Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 130

Chapter 1302,919 wordsPublic domain

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a — about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a — = door den neus spreken; The —ing of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A —ing sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.

’Twas, twoz, samentr. van It was.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); — verb. knijpen: To — a person by the nose, To — a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather — = bruine —.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between —dum and —dee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = —r-case; A pair of —rs = haartangetje.

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; —-cake = driekoningengebak; —-day (—-tide) = Driekoningen; —-night = de avond van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The — = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writers strike — all at once = verschieten hun kruid al dadelijk; —month = een jaar: In a —month, A —month hence, By this time —month, This day —month = over een jaar, in een jaar; —pence = een shilling; —penny = van twaalf stuiver waarde; —score = 240, afstand van 240 yards, boogschotsafstand.

Twentieth, twentiəth, subst. en adj. (het) twintigste; Twenty, twenti, twintig.

Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl, hellebaard.

Twice, twais, tweemaal; —-told = tweemaal verteld, welbekend.

Twiddle, twid’l, langzaam ronddraaien; zich snel omdraaien, glinsteren, spelen met: To — one’s thumbs = duimpje draaien, de handen in den schoot leggen.

Twig, twig, subst. takje, wichelroede; — verb. opletten, gadeslaan, “snappen”: Just as the — is bent, the tree is inclined = jong gewend, oud gedaan; In prime — = naar de nieuwste mode; I —ged you there = daar had ik je, snapte ik je; Twiggy = vol takjes.

Twilight, twailait, subst. schemering, flauw idee; adj. schemerend, onduidelijk.

Twill, twil, subst. keper; — verb. keperen.

Twin, twin, subst. tweeling: adj. tweeling—, dubbel, gepaard; — verb. paren, gepaard zijn, tweelingen werpen: The —s = Tweelingen (sterrenbeeld); —-born = tegelijk geboren; —-brother = tweelingbroeder; —-sister = tweelingzuster.

Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omarming, twijn, getwijnd garen, touw; — verb. draaien, twijnen, omarmen, samenweven, kronkelen, zich slingeren: The ivy —d about the old tree = slingerde zich.

Twinge, twinž, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging; — verb. knijpen, nijpen, steken, pijn doen: She felt —s of conscience for treachery = had gewetensknaging over haar verraad; A — of the gout, jealousy = aanval; My side —s = ik heb steken in de zijde.

Twinkle, twiŋk’l, subst. schittering, flikkering, fonkeling, oogenblikje; — verb. fonkelen, schitteren, flikkeren: In a — = the twinkling of an eye = in een oogwenk.

Twinter, twintə, koe of schaap van 2 jaar, twenter.

Twirl, twɐ̂l, subst. snelle draai, pirouette; — verb. snel (doen) ronddraaien: To give a thing a — = laten draaien; I —ed the teetotum = zette het A-al-tolletje; To — one’s thumbs = duimpje draaien; She —ed in a polka = danste de polka.

Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), vlecht, spuuglok, koord, tabak in rollen gedraaid, verrekking, verwikkeling; mengsel van brandewijn en jenever; — verb. draaien, vlechten, twijnen, (zich) wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: I can — him round my (little) finger = hem om mijn vinger winden; To — up one’s mustachios = opdraaien; A —ed note = knijpbriefje; Twister = verdraaiing, moeielijk vraagstuk, leugen; wervelwind (Amer.), met een draai weggeslingerde bal (cricket): He can spin a — = liegen of het gedrukt staat; Twisty = vol kronkels en bochten; A —-twirly imp = een verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter.

Twit, twit, plagen, verwijten, honen: I —ted him with his superhuman patience = ik verweet hem.

Twitch, twitš, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking (= Convulsive —); — verb. rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben.

Twite, twait, ringmusch, boommusch.

Twitter, twitə, subst. gekweel, gesjilp, gepiep, trilling, zenuwachtigheid, schrik; — verb. kweelen, sjilpen, trillen van begeerte: To be (all) in (of) a — = beven van angst.

Twittle-twattle, twit’ltwot’l, gewauwel.

