Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 124
Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden, speelruimte, bevoegdheid; — verb. vastbinden, beperken: He came to the end of his — = zijne middelen waren uitgeput; To go to the end of one’s — = zoo ver gaan als men kan; To — a person by a short rope = iemand kort houden.
Tetra, tetrə, (in samenst.), vier: —chord = halve octaaf (van c tot f of van g tot c); viersnarige lier; —dactyl(e), tetrədaktil, viervingerig; —diapason, tetrədaiəpeiz’n, viervoudige octaaf; —gon, tetrəgon, vierhoek; adj. —gonal, tətragən’l; —hedron, tetrəhîdr’n, tetrəhedr’n, regelmatig viervlak; —meter, tətramətə, viervoetige versregel; —petalous, tetrəpetəlɐs, vierbladig; —pod = vierpootig; —pteran, tətraptər’n, viervleugelig (insect); —pterous, tətraptərɐs, viervleugelig; Tetrarch, tetrâk, tîtrâk, gouverneur van het vierde van een wingewest (Rom.): —ate, tetrâkit, tîtrâkit, —y, tetrâki, grondgebied van een T.; Tetrastich, tetrəstik, tətrastik, vierregelig gedicht.
Tetter, tetə, subst. naam voor verschillende huidziekten (Eating — = lupus); — verb. eene huidziekte bezorgen.
Teuton, tjût’n, iemand v. Teutonischen stam; Teutonic, tjutonik, Teutonisch, Germaansch: — languages = Germaansche talen; Teutonicism, tjutonisizm, Germaansch idioom; Teutonize = germaniseeren.
Teviot, tiviət; Tewk(e)sbury, tjûksb’ri; Texan, teks’n; Texas, teksəs; (The) Texel, dhəteks’l.
Text, tekst, tekst, onderwerp, inhoud; —book = handboek, schoolboek; —-hand = groot loopend schrift; —ual = volgens den tekst; —ualist = schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt.
Textile, tekst(a)il, subst. geweven stof; adj. geweven: — industry; Texture, tekstjə, het weefsel, structuur.
Thackeray, thakər(e)i; Thaddeus, thədîəs, thadiəs; Thaisa, theiizə, thəîzə.
Thaler, tâlə, thaler.
Thales, theilîz; Thalia, thəlaiə, Thalia: —n = komisch; Thaliard, thaliəd.
Thames, temz, Theems: He will not set the — on fire. Zie Fire.
T(h)ammuz, t(h)aməz, vierde maand van het Joodsche burgerlijk jaar.
Than, dhan, dan (alléén na comparatieven): He is older — I by seven years.
Thane, thein, Angelsaksische titel der grootere grondbezitters tot de 12de eeuw; —dom; —-lands; —ship.
Thanet, thanət.
Thank, thaŋk, subst. dank (thans steeds meervoud); — verb. danken, bedanken (dikwijls ironisch): —s to thee, I am safe = ik ben veilig, dank zij u; —s = ik dank u; No, —s! = dank u; geen dank; —s to your eagerness = dank zij; —s be to God = God zij dank; To give —s = danken (na den maaltijd); To return —s = dank betuigen; No — you = ik dank u; — you, yes = alstublieft; — you for nothing = ik zou je danken; — God we are rid of him = Goddank; He has only to — himself for = ’t is zijn eigen schuld, dat...; I’ll — you to shut the door = doe alstublieft de deur dicht; I’ll — you not to do it = gij doet me plezier als gij het laat; I’ll — you for the potatoes (for a cup of tea) = mag ik alstublieft; —-offering = dankoffer; —sgiver = bedanker, dankzegger; —sgiving = dankzegging (aan God); —sgiving-day = dankdag; —ee = dank u; —ful = dankbaar; subst. —fulness; —less = ondankbaar: —less task; subst. —lessness; —worthiness, subst. v. —worthy = dankenswaard, verdienstelijk.
