; —ary, zendelings..; subst. zendeling; —er = bode, zendeling.
Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.
Missouri, misûri.
Misspell, misspel, onjuist spellen; —ing = verkeerde spelling.
Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.
Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. —ment.
Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); — verb. mis-stappen, struikelen.
Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); — verb. misten, motregenen, met nevel bedekken: I had a — before my eyes = mijne oogen waren beneveld = A — was over my eyes; They were in a — = zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden — = grauwe; A Scotch — = zware, natte nevel; —iness, subst. v. —y; —like = nevelachtig; —y = mistig, duister.
Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; — verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound — = zich deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no — (about it) = ..., en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are —n = ge vergist u; A —n notion = dwaalbegrip; —nly = bij vergissing; —r.
Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).
Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.
Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.
Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.
Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.
Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.
Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families), mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje, minnares: Head — = directrice, hoofd.
Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. —ful; subst. —fulness: —fulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.
Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; —ing = misverstand, onaangenaamheid, verschil.
Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht behandelen, beetnemen.
Miswrite, misrait, onjuist schrijven.
Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory — = penninkske; The widow’s — = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling — of two years old = een waggelend dreumesje.
Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz, Mithridates.
Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst. Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.
Mitral, maitrəl, als een mijter: — valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; — verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.
Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without —s = pak flink aan; To give (get) the — = een blauwtje geven (krijgen).
Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof naar het andere.
Mity, maiti, vol mijten.
Mitylene, mitilîn.
Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I advise you never to — your wines = wijn door elkaar te drinken; He got —ed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; Don’t — up my silks = maak niet in de war; —max = allegaartje, verwarde hoop; —ed affair = dolle boel; —ed marriage = gemengd huwelijk; —ed pickles = groenten in mosterdzuur; —tilineal, —tilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; —ture, mikstjə, mengsel.
Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: — mast = bezaansmast; —-rigging = bezaanswant; —-sail = bezaan; —-shrouds = bezaanswant; —-top = kruismars.
Mizzle, miz’l, subst. motregen; — verb. motregenen; er van “doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.
Mizzy, mizi, poel, moeras.
Mnemonic, nimonik, geheugen..: —s = geheugenleer.
Moabite, mouəbait.
Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; — verb. kermen, kreunen, betreuren, bejammeren: To make one’s — = zijn leed klagen.
Moat, mout, subst. gracht; — verb. met eene gracht omgeven.
Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met banden (= —-cap); — verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna loopen: He found himself —bed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; —-law = wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); —ocracy, mobokrəsi, de tirannie van het gepeupel.
Mobile, məbîl.
Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.
Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz, mobiliseeren.
Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ = motor-car.
Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.
Mocha, moukə, Mokka; —-coffee.
Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt, onecht; — verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen: To make — at = To make a — of = bespotten; — combat (—fight) = spiegelgevecht; —-heroic poem = komisch-heroisch vers; — moon = bijmaan; —-nightingale = zwartkop; —-orange = (boeren)jasmijn; — sun = bijzon; —-turtle = nagemaakte schildpadsoep; —-velvet = katoenfluweel; —er; —ery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; —ing: —-bird = spotlijster.
Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn, wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud, wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the — = naar de nieuwste mode; —-book = modejournaal.
Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; — verb. naar een bepaald model vormen, modelleeren: — dwelling; — gown; To — oneself upon; —ler = modelleur; —ling: —-board = modelleerplank, schabloon; —-clay = boetseerklei.
Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.
Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd; subst. gematigde; — verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen; voorzitten; subst. —ness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: —s, verkort tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): —-lamp = moderateurlamp; —ship.
Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: — authors (English, history); A poet of the — = van onzen tijd; A —; The —s = de modernen; —ism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; —ization, subst. v. —ize = moderniseeren; —izer; —ness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.
Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk; subst. —y.
Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.
Modification, modifikeiš’n, wijziging; — verb. Modify, modifai.
Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. —ness; Modist = fat.
Modiste, mədîst, modiste.
Mods, modž; Zie Moderate.
Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.
Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).
Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.
Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).
Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) — = de groote Mogol (1526–1857).
Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.
Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch); —ism; —ize = tot de leer van Mahomed bekeeren.
Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke straatschenders.
Mohican, məhîk’n.
Mohocks = Mohawks.
Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.
Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).
Moiety, môiəti, helft, aandeel.
Moil, môil, subst. vlek, smet; — verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To — and toil = zwoegen en sloven.
Moist, môist, vochtig, nattig; —en, môis’n, vochtig worden, bevochtigen: To — one’s throat = er eentje pakken; —ness, —ure, môistjə, vochtigheid.
Moither, môidhə, zwoegen, sloven.
Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.
Molar, moulə, malend; maal(tand) = —-tooth.
Molasses, məlasiz, melasse.
Moldavia, moldeiviə.
Moldwarp, mouldwöp, mol.
Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; —-catcher; —-cricket = molkever; —-eyed = bijziende, blind; —-hill = molshoop: To make a mountain out of a —-hill; —-rat = blindmuis; —skin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; —-track = molsgang; —warp = mol.
Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule, moləkjûl.
Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. —ation, moləsteiš’n; —er.
Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.
Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden, opperrechter.
Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.
Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification = verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel; Mollify, molifai, verzachten, verteederen.
Mollusc, moləsk, weekdier; —a, molɐskə, klassen der weekdieren; —an, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.
Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; — verb. verweekelijken; — little lads = moederskindjes.
Moloch, moulok, Moloch.
Molten, moult’n, part. perf. van to melt.
Moluccas, molɐkəz, de Molukken.
Moly, mouli, soort look.
Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of great — = van groot gewicht; At a —’s notice = in minder dan geen tijd; In a — = On the — = oogenblikkelijk; —ariness, subst. v. —ary = voor een oogenblik, vluchtig; —ous, məmentəs, gewichtig; subst. —ousness; —um, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).
Momma, momə, Amer. voor Mama.
Momus, mouməs.
Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).
Monaco, monəkou, Monaco.
Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.
Monagasque, monəgask, van Monaco.
Monarch, monək, subst. monarch; —al, = —ic(al), mənâkik(’l), monarchaal; —ism = éénhoofdige regeering; —ist; —y = monarchie.
Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery (monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism = kloosterleven, monnikenstand.
Moncrieff, monkrîf.
Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black — Zie Black.
Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: — difficulties; Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel maken, eene standaard waarde geven.
Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: — down, — out of hand = baar geld, contant; — of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current — = gangbare munt; Earnest — = godspenning; Ready — = baar geld, contant; Small — = kleingeld; Spare — = geld dat over is; I am out of — at present = niet bij kas; — makes the man; — makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert (turn) into — = te gelde maken, verzilveren; It is like eating — = het verslindt geld; To fling good — after bad; To keep a person in — = van geld voorzien; To keep a person out of his — = laten wachten op; I laid out my — in a necklace = besteedde aan; It looks like — = het is peperduur; To make — = geld verdienen; He made my — spin = liet rollen; To roll in — = zich baden in; What’s the —? = wat kost het; That’s not my — = dat is niets voor mij; That is the man for my — = dàt is m’n man: —-agent = geldwisselaar; —-bag; —-bill = wetsontwerp tot het toestaan van gelden: —-box = spaarpot; —-broker, —-changer = geldwisselaar; —-dropper = kwartjesvinder; —-grabber = —-grubber = geldwolf; —-lender = geldschieter; He has a —-making business = verdient geld als water; —-market = fondsen-, geldmarkt; —-matters = geldzaken; —-order = postbewijs (ook Post-office —-order genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is —-proof = laat zich niet omkoopen; —-spider = geluksspinnetje; —-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; —-wort = penningkruid; —’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his —’s worth = eischte waar voor zijn geld; —ed = rijk, vermogend; gemunt; —er = geldmunter; —less.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, —n, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; —ize = tot een mongrəl maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor (oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); —’s-hood = monnikskap; —’s Latin = middeleeuwsch Latijn; —ery = monnikenstaat; —hood = monnikschap; —ish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500 dollar): To have (get) one’s — up = den duivel in krijgen, nijdig worden; To suck the — = met behulp van een strootje drank opzuigen uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; —-bread = apenbrood(boom); —-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous = éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch; Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; —er, mənogrəfə; adj. —ic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj. Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd; Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; —r; Monopoly = monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig, vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe (1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot, monsterachtig; — verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. —ness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano, monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth; Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery, məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar — = maanmaand; This day — = vandaag over eene maand; This last — = For this — past = sedert vier weken; At three —s’ date = 3 maanden na dato; —ly, subst. maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): —ly-nurse = baker; —ly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl; Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The — = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); —al, monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in one’s —s = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the — = in de stemming zijn, lust hebben aan; —iness, subst. v. —y = gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; — verb, doelloos rondzwerven, droomen, droomerig rondkijken: The — was at the full (near her full, within two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue — = met St. Jutmis; To cry for the — = het onmogelijke begeeren; I wished him over the — = op de Mookerhei; —-beam = manestraal; —-calf = maankalf, misgeboorte; —-eye = maanoog (bij paard.); —-eyed = maanoogig; —-face = vollemaansgezicht; —-fish = maanvisch; —-glade = maneschijn op het water; —light, subst. maanlicht; —lighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben ingenomen (Ierl.); —-lit = door de maan beschenen; —-raker = uilskuiken; —-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin; ook adj.: It is the merest —shine; It’s all —shine = niets dan onzin, vertoon; —shiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.); —shiny = door de maan beschenen; onzinnig; —stricken, —struck = maanziek, sentimenteel, halfwijs; —-year = maanjaar; —less; —y = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; —ish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; —age = ankerplaats; —ing; —ing-buoy = meerboei; —ing-ring; She is at her —ings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was driven from her —ings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; —-cock = mannetje, en —-hen = vrouwtje van —-fowl, —-game = Schotsche korhoenders; —land = heide, veengrond; —ish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; — verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was first —ed in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; —-case, (—-point) = open vraag, geschilpunt; —-court = soort van debatingclub voor juristen; —er = iemand, die aan een —-court een geschilpunt inleidt.
Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; — verb. gezichten trekken (To — and mow), dweilen, afvegen: A — of waving hair = golvende haardos; He —ped up the ink with blotting-paper = nam op; —-headed = met een ragebol (haar); —stick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst. droomer: To — away one’s time = versuffen; He is in the —s = knorrig, gemelijk: —-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit — = zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. —ness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje; Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld, zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a — that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the — of Auntie = het evenbeeld; The story points a — = bevat eene zedeles; —s = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; — law = zedenwet; — philosophy = zedenkunde; — sense = zedelijkheidsgevoel; —e, mərâl, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s — (—e) is much shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; —ist = bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; —ity, məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van “Sinne”; —ization, subst. v. —ize = moraliseeren; —izer.
Morass, məras, moeras: — ore = oer; adj. —y.
Moravia, məreivjə, Moravië; —n, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The —ns = The —n Brethren = Hernhutters; —nism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: — anatomy = pathologische anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = —ness; Morbific(al) = ziekte veroorzakend: — matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: — and — = steeds meer; And — than that = en wat meer zegt; He never did it any — = nooit weer; Much — = veel meer; No — = niet meer bestaande, dood, evenmin; Not — = evenzeer; Once — = nogmaals; So much the — = des te meer; The — the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — or less = min of meer; — to the purpose = doelmatiger; —over = bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade; morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: — marriage = huwelijk met de linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes — = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; —ism; —ite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the — = ’s morgens, den volgenden morgen; Of a — = op een morgen; —-coat = jacket; —-gown = ochtendjapon, kamerjapon; —-paper, —-print = ochtendblad; —-star = morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of — = in Morpheus armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži, morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the — = He troubles himself about no —s = hij is niet bezorgd voor den dag van morgen; To-— = morgen; To-— morning = morgenochtend; On the — = morgen, den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): — alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a — of bread = tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte, hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.