’Twixt, twikst, samentr. van Betwixt: A mere — and between = tusschending.

Two, tû, twee(tal): I will make him do so in — —s = “één, twee, drie”; I could smash him like — —s = kon hem te pletter slaan; To bite, cut, tear in — = in tweeën; He will always put — and — together = zijne gewoonte is te vergelijken, alles in aanmerking te nemen; A —-edged sword = tweesnijdend; —-faced = met twee gezichten, bedriegelijk, onoprecht; —fold = tweevoudig, dubbel; A —-foot ruler = liniaal van twee voet; —-handed = met twee handen (te hanteeren); We made a —-hour stop at the hotel = rustten twee uur; —-masted; —-pair = twee trappen hoog: A —-pair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog; —pence, tɐp’ns, dubbeltje: He is not good for —pence = geen lor waard; Not to care —pence for = geen lor geven om; —penny, tɐpəni, van twee stuiver waarde, gering: —penny tube = electr. ondergrond. Londensche spoorweg; —penny-half penny, tɐp’ni-heip’ni, van geringe waarde, onbeteekenend; —tails = olifant.

Tybalt, tibəlt; Tyburn, taibən, vroegere gerechtsplaats (Londen); —-tree = galg.

Tyke, taik, hond; bewoner van Yorkshire.

Tyler, tailə, Zie Tiler.

Tymbal, timb’l, bekken, keteltrom.

Tympan, timp’n, tympaan (boekdrukk.); trom; —ic, timpanik, trommel - -; Tympanites, timpənaitîz, trommelzucht; Tympanum, timpənɐm, trommelvlies, gevelnis; Tympany = trommelzucht; opgeblazenheid.

Tyndale, Tyndall, tind’l; Tynemouth, tinməth, tainməth.

Type, taip, subst. type, zinnebeeld, voorbeeld, stempel, kenteeken, letter, schrift; — verb. schrijven met een —-writer: The first sheet is in — now = is nu gezet; Bold, Crowded — = groote, compresse druk; —-founder = lettergieter; —-foundry = lettergieterij; —-metal = letterspecie; —-setter = letterzetter, zetmachine; To —-write = schrijven met een —-writer = schrijfmachine (ook wie daarmede schrijft); —-written = met een —-writer geschreven; —-work = het gedrukte.

Typhoid, taifôid, typheus; subst. typhus (gewoonlijk Enteric fever).

Typhoon, taifûn, typhoon.

Typhous, taifəs, typheus; Typhus, taifəs, typhus.

Typical, tipik’l, typisch, zinnebeeldig, tot voorbeeld of type dienend: — fever = geregeld verloopende koorts; subst. —ness; Typify, tipifai, door een type of model voorstellen; Typist, taipist, wie met een —-writer werkt of schrijft; Typo, taipou, verk. van Typographer, taipogrəfə, drukker, zetter; adj. Typographical, t(a)ipəgrafik’l; Typography, taipogrəfi, drukkunst.

Tyrannical, tairanik’l, tyranniek, wreed; subst. —ness; Tyrannicide, tairanisaid, tirannenmoord of -moordenaar; Tyrannize, tirənaiz, tyranniseeren; Tyrannous = tiranniek, willekeurig, onderdrukkend; Tyranny, tirəni, tirannie, dwingelandij, wreedheid; Tyrant, tair’nt, tiran.

Tyre, taiə, Tyrus; wielband (Zie Tire); Tyrian, tiriən, (bewoner) v. Tyrus.

Tyro, tairou, beginner, nieuweling.

Tyrol (The), dhətir’l (tiroul); Tirol; —ese, tirəlîz, tirəlîz, tirəlîs, (bewoner) v. Tyrol; —ienne, tirouljen, tiroolsch lied (dans); Tyrone, tiroun; Tyrrhenian, tirîniən: — Sea; Tyris, tairəs; Tyrwhitt, tirət.

Tythe, taidh; Zie Tithe.

Tzar, zâ, tsâ, tzaar. Zie Tsar.