That, dhat, gene, die, dat; opdat: — is me (I) = dat ben ik; He is a good fellow for all — = toch een goede vent; And — for this reason = en wel om deze reden; Nothing follows, nothing — is, which is of any real weight = namelijk niets; While his family, his mother — is, were living in D. = zijn moeder namelijk; No human being ever spoke like — = op zoo’n manier; This is horrible, — is = dit is bepaald af grijselijk; Mrs Quilp — is = de tegenwoordige; Mrs Corney — was = de vroegere; He has been here, but what of —? = wat zou dat, bewijst dat; I was the eldest son and not much of a help at — = en trouwens als zoodanig nog geen groote steun; ‘Christmas comes but once a year’, and adds the cynic, ‘once too often at —’ = en dat is trouwens nog één keer te vaak; I send you word — you may be prepared = opdat gij voorbereid zijt; It is not — I believe = niet omdat ik geloof; Do tell me, —’s a good girl = dan ben je eene beste meid; — much is certain = zooveel; I am — sorry = het spijt me zóó! I suppose you are worth all — = wel zóó rijk; I am tougher than — = daar ben ik te taai voor.
Thatch, thatš, subst. dakstroo, dakriet, stroodak, hut; — verb. met stroo of riet dekken; —er = rietdekker.
Thaumatrope, thômətroup, thaumatroop; Thaumaturge, thômətɐ̂dž, wonderdoener = Thaumaturgist; Thaumaturgic(al), thômətɐ̂džik(’l), wonderdadig; Thaumaturgy, thômətɐ̂dži, wonderdoenerij.
Thaw, thô, subst. dooi; — verb. dooien, ontdooien (ook fig.): Silver — = ijzel; The — set in = het begon te dooien; It —s.
The, dhə, dhi (vóór een klinker), dhî (met nadruk), de, het: — more — merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — sooner — better = hoe eerder hoe beter; — more I see you — better I like you = hoe meer ik u zie, hoe meer ik van u houd; — more so, as I do not know him = des te meer omdat; — rather = temeer; So this — grand-daughter, is it? = je kleindochter; — Lady Grace Eveleigh = Freule G. E. (meer officieel dan zonder ’t lidwoord); — Douglasses’ house = der familie D.
Theatre, thîətə, theater, schouwburg, toeneel, medische gehoorzaal: — of war = oorlogstooneel; —-goers = bezoekers; Theatrical, thiatrik’l, theatraal: —s = tooneelvertooningen: Private —s = liefhebberijtooneel; Theatricality, thîatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon.
Theban, thîb’n, subst. en adj. Thebaan(sch): — year = 365 d. en 6 u; Thebes, thîbz, Thebe; Thecla, theklə.
Thee, dhî, u (object van Thou): They — and thou each other = spreken elkaar aan met je en jou.
Theft, theft, diefstal.
Theina, thiainə, Theine, thî-in, theeïne.
Their, dhêə, hun, haar; —s = van hen, van haar: These books are —s = zijn de hunne.
Theism, thîizm, theïsme; Theist; adj. Theistic(al).
Them, dhem, hen, haar (object van They); —selves, dh’mselvz, zich zelven, zij zelven.
Thematic, thimatik, thematisch; Theme, thîm, onderwerp, thema, stam, (gram.).
Themis, thîmis, Themis.
Then, dhen, adj. toenmalig; adv. en conj. toen, dan, later, alsdan, daarom, diensvolgens, derhalve: The — measures were insufficient = toen genomen; You might have had a bad fall — = daar had je leelijk kunnen vallen; What did he say —? = wat zei hij daar toch; Did he laugh at you? — he ought not = maar dat moest hij niet; I hear his footstep, — he is back = dus is hij terug; I think, — I exist = ik denk, dus besta ik; By — = tegen dien tijd; On —! = vooruit! If he sees us, what —? = wat zou dat, wat hindert dat; Now and — = nu en dan; Every now and — = telkens; Now —, what can you say to the contrary? = welnu; — and there = onmiddellijk, op staanden voet; Till — = tot dien tijd, tot zoolang; Not until — = eerst toen; Thence, vandaar, derhalve: From — = van uit die plaats; —forth, dhensföth, —forward, dhensföwəd, van dien tijd af aan.
Theobald, thîəbôld.
Theocracy, thiokrəsi, theocratie; Theocrat; Theocratic(al) = theocratisch; Theodicy, thiodisi, theodicee.
Theodora, thîədôrə; Theodore, thîədö.
Theogony, thiogəni, theogonie; Theologian, thiəloudž’n, godgeleerde; Theologic(al), thîəlodžik(’l), theologisch: The — virtues are: Faith, Hope and Charity = de goddelijke deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde; Theologize, thiolədžaiz, theologiseeren; Theology, thiolədži, theologie: Natural — = de kennis Gods uit Zijne werken.
