Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 24

Chapter 242,743 wordsPublic domain

Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen; —er, kondə, de persoon, die zulks doet.

Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were —ed = verbeurd verklaard; —ed cells, —ed sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; —ed dwelling = onbewoonbaar verklaarde; —able, k’ndemnəb’l, verwerpelijk, strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring; Condemnatory = veroordeelend, etc.

Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable, k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie, bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.

Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich vernederen: He did not — to answer (on an answer) = verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend; Condescension: His — struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.

Condign, k’ndain, verdiend: — punishment.

Condiment, kondiment, kruiderij.

Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.

Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; — verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a — to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren; Our horses take months to — in South Africa = om aan ’t klimaat te gewennen; She felt herself growing quiet and —ed again = gezond, flink; —al, subst. voorwaardelijke wijs, beperking; adj. voorwaardelijk; —ality = ’t afhankelijk zijn.

Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie...; Condole, k’ndoul, medetreuren, betreuren: He —d his own misery = hij had medelijden met zichzelf; I — with you on the loss you have suffered = ik condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of —; —r = hij die condoleert.

Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd zien; Condone, k’ndoun, vergeven.

Condor, kondö, Z.-Amer. gier.

Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.

Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive, dienstbaar, strekkend tot: May your measures be — to that noble end! = mogen .... dienstbaar zijn aan ... doel; subst. Conduciveness.

Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe — = vrijgeleide; —-roll = conduitelijst (van ambtenaren en officieren).

Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who —s your correspondence? = voert; —ed: A well —ed boy = fatsoenlijke; Conductibility = geleidbaarheid; Conductible = geleidend; —ing wire = geleiddraad; —ion = geleiding; —ive = geleidend; Conductivity = Conductibility; —or = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider; —-money = reisgeld voor getuigen; —ress = geleidster.

Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; —-pipe = buis.

Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; — verb. (kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.

Condyl(e), kondil, knokkel.

Cone, koun, kegel, denappel: — of sugar = suikerbrood; —-shaped = kegelvormig.

Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek; Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.

Confect, konfekt, bonbon.

Confect, k’nfekt, inmaken, maken; —ion, subst. suikergoed, het maken daarvan; confectie (kleeren); — verb. suikergoed maken; kleederen maken: She is kind enough to —ion for the poor; —ioner = suikerbakker; —ionery = suikerbakkerij; suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).

Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen; Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; — verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).

Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen, vergelijken; —ee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.); —ence, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling, overdracht, verleening; —rable = overdraagbaar; —rer.

Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The priest —ed him = nam hem de biecht af; I — to a weakness in his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood —ed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; A —ed culprit = erkend; —edly = openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg — of faith = geloofsbelijdenis; She went to — = ging biechten; —ional = confessioneel; subst. biechtstoel; —ionary, adj. biecht..; —or = biechtvader, belijder.

Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.

Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will — my experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke mededeeling: To have (place, put) — in; I took him into —; — men = soort kwartjesvinders, die de — trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of — zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven; Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am —nt that it is true = overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim: —ntial clerk = procuratiehouder; —ntial position = post van vertrouwen.

Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure, kənfig(j)ə, groepeeren.

Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain, subst. grens, rand, uiterste.

Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is —d to his bed = hij moet het bed houden; To be —d (of) = bevallen (van); —dness, begrensdheid; —ment = opsluiting; bevalling: Solitary — = eenzame opsluiting.

Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat aannemen, vormen: He is a —ed bachelor = verstokte oude vrijer; —ation = bevestiging; H. vormsel: —ation classes = catechisaties; —ative = —atory = bevestigend, bekrachtigend.

Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit, kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); — verb. verbeuren, verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator = verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.

Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.

Confix, kənfiks, goed bevestigen.

Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.

Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.

Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met (with); —ing = tegenstrijdig.

Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.

Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; — verb. van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen; zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must — yourself to our customs = u schikken naar; —able = overeenkomstig, meegaand: That is not — to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; —ist = lid van de Anglikaansche kerk; —ity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglik. kerk): In —ity with; They acted in —ity = dienovereenkomstig.

Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen, bedremmelen, beschaamd maken: — it! = wat drommel; —ed = verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.

Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.

Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden, confronteeren: I have —ed them together = hen tegenover elkander geplaatst; I —ed him with his guilt = hield hem zijne schuld voor; subst. Confrontation.

Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.

Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staan, verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie, onduidelijkheid, ondergang: —! = verduiveld! It was — worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.

Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging; Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.

Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; —able = bevriesbaar; —ment = Congelation.

Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie Conjee.

Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.

Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant, gelijksoortig = —ous, k’nženərɐs.

Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend, sympathiek; subst. Congeniality.

Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.

Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); —-eel = (In Calif.) een soort lamprei.

Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.

Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); —ion = ophooping (van bloed), congestie: — of the brain.

Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj. bolrond; subst. conglomeraat; — verb. tot een bal of bol verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.

Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst. Conglutination.

Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.

Congou, koŋgû, zwarte thee.

Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on): Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher; Congratulatory = felicitatie - -: — letters.

Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier gemeenten.

Congress, koŋgres, vergadering, congres; —-man = lid van het congres (Amer.); Congressional, Congres - -.

Congreve, koŋgrîv: — impression = Congrevische druk; — match = lucifer; — rocket = Congrevische vuurpijl.

Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti, overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous (to, with) = overeenstemmend, samenpassend.

Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = —-section = kegelsnede; —s = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.); subst. Conicalness = kegelvorm.

Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige vrucht dragend: — tree = Conifer.

Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə, subst. gissing, onderstelling, conjectuur; — verb. gissen.

Conjee, kondžî, rijstwater.

Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, —ed with his silence = in verband met zijn stilzwijgen; —t = vereenigd, mede - -; subst. Conjointness.

Conjugal, kondžug’l, echtelijk; — knot = huwelijksband.

Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; — verb. (kondžugeit), vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational: — system.

Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; —ion = vereeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; —ive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings ...; —ly = vereenigd, gezamenlijk; —ure, k’ndžɐŋktjə, vereeniging, samenloop (van omstandigheden), crisis: —ion (—ure) of circumstances.

Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.

Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.

Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To — up = bezweren, oproepen; You are no —r = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden; I have not got a —r’s cap = ik ben (daarin) geen heksenmeester; —r = goochelaar; Conjuring-trick = goocheltoer.

Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.

Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).

Connaught, konôt.

Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in verbinding staan: In a —ed form = vereenigd, saamgevoegd; —ed by marriage = geparenteerd; To be aristocratically —ed = van aristocratische familie zijn; —ing-rod = drijf-, koppelstang; —ion, kənekš’n, verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this —ion = in verband hiermede; I bought a —ion in that part of London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens patienten) over; —ions = handelsbetrekkingen; —ive = verbindingswoord; adj.: — tissue = bindweefsel.

Connecticut, kənetikɐt.

Connexion, kənekš’n = Connection.

Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive, kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); —r = hij, die toelaat.

Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; —ship = —schap.

Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote, kənout, tegelijk beteekenen.

Connubial, kənjûbj’l, huwelijks..., gehuwd: — bliss = huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities = echtelijke liefkoozingen.

Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.

Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; —able = overwinnelijk; —or: The —or = Willem de Veroveraar; Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.

Conrad, konrad; Conrade, konreid.

Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity = bloedverwantschap.

Conscience, konš’ns, geweten: In — = redelijkerwijs; In all — = voorzeker; — clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools; —-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert; zielverzorger; — money = vrijwillig gezonden bedrag als men te weinig belasting heeft betaald; —-proof = verhard; —-smitten (—-stricken) = gekweld door; Conscientious, konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. —ness; Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust, gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not — of any guilt = ik ben mij niet bewust van; subst. —ness.

Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: — fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; —ion = verplichte krijgsdienst.

Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; — verb. konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration = wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend, wijdend.

Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; —ness = ’t op elkaar volgen.

Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst, -stemming, sympathie.

Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; — verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives — = die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common — = éénstemmig; The age of — = 14 jar. leeftijd in Engel.; —aneity, konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; —aneous, konsenteinjəs, overeenstemmend, gelijktijdig; subst. —aneousness; —ient, k’nsenšiənt, eenstemmig.

Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) — of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no — = van geen belang; He gave a bottle to keep up his — = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of — = van invloed; To play —s = protocollen maken; Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential = consequent, gewichtig doende.

Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of — = College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.

Conservation, konsəveiš’n, behoud: — of force, energy = behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative = subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.

Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.

Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator; Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.

Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.); adj. conserveerend, conservatief.

Conserve, konsɐ̂v, conserf.

Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; —r = inmaker.

Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: — the end = let op; He put on his —ing-cap = hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst. —ness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig; subst. —ness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging, aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding, premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a — = voor iets meer dan den kostenden prijs; In — of = ter vergoeding van, met het oog op; Out of — for your interests = met het oog op; That is a — to me = een heele som voor mij; He extended his — to me = behandelde mij met consideratie; To take into — = in aanmerking nemen; Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking nemende, lettende op, wat betreft.

Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren, toewijzen, onderwerpen: —ed to happiness, to fetters = gewijd aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement, deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde, geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter = Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie; geconsigneerde artikelen.

Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: Happiness —s in contentment = het geluk is gegrond in de tevredenheid; What does it — of? = waaruit bestaat het? Such things cannot — together = zijn niet met elkander bestaanbaar; —ence = samenstelling, dichtheid; —ency = overeenstemming, volharding, consequentie: His idol was —ency = consequentie; —ent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.

Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie, kerkeraad.

Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console; Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost...

Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope she will be —d = dat zij zich zal schikken in haar lot; —r = trooster.

Console, konsoul, console; —-table = consoletafeltje.

Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen, samentrekken, consolideeren; —d fund = de gezamenlijke staatsinkomsten van Engeland en Ierland; —d Stocks = Consols = werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden, combinatie.

Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld).

Consonance, —cy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie; Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend; Consonantal = medeklinker...

Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince — = Prins Gemaal.

Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij, vergezellen, escorteeren.

Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.

Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: To be — by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He made (rendered) himself — = maakte, dat de aandacht op hem viel; subst. —ness.

Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə, samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.

Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County — = veldwachter; He has been outrunning the — = heeft te groot geleefd; —ship = ambt van - -; Constabulary, k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. politie - -: — force.

Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.

Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant = onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.

Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain, konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l, Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.

Constellate, konstəleit, kənsteleit: The —d sky = de met sterren bezaaide lucht; To be —d = door zijn geboortester voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.

Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n, ontsteltenis.

Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.

Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend, samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: — body = kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken, machtigen, benoemen: The —d authorities = gestelde, wettige machten; We —d ourselves the champion of the coloured races = wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling, aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds - -; constitutioneel; subst. wandeling: — government = grondwettelijke regeering; He went for a — every day = maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent: — power = wetgevende macht.

Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; —able = bedwingbaar; —ed = gedwongen: — demeanour = gedwongen houding; —t = dwang, beperking, verlegenheid.

Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. —ion; —or = sluitspier: Boa —or = reuzenslang.

Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.

Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren, verklaren; —ion = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What —ion shall I put upon your words? = welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of —ion = in aanbouw; —ive = vormend, opbouwend; afgeleid, aangenomen: —ive contempt (trust) = aangenomen smaad (vertrouwen); —or = bouwer, maker.

Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen, prepareeren.

Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de gewoonte geijkt.

Consul, kons’l, consul; —ar, konšulə, consulair; —ate = consulaat = —ship.

Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They —ed together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation = beraadslaging, consult: Writ of — = verwijzing weer naar het eerste gerechtshof; —ative = raadplegend; —ing-room = spreekkamer (van een dokter).

Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm, vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten: —dly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.

Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: — verb. kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: — scoundrel = doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood; huwelijksgemeenschap.

Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering; consumptie: To be (go) in (into) a — = de tering hebben (krijgen); Far gone in —; Consumptive, teringachtig, tering - -; teringlijder.

Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in — with the law; Angle of — = hoek, gevormd door een kromme lijn en de tangens daarvan; Point of — = raakpunt.

Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious = besmettelijk, giftig: The — Diseases Acts = Wetten op Besmettelijke Ziekten; subst. —ness; Contagium = smetstof.

Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden: We —ed the enemy until nightfall; I could not — my laughter = inhouden, bedwingen; —able = te bevatten; —er = vat, bak.

Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: — verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven: —d fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative = besmettend.

Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het tegengestelde van Backwardation); —-day = afrekeningsdag.

Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.

Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation = beschouwing, nadenken, droomerij: This is in — = overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst. —ness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.