U.

U, jû; U(rbis) C(onditae) = van af de stichting der stad Rome; U(pper) C(anada); U(ta)h; U(triusque) J(uris) D(octor) = doctor in de beide rechten; U(nited) K(ingdom); Ult(imo) = laatste, van de laatste maand; Unit(arian); Univ(ersity); Unm(arried); Up(per); U(nited) S(tates) = U(ncle) S(am); U(t) S(upra) = als boven; U(nited) S(tates of) A(merica); U(nited) S(tates) A(rmy) of N(avy); Usu(al); U(tah) T(erritory).

Ubiquitary, jubikwitəri = Ubiquitous, jubikwitɐs, alomtegenwoordig, overal tegelijk zijnde; Ubiquity = alomtegenwoordigheid.

’Ud, ud = would.

Udal, jûd’l, allodiaal; subst. allodium (op de Orkney en Shetland eilanden); —ler, —man = bezitter van een allodium.

Udder, ɐdə, uier; —ed = met uier(s).

Udometer, judomətə, regenmeter.

Ugh, u, bah!

Ugliness, ɐglinəs, subst. v. Ugly, ɐgli, leelijk, wanstaltig, terugstootend; gevaarlijk; verdrietig (Amer.): As — as sin = zoo leelijk als de nacht.

Uhlan, (j)ûl’n, Ulaan.

Uist, wist.

Ukase, jûkeis, ukase.

Ukraine, jûkrein, ûkrein.

Ulcer, ɐlsə, zweer, gezwel; —ate = zweren: His heart was —ated with hatred = hij droeg een ingekankerden haat in zijn hart; —ation, zweer, verzwering; —ative, —atory = zwerend; —ous = als eene zweer; subst. —ousness.

Ule, jûlə, caoutchoucboom = —-tree.

Ullage, ɐlidž, lekkage: —s = restanten wijn bij een diner.

Ulla-lulla, ɐlə-lɐlə, lijkklacht.

Ulmaceous, ɐlmeišəs, olmachtig; Ulmus, ɐlməs, olm.

Ulna, ɐlnə, ellepijp; adj. —r.

Ulric, ɐlrik; Ulrica, ɐlraikə.

Ulster, ɐlstə, lange getailleerde overjas.

Ulterior, ɐltîriə, verder(af gelegen), aan de andere zijde.

Ultimate, ɐltimit, verste, laagste, uiterste, achterste, slot - -, grond - -; Ultimatum, ɐltimeit’m, ultimatum; Ultimo, ɐltimou, van de laatste maand; Ultimogeniture, ɐltimədženitjə, erfopvolgingsrecht van den jongsten zoon of broeder.

Ultra, ɐltrə, uiterst, buitensporig; subst. ultra, radicaal; —marine, ɐltrəmərîn, ɐltrəmərîn, subst. ultramarijn; adj. ultramarin, overzeesch; —montane, ɐltrəmontein, subst. ultramontaan; adj. aan de andere zijde der bergen gelegen: —montane party; —montanism, ɐltrəmontənizm, ultramontanisme; —montanist.

Ululate, ɐljuleit, ûluleit, huilen, krassen; Ululation, gehuil, gekras, weeklacht.

Ulysses, jûlisîz; adj. Ulyssean.

Umbel, ɐmb’l, scherm; —late(d), ɐmbəlit(—eitid) schermbloemig, schermdragend = —liferous, ɐmbəlifərɐs; Umbellule, ɐmbeljûl, klein scherm.

Umber, ɐmbə, subst. vlagzalm; omber (verfstof); adj. bruin, donker; — verb. met umber verven, donker verven: Burnt — = gebrande; Raw — = ongebrande.

Umbilic(al), ɐmbilik(’l), navel - -: —al cord = navelstreng; —al region = navelstreek; Umbilicate(d) = navelvormig; Umbilicus, ɐmbilaikəs, navel, navelkruid.

Umbles, ɐmb’lz, ingewand van een hert.