Theophilus. thiofilɐs.
Theorbo, thiöbou, theorbe, groote basluit.
Theorem, thîər’m, theorema; adj. —atic(al).
Theoretic(al), thîəretik(’l), theoretisch; Theoretics = het theoretisch gedeelte eener wetenschap; Theorist, thîərist, theoreticus; Theorize = theoretiseeren: —r; Theory, thîəri, theorie: His practice falls short of his — = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie.
Theosophy, thiosəfi, theosophie.
Therapeutic(al), therəpjûtik(’l), therapeutisch; —s = therapie.
There, dhêa, daar, er: When did he leave — = wanneer is hij vandaar vertrokken; You are right (wrong) — = daar hebt ge gelijk (ongelijk) aan; Here and — = hier en daar; Then and — = op dat zelfde oogenblik (= — and then); I am all — = ik weet drommels goed wat ik doe; — you are! = klaar is ’t; alstublieft; — is a horse for you = dat is nog eens een paard! I am no match for you — = in dat opzicht kan ik niet tegen u op; You have got a tile off and are not all — = je bent niet recht bij het hoofd, en weet niet wat je doet; That to me is everything! So —! = nu weet je het; en daarmede basta! Stop, —’s a good fellow = dan ben je een beste; —about(s) = daaromtrent: A guilder or —abouts = een gulden of daaromtrent; —after = daarna, volgens dat, daarnaar; —anent = met betrekking tot dat punt; —at = daar, om die reden, bovendien: He is poor and a fool —at = en een dwaas op den koop toe; —by = daarnevens, daardoor, diensvolgens, daaromtrent; —for = hiervoor; —fore = daarom, daarvoor, met dat doel; —from = daarvan, daaruit; —in = daarin, hierin; —into = daarin; —of, dhêrov, hier- of daarvan; —on = hier- of daarop, er op; —out = daaruit; —to = daar- of hiertoe, buiten en behalve; —under = daaronder; —unto = daartoe; —upon = hier- of daarop, ten gevolge daarvan, dadelijk; —with = daarmede, onmiddellijk; —withal, dhêəwidhôl, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven.
Theresa, tərîsə, Therese.
Thermae, thɐ̂mî, heete bronnen of baden; adj. Thermal: — waters, — springs; — unit = warmte-eenheid.
Thermit, thɐ̂mit, thermiet.
Thermometer, thɐ̂mometə, thermometer: A clinical —.
Thermopylae, thɐ̂mopilî, de Thermopylen.
Thermoscope, thɐ̂məskoup, thermoscoop; Thermostat, thɐ̂məstat, thermostaat.
Thersites, thɐ̂saitîz.
Thesaurus, thisôrəs, woordenschat (boek).
These, dhîz (meerv. van This), deze.
Thesis, thîsis, thesis, stelling (Mv. Theses, thîsîz, thesîz): — for the degree of M. D. = medische dissertatie.
Thespian, thespiən, Thespisch; subst. tooneelspeler.
Thessalian, thəseilj’n, Thessaalsch; Thessaliër; Thessaly, thesəli, Thessalië.
Thetis, thîtis.
Thews, thjûz, spierkracht, spieren; Thewy = gespierd.
They, dhei, zij, degenen: — say = men zegt.
Thibet, tibət, tibet.
Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; — verb. verdikken: He is such a — = zoo’n domkop; He was in the — of the fight; To back through — and thin = meegaan door dik en dun (fig.); This is a bit too — = te kras; They are as — as peas in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as — as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; His blows came down as — as hail = zoo snel en hard als hagelsteenen; To be (To become, To get) — with = intiem zijn (worden) met; To lay it on — = overdrijven, er dik op leggen; I am — of hearing = hardhoorig; — of sight = met slecht gezicht; — of speech = slecht bespraakt; A — one = goudstuk; A — pronunciation = onduidelijke; A —-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun meegaat; —-grown = dicht; —head = dik- of domkop; —-headed = dom, stomp; —-leaved; —-legged; —-lipped; —-nosed; —-planted; —-ribbed = met krachtige ribben; —-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik); subst. dichte heg, een gestreepte stof; —-side = dikhuid(ig): His —-side patience = olifantachtig geduld; —-skin = ongelikte beer, vlegel, domkop; —-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen, verduisteren: The crowd —s = het gedrang neemt toe; The plot —s = de verwikkeling neemt toe.
