Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 66

Chapter 663,533 wordsPublic domain

Lath, lâth, subst. lat; — verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a — = zoo mager als een houtje; —-and-plaster = van bepleisterde latten; —-work; —y = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt.

Latham, leith’m.

Lathe, leidh, draaibank.

Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).

Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; — verb. inzeepen, schuimen, met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.

Laticostate, latikostit, met breede ribben.

Latidentate, latidentit, met breede tanden.

Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede bladeren.

Latimer, latimə.

Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch, Romeinsch: — Church = Roomsche Kerk; — cross = kruis (symbol); — races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; — union = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; —ism = Latinisme; —ist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; —ization = verlatijnsching; —ize = Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.

Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..; Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig, verdraagzaam; subst. vrijzinnige; —ism, latitjûdinêriənizm = vrijzinnigheid.

Latrine, lətrîn, privaat.

Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; —-brass = messingblik; —-wire.

Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: — end = slot, stervensuur; achterste; In his — years = lateren tijd; —-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The —-day lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; —math = nagras, etgroen; —ly = onlangs, in den laatsten tijd.

Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; — verb. van traliewerk voorzien; —-pew = kerkbank met traliewerk; —-window; —-work.

Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; —s = de Lauden, het tweede der kerkelijke getijden; — verb. lofzingen, prijzen; —able = lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. —ableness; —ation, lôdeiš’n, lof; —atory, lôdətəri, lovend, prijzend; —atories = lofrede.

Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.

Laugh, lâf, subst. lach, gelach; — verb. lachen: Till you have had your — out = tot je uitgelachen bent; Those — best, who — last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He —ed his consent = gaf lachend zijn toestemming; He —ed at me = lachte mij uit; He —ed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He —ed in his sleeve = in zijn vuistje; He —ed on the wrong side of his mouth (face), ook: He —ed on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To — one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk te maken; He —ed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: —-and-lie-down = een soort kaartspel; —able = lachwekkend, belachelijk; subst. —ableness; —er = lacher, lachduif; —ing: It is no —ing matter = ’t is geen gekheid; —ing-gas = lachgas; —ing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; —ter = gelach: To break out into fits of —ter = in lachen uitbarsten; I could not contain my —ter = mijn lachen niet houden; To shake with —ter; She looked at me with —ter-brimming eyes = met stralende oogen.

Launce, lâns, lans; zand-aal.

Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.

Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas, motorboot: Electric (Steam-)— = motorboot (stoombarkas); — verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen; I’m —ing out a bit = neem het er eens van; I was —ed upon (into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We —d a boat = streken; The ship was —ed = werd te water gelaten; He —ed an ultimatum = zond een ultimatum.

Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs, lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; —-maid = waschmeisje.

Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een Overste.

Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; — verb. (lôrieit) lauweren: Poet — = Eng. hofdichter; —ship = ambt van hofdichter.

Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your —s = op je lauweren rusten; To win —s.

Laurence, lôr’ns.

Lauwine, lôwin, lawine.

Lava, lâvə, lava.

Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri, wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer, retirade: Ladies’ (Men’s) — = toilet; — carriages = rijtuigen met retirade.

Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in — = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.

Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.

Laverock, lavərək, leeuwerik.

Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.

Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; — verb. verkwisten, verspillen: He —ed his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To — oneself on = zich verslingeren aan; —er = verkwister; subst. —ness.

Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong (jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the — = Vreugde der Wet: The Scrolls of the — = wetsrollen; He is a student in — = studeert in de rechten; To be at — = in proces liggen; The fox was given a — = liet men een voorsprong nemen; To go to — = gaan procedeeren; I will have the — of you = zal je vervolgen; To take the — into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the —s of honour = niet zondigen tegen; — of exchanges = wisselrecht; — of insurance against sickness and accident = ongevallenwet; —s of nations = volkenrecht; —-abiding = ordelievend; —-binding = lichtgeel leeren band; —book = wetboek; —-breaker = wettenschender; —-court = gerechtshof; —giver = wetgever; —-latin = advokatenlatijn; —-lord = een Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; —maker = wetgever; —-merchant = handelsrecht; —-monger = beunhaas; —-officer = dienaar der wet; —-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.; copiïst van gerechtelijke acten en documenten; —suit = proces, rechtsgeding; —-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; —ful = wettig, rechtmatig; subst. —fulness; —less = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; subst. —lessness; —yer = wet- of rechtsgeleerde, advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang —yer weighted with lead; Sea —yer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet verplicht is te doen.

Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).

Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; —-mower = tuinmaaimachine; —-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.); —-tennis = een raketspel; —y = van batist, doorzichtig.

Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; —ative, laksətiv, laxeerend; laxeermiddel; —ity = losheid, laksheid, slordigheid: — of the bowels = loslijvigheid.

Lay, lei, imp. van to lie = liggen.

Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel (Amer.), werk; adj. leeken ...; — verb. leggen, dekken, neerwerpen, neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen, uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on the same — as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the — here? = iets aan de hand? —-by = ligplaats; —-days = (toegestane) ladings- en lossingsdagen; —-brother = leekebroeder; —-clerk = leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; —-down = dutje; —-down collar = liggende boord; —-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche kerk); —-figure = ledepop; —man = leek, oningewijde; ledepop; —-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To — by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste gelegd; To — to heart = ter harte nemen; To — breakfast = klaar zetten voor (dekken); To — a cable; To — the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To — a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen, bezweren; I cannot — my hand upon it = niet vinden; He laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads together = staken de koppen bij elkaar; To — hold of = vastgrijpen, aanpakken; To — a plot against = samenspannen; To — siege to = het beleg slaan voor; To — the table = dekken; To — a wager = een weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven; They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den gek te houden; To — waste = verwoesten; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met; To — aside = ter zij leggen, opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To — by = ter zij leggen, bewaren; I would — down my life for him = zou willen geven; To — down the law to = de wet stellen; To — down a plan = opmaken; To — down reasons = aanvoeren; To — down as a rule = vaststellen; To — down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel zetten; To — in = verzamelen, vergaren; — on = sla toe; To — on gas, water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To — on dogs = op ’t spoor brengen; To — the blame on = de schuld geven; You — it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To — out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To — to heart = ter harte nemen; I hope you will — it to old age = toeschrijven aan; To — under water = onder water zetten; To — a person under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed met; To — up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); —er, lêə, laag, bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; — verb. stekken; gaan liggen; —er-out = lijkbezorger, aflegger; —er-up = verzamelaar; —ing = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past —ing = die niet meer legt; The —ing on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.

Layard, leiəd.

Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip, quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus, lazərɐs.

Laze, leiz, lummelen.

Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A — morning = morgen om niets te doen; He is a —-body (-bones, -boots) = luiwammes; —-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.

Lazzaroni, lazərouni.

Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.

Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; — verb. uitloogen; —-tub = loogvat.

Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe (zegellood), peillood, potlood; adj. looden; — verb. met lood bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White — = loodwit; My room is under the —s = het met lood bedekte dak; A widely —ed volume = boek met veel wit op de bladzijden; —-ash(es) = loodasch; —-colic = loodkoliek; —-foil = bladtin; —-glance = loodglans; —-line = loodlijn; —-pencil = potlood; —-poisoning = loodvergiftiging; —sman = matroos die het peillood ophaalt; —works = loodhut; —ed = in lood gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); —en = van lood, loodkleurig, loom, dom, dof: —en pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.

Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol; — verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben, aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that statesman’s — = hem niet als leider volgen; He is now playing — at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the — = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He —s them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven bij hem; Will you — the way? = voorop gaan? To — along = (voort)leiden; To — astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To — away = wegleiden; The manager will — off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He —s off with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot; —er, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the —er’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard; —er-writer = schrijver van hoofdartikels; —erette, klein hoofdartikel; —ership; —ing article = hoofdartikel; —ing counsel = voornaamste advocaat in een proces; —ing fashion = heerschende mode; —ing lady = de actrice voor hoofdrollen; —ing part = hoofdrol; —ing question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s —ing-strings = loopt aan den leiband van; He is in —ing-strings = is de marionet van anderen; —ing word = slagwoord; Men of —ing = toonaangevers, leiders.

Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; — verb. bladeren krijgen: The fall of the — = de herfst; To burst into — = bladeren krijgen; He took a — out of my book = hij heeft mij nagevolgd; Don’t turn down the — = maak geen ezelsooren; You will have to turn over a new — = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten beteren; The examples were given over— = op de andere pagina; —-bridge = soort van ophaalbrug; —-bud = bladknop; —-fall = het vallen der bladeren; —-gold = bladgoud; —-green = bladgroen; —-lard = bladreuzel van varkens niervet; —-louse = bladluis; —-metal = klatergoud; —-mould = verrotte bladeren als mest; —-silver = bladzilver; —-table = klaptafel; —age = loof; —ed = bebladerd; —iness; —less = bladerloos; subst. —lessness; —let = klein blad, tractaatje, blaadje; —y = bebladerd.

League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; — verb. zich verbinden, een verbond aangaan; —r = bondgenoot; legerplaats, belegering; — verb. belegeren.

Leak, lîk, subst. lek; — verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a — = een lek krijgen; Nothing has —ed out yet = er is nog niets uitgelekt; —age = lekkage, verlies, vermindering; —iness = lek zijn; —y = lek; praatziek, babbelzuchtig.

Leal, lîl, trouw, loyaal.

Leamington, lemiŋt’n.

Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst. mager vleesch; —-faced = met mager gezicht; —-witted = flauw, afgezaagd; —ness = magerheid.

Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst. schuine stand: On the — = scheef; All his faults — to the side of virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; —ing = scheef; subst. overhelling, neiging; —-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A —-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen, aanbouw.

Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; — verb. springen, springen over, opspringen, dekken, laten springen: A — in the dark = sprong in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by —s and bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He —s the most difficult passages = springt heen over; Can you — this wall = over dien muur springen? He —ed in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is ready to — into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m ready to — out of my skin = dat is om uit je vel te springen; —-frog = haasjeover; springkikker; —-year = schrikkeljaar; —er = springer, springpaard; —ing-pole = polsstok.

Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.

Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will — it by heart = van buiten leeren; He would not — by the lessons of experience = niet van de ondervinding leeren; He is —ed in that matter = knap in; He will never — wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may — a wise man wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; —ed = geleerd, ervaren; —er = leerling, scholier, beginneling; —ing = geleerdheid, wetenschap.

Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.

Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst. verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-, of huurtijd, duur; — verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building —s = bouwpachtrechten; His — of life = levensduur; We hold this house on a twenty years’ — = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out on) — = verhuren, verpachten; To take on — = huren, pachten; You have taken a new — of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); —hold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; —holder = pachter.

Lease, lîz, weide, meente; — verb. lezen (van aren).

Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; — verb. aan een koppel leiden, koppelen.

Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At — = ten minste; At (the) — = op zijn minst; Not in the — = hoegenaamd niet; — of all = in ’t allerminst; — said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter; —ways (wise) = minstens, ten minste.

Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.

Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; — verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like — = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-— = spoorslags; To lose the — = zich doorrijden of loopen; —s = leeren broek (slobkousen); She may — away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The drum was —ing away to his heart’s content = sloeg er naar hartelust op los; —-apron = schootsvel; —-belt = drijfriem; —-coat = goudrenet; —-dresser = leerbereider; —-merchant = leerkoopman; —ette = imitatieleer; —n = lederen, taai; —y = leerachtig, taai: —y toast.

Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; — verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your — = met uw verlof; To ask — = verlof vragen; I beg — to inform you = heb de eer u te berichten; To give — = verlof geven; I have my — for the evening = den heelen avond vrij; To take French — = met de Noorderzon vertrekken; You may accept my offer or — it = aannemen of afslaan; He left here to-day = vertrok van hier; They left the fortress on their left side = lieten liggen; It (He) was left to look after it (himself) = aan zich zelf overgelaten; There are three bottles left = over; They left the Boers alone = bemoeiden zich niet met; — well alone = het betere is de vijand van het goede; — him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen; — go my hand = laat los; This blow made him — go of me = maakte, dat hij mij los liet; To — open = onbeslist laten; To — about = laten slingeren; Will you — off teasing him = uitscheiden hem te plagen; They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet langer; She left off her weeds = ging uit den rouw; Left on hand = overgebleven; They tried to — me out = mij te negeeren, er buiten te laten, enz.; To — over = overlaten; —-taking = het afscheidnemen; Leaving: —s = overblijfsel, afval, droesem; —-age = leeftijd waarop de kinderen de school verlaten; —-certificate = einddiploma; —-shop = stille lommerd.

Leaved, lîvd, bebladerd, met bladen of vleugels.