Umbo, ɐmbou (Meerv. —nes, ɐmbounîz), knop van een schild, bult; adj. —nal.

Umbra, ɐmbrə, kernschaduw, ombervisch.

Umbrage, ɐmbridž, schaduw, lommer; verdenking, aanstoot: He gave — to the more advanced = ergerde; I am sorry you have taken — at my words = dat gij u geërgerd hebt; Umbrageous, ɐmbreidžəs, schaduwrijk, lommerrijk; subst. —ness.

Umbre, ɐmbə = Umber.

Umbrella, ɐmbrelə, paraplu: To open (To put up), To shut an —; —-case = foudraal; —-maker; —-runner = schuifring; —-stand = paraplustander; —-stick.

Umbria, ɐmbriə, Umbrië.

Umph, ɐmp, interj. H’m!

Umpire, ɐmpaiə, subst. scheidsrechter; — verb. als scheidsrechter optreden; —ship.

’Un, ɐn = one.

Un = on, niet, etc. in samenstellingen. Zie In.

Unabashed, ɐnəbašt, schaamteloos, onbeschaamd.

Unabated, ɐnəbeitid, onverminderd, onverzwakt, onverflauwd.

Unabbreviated, ɐnəbrîvjeitid, onverkort.

Unable, ɐneib’l, onbekwaam, niet in staat; subst. —ness.

Unabolished, ɐnəbolišt, niet afgeschaft, nog van kracht.

Unabridged, ɐnəbridžd, onverkort.

Unabrogated, ɐnabrəgeitid, niet afgeschaft.

Unabsorbable, ɐnəbsöbəb’l, niet absorbeerbaar.

Unacceptable, ɐnəkseptəb’l, onaangenaam, onaannemelijk, niet welkom; subst. —ness.

Unaccommodating, ɐnəkomədeitiŋ, niet inschikkelijk, onbuigzaam.

Unaccompanied, ɐnəkɐmpənid, niet vergezeld, zonder begeleiding.

Unaccomplished, ɐnəkomplišt, onvoltooid, onvolvoerd.

Unaccountability, ɐnəkauntəbiliti, subst. v. Unaccountable, ɐnəkauntəb’l, onverklaarbaar, onverantwoordelijk; subst. —ness; Six of the lost are unaccounted for yet = zijn nog niet terecht gebracht.

Unaccustomed, ɐnəkɐst’md, ongewoon, ongebruikelijk, ongewend (to).

Unachievable, ɐnətšîvəb’l, onuitvoerbaar, onbereikbaar; Unachieved = onuitgevoerd, onvoltooid.

Unacknowledged, ɐnəknolidžd, niet erkend.

Unacquainted, ɐnəkweintid, onbekend (with); subst. —ness.

Unacquired, ɐnəkwaiəd, onverkregen.

Unacquitted, ɐnəkwitid, niet vrijgesproken; niet betaald.

Unactable, ɐnaktəb’l, niet opvoerbaar; Unacted, ɐnaktid, onopgevoerd, ongevoelig voor (by).

Unactuated, ɐnaktjueitid, niet bewerkt of geïnfluenceerd, levenloos: — by such opinions.

Unadapted, ɐnədaptid, ongeschikt; subst. —ness.

Unaddicted, ɐnədiktid, niet overgegeven of verslaafd (to).

Unadjusted, ɐnədžɐstid, niet uitgemaakt of beslist.

Unadorned, ɐnədönd, onversierd.

Unadulterate(d), ɐnədɐltərit (—eitid), onvervalscht, zuiver, echt.

Unadvised, ɐnədvaizd, onverstandig, onvoorzichtig; subst. —ness.

Unaffected, ɐnəfektid, natuurlijk, ongedwongen, ongekunsteld; subst. —ness.

Unaided, ɐneidid, zonder hulp, bloot (oog).

Unallowable, ɐnəlauəb’l, ongeoorloofd, niet toelaatbaar.

Unalloyed, ɐnəlôid, onvermengd, zuiver.

Unalterable, ɐnôltərəb’l, onveranderlijk, onbuigzaam, onverwrikbaar; subst. —ness; Unaltered = onveranderd.