Thicket, thikət, boschje.
Thickish, thikiš, ietwat dik.
Thief, thîf, dief: A — was in the candle = er was een dief aan de kaars; Stop —! = houdt den dief; Set a — to catch a —; —-catcher = dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.
Thieve, thîv, stelen; —ry = het stelen, dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. —ness.
Thigh, thai, dij; —-bone = dijbeen.
Thill, thil, lamoen; —-horse = lamoenpaard = —er.
Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); —-berry = soort braambes; —-case = foudraal; —-rig, —-rigger = bedrieger, die laat wedden onder welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.; —ful = vingerhoedvol.
Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering; ledig, doorzichtig; — verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen, uitverkoopen: His disguise was very — = erg doorzichtig; This month’s number is a little — = is vrij dunnetjes; To get (grow) — = mager worden; — diet = magere kost; — streets = ledige straten; The strata were —ning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; —-faced = met een smal en schraal gezicht; —-leaved; —-lipped; —-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar; —-sown; —-spun; subst. —ness.
Thine, dhain, van u, het of de uwe.
Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (—s = dingen, zaken, goed, spullen): He is a — of nothing = een kerel van niets; That’s a — of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the — = niet recht wel; That’s the (very) — = moet ik net hebben, zoo is het precies; Neither one — nor another = geen visch en geen vleesch; When —s are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst is, is de hulp nabij; —s past may be repented but not recalled = gedane zaken nemen geen keer; As —s stand = zooals de zaken staan; It comes all to the same — = komt alles op hetzelfde neer; You have got the wrong — = het verkeerde; He knows (is up to) a — or two = hij is slim, goed op de hoogte; He made a tidy (good) — of it = hij sloeg er een slaatje uit; I like him above all —s = bovenal; It was quite in the nature of —s = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in de rede.
Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held up to — = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies = hunne rose zijden japonnetjes.
Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten: Only — = denk eens aan; To — = als men bedenkt; I should — not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should — so = dat zou ik denken; To — about a thing = ergens over denken; More than you — for = dan ge verwacht; What do you — of him? = wat denkt ge van hem; Now that I come to — of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought better of it = mij bedacht; He —s much of you = schat u hoog, heeft een hoog idee van u; To — on (over) = nadenken over; No, thought I to myself = dacht ik bij mezelf; I — with you there = dat ben ik met u eens; Me—s = mij dunkt (verouderend); —able = denkbaar; —er = denker; Thinking: To my — you might have profited more by it = mijns inziens; He is of my way of — = ’t met mij eens.
Thionville, tîənvil, Diedenhoven.
Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (—s = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe het vruchtgebruik heeft): The — Estate = de burgerij; —-class; —-rate = 3de rangs; —ly = ten derde; —sman = scheidsman.
Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.
Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); — verb. dorsten, vurig verlangen: His (the) — after wealth and honour = zijn dorst naar; A —(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with — = is droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty = dorstig, droog, versmachtend: I am — = ik heb dorst.
Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); —th, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The — Years’ War = Dertigjarige Oorlog.
This, dhis, deze, dit: — day week = vandaag vóór een week; — is Thursday = ’t Is vandaag; — one and the other = deze en gene; It was Miss Mary — and Miss M. that = vóór en na; Generals — and that = die en die; Just allow it for — once = dezen éénen keer; You must be ready by — (time) = thans; From — to X. = van hier naar X.; — much he told me = zooveel heeft hij mij verteld; Come — way = hiernaartoe; I have not seen him these three months = in geene drie maanden.
Thistle, this’l, distel: Order of the — = Distel- of Andreasorde; —down = distelpluisjes: As light as —down = als een veertje; Thistly = vol distels.
Thither, dhidhə, daarheen; —to = tot daartoe; —ward(s) = derwaarts.
Tho’, dhou = Though.
Thole, thoul, subst. dol = —-pin.
Thomas, toməs: A very — in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism, tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist = Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.
Thong, thoŋ, riem, snoer.
Thor, thö, Thor: —’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.
Thoracic, thərasik, borst...: — fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks, borst(kas), borststuk.
Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a — in a person’s side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon —s = op heete kolen zitten; He that handles —s shall prick his fingers = wie met pek omgaat wordt er mede besmet; —-apple = doornappel; —-back = stekelrog; —-bush = doornstruik; —-but = tarbot; —-hedge = doornhaag; —-letter = de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; —-set = met doornen bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend, netelig.
Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend, doordringend: He is a man of — = hij tast door; —-bred = volbloed (— horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; —fare = doorgang, (hoofd)straat: No —fare = voor het verkeer gesloten; —going = doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most —going kind = zoo radicaal mogelijk; The —goingness of a newspaper = de durf van eene courant; —-lighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; —-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts...: A —-paced villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid, grondigheid.
Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.
Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are — who pretend = er zijn er.
Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; — verb. met thou aanspreken.
Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: — I say it = al zeg ik het zelf; — it were true = al was het ook waar; He is a good fellow — = hij is tòch een goede kerel; What — the body dies = wat hindert het of het lichaam sterft; You would —, if you had been present = en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more — = overigens moest hij meer spelen.
Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.
Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening, voornemen, voorstelling, schijntje: He was a — taller than the ordinary run of people = een ietsje langer; I will be back upon a — = in een wip; That — occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I didn’t give it — = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some —s of going = liep rond met ’t idee; I cannot read your —s = uwe gedachten niet lezen of raden; You had better take — and not be rash = u goed te bedenken; He took no — for to-morrow = bekommerde zich niet om; —-reader = gedachtenlezer; —-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is — of his interests = bedacht op; A — book = een boek dat tot nadenken stemt; Very — of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked —ly and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless = gedachteloos, zorgeloos; subst. —ness.
Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a — pities = het is doodjammer; It is a — nuts to an orange pip = tien tegen één; He is one in a — = één uit de duizend; I have a — things to do = allerlei dingen; They appeared in their —s = in grooten getale; —-legs = duizendpoot; —fold = duizendvoudig; —th, subst. en adj. duizendste (deel).
Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.
Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf, slavernij.
Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of bespreken: To — over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven; —el = dorschvlegel; —er = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He got a sound — = een duchtig pak slaag; —-floor = dorschvloer; —-machine, —-mill = dorschmachine.
Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; — verb. een draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen (= To — one’s way through): The — of a screw = draad van een schroef; To lose the — of one’s discourse; To pick up —s = het gesprek aan den gang krijgen; To take up the — of a tale; Its existence was hanging on (by) a (slender) thin — = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry — on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air —s = herfstdraden; To — the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en verbonden handen doorgaan; —bare = kaal, versleten, afgezaagd; subst. —bareness; —-bobbin = garenklos; —-paper(s) = dunne reepjes papier, papillotten: I am not going to fret myself into —-paper for her = denk me niet dood te kniezen; —-worm = draadworm; —iness, subst. v. —y = draderig, dun.
Threat, thret, subst. bedreiging: Empty — = ijdele; Threaten = dreigen, bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; —er; —ing: —ing-letter = dreigbrief.
Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In — copies = in triplo; To fold in —s = in drieën; I had round number — with him = ik heb duchtig met hem afgerekend; The rule of — = regel v. drieën; The — F’s = eischen der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t sell it under — figures = onder £ 100; —-figure accidents are almost unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven verliezen; —-act(ed) = in 3 bedrijven; —-cornered = met 3 hoeken of punten: —-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen; —-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lezenaars; —fold = drievoudig; —-foot stool = driepoot; —-headed = met drie koppen of hoofden; The — Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 12–3; —-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; —penny, thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; —penny bit = — penny piece; It’s a —penny concern = sjofel boeltje; —penny piece = driestuiverstuk; A —-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed; —score = zestig; —-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of —-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); —-tailed pasha = met 3 paardestaarten.
Threnody, threnədi, klaagzang.
Thresh, threš; —er. Zie Thrash.
Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.
Threw, thrû, imperf. van to throw.
Thrice, thrais, driemaal; —-blest = overgelukkig; —-favoured = buitengewoon begunstigd.
Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.
Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; —iness = spaarzaamheid, voorspoed; —less = verkwistend; subst. —lessness; —y = spaarzaam, voorspoedig.
Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; — verb. doordringen, doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a — of horror through the world = deed van afgrijzen rillen; It —ed him with a vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He —ed at hearing this = sidderde; —ers and curdlers = sensatie-romans.
Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen, toenemen: He that will — Must rise at five, He that has —n May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to — = onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van —; Thriver = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. —ness.
Thro’, thrû = Through.