Leaven, lev’n, subst. zuurdeeg, zuurdeesem (ook fig.); — verb. doen rijzen; be-invloeden, besmetten: To purge out the old —.

Lebanon, lebənən.

Lecher, letšə, lichtmis; — verb. hoereeren; —ous = wellustig; —y = wellust, ontucht.

Lectern, lektən, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar.

Lection, lekš’n, voorgelezen kapittel; lezing; —ary = verzameling v. stukken uit de H. S. om in de godsdienstoef. te lezen.

Lector, lektə, lector, voorlezer; —ship.

Lecture, lektjə, subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping; — verb. college geven, eene lezing houden, de les lezen, onderhanden nemen: To deliver (To give) a — = een lezing houden; —r = lector, docent, hulpprediker: A University —r in history; —ship; Lecturess = lectrice.

Led, led, imperf. en part. perf. van to lead; — captain = klaplooper; —-horse = pakpaard.

Ledge, ledž, plank, richel, rug, laag, rand, uitstekende kant.

Ledger, ledžə, grootboek; dorpel, dwarsbalk; —-bait = vastliggend aas; —-line = hulplijn (muziek).

Lee, lî, lijzijde, luwe zijde: Under the — = onder de lij; —-board = zwaard (scheepst.); The ship carries —-helm = is lijgierig; —-lurch = hevig rollen naar lij bij hooge zee; —-shore = de kust aan lijzijde; —-side = lijzijde; —-tide = getij naar lijzijde; —-way: To make —-way = vallen (scheepst.); To make up for —-way = het verzuimde inhalen; —ward = lijwaarts, naar lij: —ward Islands = de kleine Antillen.

Leech, lîtš, subst. bloedzuiger, dokter; lijk (v. een zeil); — verb. bloedzuigers aanleggen, genezen; —craft = geneeskunde.

Lee-Enfield, lî-enfîld, het Eng. inf. geweer.

Leek, lîk, knoflook, prei: He had to eat (the) — = hij moest zijne beleedigende woorden terugnemen.

Leer, lîə, subst. jaloersche, verliefde of booze blik; — verb. schuin, jaloersch, verliefd of boos kijken, gluren, lokken; —y = geslepen.

Lees, lîz, droesem, grondsop.

Leetle, lît’l = Little.

Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: —-off = afgedragen.

Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het House of Commons); ook adj.: On the — = links; To the — = naar links; — about! = linksom! Nobody can put in her — more neatly than she = niemand kan fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is; Each gentleman pointed with his right thumb over his — shoulder; this action is called “over the —”, and expresses light and playful sarcasm; —-hand = linkerzijde; —-handed = linker, linksch, boosaardig; —-handed marriage = morganatisch huwelijk; subst. —-handedness; —-hander = linksch persoon; vuistslag of worp met de linkerhand; onverwachte slag.

Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot; gauwdief; — verb. beenen maken (it); He is on his last —s = hij loopt op zijne laatste beenen, is aan den rand des ondergangs; Such a man generally falls on his —s = komt altijd “op zijne pootjes terecht”; To get on one’s —s = opstaan; To get on one’s hind —s = op zijn achterste pooten gaan staan (ook fig.); To give a — (up) = helpen, een zetje geven; To give (free play to one’s) —s = zich uit de voeten maken; A man’s memory goes before his —s = men verliest zijn geheugen sneller dan het gebruik zijner beenen; The ball has not —s enough = geene kracht genoeg (bilj.); He has not a — to stand on = hij kan zich niet verontschuldigen; To kick up one’s —s = een kuitenflikker slaan, kromme sprongen maken; He put his best — foremost = zette zijn beste beentje vóór; At that expression the minister sprang to his —s, and made a sarcastic speech; he was on his —s for more than an hour = sprong op - - en sprak; He stands on his own —s = op eigen beenen; We were literally taken off our —s by the blast = feitelijk opgetild door den storm; To give —-bail = zich uit de voeten maken; —-rest = bankje; —ged: Man is a two —ged animal = tweevoetig dier; —ging = beenbekleeding, slobkous, meest; —gings; —gy = langbeenig: —gy days = de tijd der balletten; —less.

Legacy, legəsi, legaat, erfmaking; —-duty = successierecht; —-hunter = erfenisjager.