Unambiguous, ɐnəmbigjuəs, niet dubbelzinnig, klaar, helder; subst. —ness.

Unambitious, ɐnəmbišəs, niet eerzuchtig, bescheiden; subst. —ness.

Unamenable, ɐnəmînəb’l, niet verantwoordelijk, onhandelbaar.

Unamended, ɐnəmendid, niet verbeterd.

Unamiable, ɐneimjəb’l, onvriendelijk, onbeminnelijk; subst. —ness.

Unamused, ɐnəmjûzd, niet vermaakt; Unamusing = niet vermakelijk.

Unanimated, ɐnanimeitid, onbezield, vervelend.

Unanimity, jûnənimiti, eenstemmigheid; Unanimous, jûnanimɐs, eenstemmig: With — consent; subst. —ness.

Unanointed, ɐnənôintid, niet gezalfd.

Unanswerability, ɐnânsərəbiliti, subst. v. Unanswerable, ɐnânsərəb’l, onweerlegbaar; subst. —ness; Unanswered, ɐnânsəd, onbeantwoord, niet wederlegd.

Unappalled, ɐnəpôld, onvervaard.

Unappeasable, ɐnəpîzəb’l, onverzoenlijk; Unappeased = onbevredigd, onverzoend.

Unapplied, ɐnəplaid, niet aangewend: — funds = dood kapitaal.

Unappreciated, ɐnəprîšeitid, niet gewaardeerd.

Unapprehended, ɐnaprihendid, niet gearresteerd, niet gevreesd; Unapprehensive = niet begrijpend, zorgeloos: I am not — that = ik weet heel wel, dat; subst. —ness.

Unapprised, ɐnəpraizd, niet onderricht.

Unapproachable, ɐnəproutšəb’l, ongenaakbaar; subst. —ness.

Unappropriated, ɐnəprouprieitid, niet toegeëigend, niet voor een bepaald doel aangewezen of gebruikt: — funds = dood kapitaal.

Unapproved, ɐnəprûvd, niet goedgekeurd.

Unapt, ɐnapt, ongeschikt, ongenegen; subst. —ness.

Unarm, ɐnâm, ontwapenen, de wapenen neerleggen; —ed = ongewapend, bloot.

Unarrested, ɐnərestid, onbelemmerd.

Unartistic, ɐnâtistik, onartistiek.

Unascertainable, ɐnasəteinəb’l, wat niet uitgemaakt of uitgevorscht kan worden; Unascertained = niet zeker bekend.

Unashamed, ɐnəšeimd, zonder schaamte.

Unasked, ɐnâs(k)t, ongevraagd, ongenood.

Unassailable, ɐnəseiləb’l, onaantastbaar, onbetwistbaar; Unassailed = onbetwist.

Unassignable, ɐnəsainəb’l, niet over te dragen of toe te wijzen; Unassigned.

Unassimilable, ɐnəsimiləb’l, niet te assimileeren; Unassimilated.

Unassisted, ɐnəsistid, zonder hulp.

Unassociated, ɐnəsoušeitid, niet vereenigd.

Unassuaged, ɐnəsweidžd, niet bevredigd of gestild.

Unassuming, ɐnəsiûmiŋ, bescheiden, niet aanmatigend.

Unattached, ɐnətatšt, niet verbonden, niet toegedaan, extern, à la suite, niet in beslag genomen of benaderd; los: Colonel — = à la suite; — students = extern, niet in een college wonend.

Unattainable, ɐnəteinəb’l, onbereikbaar; subst. —ness.

Unattempted, ɐnətemtid, onbeproefd.

Unattended, ɐnətendid, onvergezeld, zonder gevolg, verwaarloosd.

Unau, jûnô, junô, tweeteenige luiaard.

Unaudited, ɐnôditid, niet nagezien of verevend.

Unauthenticated, ɐnôthentikeitid, niet bekrachtigd, waarvan de echtheid niet bewezen is.

Unauthorised, ɐnôthəraizd, onbevoegd, onwettig, niet echt.

Unavailable, ɐnəveiləb’l, onbruikbaar, ongeldig; subst. —ness; Unavailing = nutteloos.

Unavenged, ɐnəvenžd, ongewroken, ongestraft.

Unavoidable, ɐnəvôidəb’l, onvermijdelijk; subst. —ness.

Unavowed, ɐnəvaud, niet erkend.

Unaware, ɐnəwêə, adj. onwetend, onwillekeurig, zorgeloos, onattent; —(s), adv. plotseling, onverhoeds, onverwachts.

Unawed, ɐnôd, onbeschroomd.

Unbacked, ɐnbakt, niet gesteund, nog niet gedresseerd om een ruiter te dragen; paard waarop niet gewed is.

Unbag, ɐnbag, (den vos) uit den zak laten; uitbrengen.

Unbaked, ɐnbeikt, niet gebakken, ongaar, onrijp.

Unbalanced, ɐnbal’nst, niet in evenwicht, niet vereffend.

Unballasted, ɐnbaləstid, zonder ballast, onvast.

Unbandaged, ɐnbandidžd, zonder verbanden.

Unbaptized, ɐnbaptaizd, ongedoopt.

Unbar, ɐnbâ, ontgrendelen, ontsluiten.

Unbated, ɐnbeitid, onverzwakt, niet stomp gemaakt.

Unbathed, ɐnbeidhd, niet bevochtigd.

Unbattered, ɐnbatəd, niet gekneusd of gedeukt.

Unbearable, ɐnbêrəb’l, ondragelijk.

Unbearded, ɐnbîədid, baardeloos.

Unbeaten, ɐnbît’n, niet geslagen, ongebaand, niet betreden.

Unbecoming, ɐnbikɐmiŋ, ongepast, onbehoorlijk, onwelvoeglijk, niet kleedend; subst. —ness.

Unbefriended, ɐnbifrendid, zonder vrienden, niet begunstigd.

Unbegot(ten), ɐnbigot(’n), niet geboren, eeuwig.

Unbeheld, ɐnbiheld, niet aanschouwd, onzichtbaar = Unbeholden.

Unbeknowing, ɐnbinouiŋ, niet wetend; Unbeknown(st) = onbekend: — to me = zonder mijn voorkennis; The land of the — = het onbekende land.

Unbelief, ɐnbilîf, ongeloof; Unbelievable = ongelooflijk; Unbeliever = ongeloovige; Unbelieving = ongeloovig.

Unbeloved, ɐnbilɐvd, onbemind.

Unbend, ɐnbend, ontspannen, losmaken, verslappen, gemoedelijk worden, afslaan (van zeilen): To — one’s mind = zich ontspannen; —ing = onbuigzaam, stijf, hardnekkig, aan ontspanning gewijd (—-hour); ook subst.

Unbenefited, ɐnbenəfitid, geen voordeel trekkend uit, niet begunstigd door.

Unbeseeming, ɐnbisîmiŋ, ongepast; subst. —ness.

Unbesought, ɐnbisôt, ongevraagd, vrijwillig.

Unbespeak, ɐnbispîk, afzeggen, herroepen.

Unbewailed, ɐnbiweild, onbetreurd.

Unbias(s)ed, ɐnbaiəst, onpartijdig; subst. —ness.

Unbidden, ɐnbid’n, vanzelf, ongenood: Her tears started — = vloeiden onwillekeurig.

Unbigoted, ɐnbigətid, vrij van dweeperij.

Unbind, ɐnbaind, losbinden, bevrijden.

Unblam(e)able, ɐnbleiməb’l, onschuldig, onberispelijk, onlaakbaar; subst. —ness.

Unbleached, ɐnblîtšt, ongebleekt.

Unblemished, ɐnblemišt, onbevlekt, smetteloos.

Unblended, ɐnblendid, onvermengd.

Unblessed, Unblest, ɐnblest, ongezegend, ellendig, vervloekt.

Unblinkered, ɐnbliŋkəd, zonder oogkleppen, met open oogen: His eyes were — by fees = hij deed geen oogje dicht om een fooi.

Unbloody, ɐnblɐdi, niet bedoeld of bloeddorstig: — sacrifice = bloedlooze offerande.

Unblotted, ɐnblotid, on(uit)gevlekt.

Unblunted, ɐnblɐntid, niet verstompt of versuft.

Unblushing, ɐnblɐšiŋ, schaamteloos.

Unbodied, ɐnbodid, onlichamelijk, van het lichaam bevrijd of ontdaan.

Unboiled, ɐnbôild, ongekookt.

Unbonnet, ɐnbonət, de muts of den hoed afnemen of afzetten, ontblooten.

Unborn, ɐnbön, ongeboren, toekomstig.

Unborrowed, ɐnboroud, niet ontleend, oorspronkelijk, echt.

Unbosom, ɐnbuz’m: He —ed himself = stortte zijn hart uit.

Unbought, ɐnbôt, ongekocht.

Unbound, ɐnbaund, niet gebonden.

Unbounded, ɐnbaundid, onbegrensd, eindeloos; subst. —ness.

Unbrace, ɐnbreis, losmaken (-gespen, -knoopen): —d drums = ontspannen trommen.

Unbred, ɐnbred, ongemanierd, onkundig.

Unbreeched, ɐnbrîtšt, zonder broek.

Unbridle, ɐnbraid’l, aftoomen, loslaten; —d = ongetoomd, losbandig, uitgelaten.

Unbroke(n), ɐnbrouk(’n), on(af)gebroken, regelmatig, ongeschonden, niet afgereden, onverminderd, ongestoord.

Unbrotherly, ɐnbrɐdhəli, onbroederlijk, onvriendelijk, onnatuurlijk.

Unbuckle, ɐnbɐk’l, losgespen.

Unbuilt, ɐnbilt, ongebouwd.

Unburden, ɐnbɐ̂d’n, ontlasten, afwerpen, ontdekken, openbaren: He had something to — = op ’t hart; When I have any —ing to do, there’s always mother = iets op ’t hart heb; To — oneself = zijn hart uitstorten.

Unburied, ɐnberid, onbegraven.

Unburned, ɐnbɐ̂nd, Unburnt, ɐnbɐ̂nt, ongebrand, onverbrand.

Unburthen, ɐnbɐ̂dhən = Unburden.

Unbusinesslike, ɐnbiznəslaik, niet overeenkomstig de handelsusanties, onpractisch.

Unbutton, ɐnbɐt’n, losknoopen.

Uncalled, ɐnkôld, ongeroepen: Your pity is — for = is te onpas, niet noodig; Your jealousy is — for = uwe jaloerschheid is zonder grond, onredelijk.

Uncancel(l)ed, ɐnkânsəld, niet doorgehaald, niet opgeheven.

Uncanny, ɐnkani, onvoorzichtig, roekeloos, onzeker, hevig, sterk, geheimzinnig: — legal documents = geheimzinnige, duistere documenten; The contrast between the shining eyes and the impassive face was so extraordinary as to be almost — = dat het haast iets spookachtigs had; The faces of our departed youth have an — trick of rising up suddenly = duiken op onverklaarbare wijze op.

Uncanonical, ɐnkənonik’l, niet kanoniek: — hours = uren waarop geene huwelijksinzegening mag plaats hebben (in Engeland tusschen 8 a.m. en 3 p.m.); subst. —ness.

Uncap, ɐnkap, openen, de bedekking afnemen: —ped = met ongedekt hoofd.

Uncape, ɐnkeip, het kapje (van den valk) afnemen; de honden loslaten; den vos uit den zak laten.

Uncared, ɐnkêəd, zonder dat er op gelet wordt: There he lay — for = verwaarloosd.

Uncarpeted, ɐnkâpətid, zonder vloerkleed.

Uncase, ɐnkeis, uit de bedekking of étui nemen, openbaren, ontplooien (v. h. vaandel), ontkleeden.

Unceasing, ɐnsîsiŋ, onophoudelijk.

Unceremonious, ɐnserəmounjəs, zonder complimenten, familiaar.

Uncertain, ɐnsɐ̂tin, onzeker, grillig, onvast, dubbelzinnig, weifelend, wispelturig: — on one’s legs = onvast; —ty = onzekerheid, twijfelachtigheid, gebeurlijkheid.

Uncertificated, ɐnsətifikeitid, niet gediplomeerd.

Unchain, ɐntšein, ontketenen, loslaten.

Unchallengeable, ɐntšal’nžəb’l, ontwijfelbaar, onwraakbaar, zonder eenige kwestie; Unchallenged = niet betwijfeld.

Unchangeable, ɐntšeinžəb’l, onveranderlijk: — of purpose = vastbesloten; subst. —ness; Unchanged; Unchanging.

Uncharged, ɐntšâdžd, ongeladen, niet aangevallen; van normale sterkte.

Uncharitable, ɐntšaritəb’l, liefdeloos, onbarmhartig; subst. —ness.

Unchary, ɐntšêri, onvoorzichtig, verspillend.

Unchaste, ɐntšeist, onkuisch; Unchastity, ɐntšastiti, onkuischheid.

Unchecked, ɐntšekt, ongehinderd.

Unchivalric, ɐnšiv’lrik, Unchivalrous, ɐnšiv’lrɐs, onridderlijk.

Unchristened, ɐnkris’nd, ongedoopt.

Unchristian, ɐnkristj’n, onchristelijk.

Unchronicled, ɐnkronik’ld, onvermeld.

Uncial, ɐnš’l, subst en adj. (met) unciaal (letters).

Unciform, ɐnsiföm, haakvormig = Uncinate, ɐnsinit.

Uncircumcised, ɐnsɐ̂k’msaizd, onbesneden; subst. Uncircumcision, ook: alle niet-Joden.

Uncircumscribed, ɐnsɐ̂k’mskraibd, onbeperkt.

Uncircumspect, ɐnsɐ̂k’mspekt, onbedachtzaam.

Uncivil, ɐnsivil, onbeleefd, lomp; —ized = barbaarsch, onbeschaafd.

Unclaimed, ɐnkleimd, niet opgevraagd of opgeëischt, onbestelbaar.

Unclasp, ɐnklâsp, loshaken, openen.

Uncle, ɐŋk’l, oom; pandjeshuishouder; —-in-law = aangehuwde oom; My watch is at my —’s = bij “Oome Jan”; — Sam = de Vereenigde Staten (v. N. Amer.).

Unclean, ɐnklîn, adj. onrein, vuil, onkuisch; subst. —liness, ɐnklenlinəs; —ly, ɐnklenli, onrein, vuil, onkuisch; adv. ɐnklînli; —ness, ɐnklînnəs = —liness; Uncleansed, ɐnklenzd, ongereinigd.

Uncleared, ɐnklîəd, onontgonnen, niet opgeruimd, niet afgesloten.

Unclerical, ɐnklerik’l, niet strookende met den geestelijken stand.

Unclipped, ɐnklipt, ongesnoeid.

Uncloak, ɐnklouk, den mantel afleggen, afnemen.

Unclog, ɐnklog, de belemmering wegnemen, vrijmaken.

Unclose, ɐnklouz, openen, opslaan, openbaren: —d = open, onvoltooid.

Unclothe, ɐnkloudh, ontkleeden, ontblooten.

Unclouded, ɐnklaudid, onbewolkt, helder; subst. —ness; Uncloudy = helder.

Unco, ɐŋkou, Schotsch voor Uncouth, ongemeen, buitengewoon; subst. rare snuiter, vreemd iets.

Uncock, ɐnkok, in rust zetten (den haan v. een geweer), neerslaan (van den rand van een hoed), uitspreiden (van hooi).

Uncockneyfied, ɐnkoknifaid, natuurlijk, ongemaakt.

Uncoffined, ɐnkofind, niet in eene kist gelegd.