Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 142
Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = overblijfselen, wrakhout: Receiver of —s = strandvonder; Everything went to — and ruin = ging te gronde; The ship was —ed off Kijkduin = verging; To — a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels —ed the bakers’ shops = vernielden en plunderden; —-commissioner = strandvonder (Amer.); —-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; —-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).
Wren, ren, tuinkoning: A — in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; —ning = jacht op —s; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland —ning-day, omdat oudtijds de —s op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten —-boys.
Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; — verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) — to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for —ing off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To — open = openbreken.
Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; — verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.
Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; — verb. worstelen, strijden; —r = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.
Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor — = arme stakker: That young — of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. —edness.
Wrexham, reks’m.
Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; — verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To — oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; —r = draaier, knoeier.
Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cart— = wagenmaker; Ship— = scheepstimmerman.
Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To — out clothes; These shrieks — my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; —-bolt = ringbout; —er = wringmachine; Wringing: —s of conscience = gewetenswroeging; — of the guts = krampen (plat); —-machine = wringmachine; —-wet = zóó nat dat men het kan wringen.
Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; — verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a — (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping —s = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He —d up his face, nose; —d = Wrinkly.
Wriothesley, rot(ə)sli.
Wrist, rist, handgewricht; —band = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; —-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.
Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy — = de H. Schrift; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A — was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.
Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you — this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you — it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To — up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: —’s cramp = schrijfkramp; — to the Signet = een Schotsch solicitor; —ship = schrijversambt.
Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He —d his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.
Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to — = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) — = op schrift zetten; In his own — = eigenhandig geschreven; —-book = schrijfboek; —-case = map; —-desk = schrijflessenaar, schrijf map; —-master = schrijfmeester; —-pad = sous-main; —-paper = schrijfpapier; —-part = schriftelijk gedeelte van een examen; —-school = schrijfschool; —-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is — = er staat geschreven (in de H. Schrift); — examination; — Law = geschreven wet = Statute Law.
Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; — verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) — = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be — = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) — = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something — somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person — = To do — to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done — = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had — = is verongelijkt; To get to —s = in de war raken; To get on (to) the — tack = op het verkeerde spoor; To go — = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes — = loopt niet goed; To go the — way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the — way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the — way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the — end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the — foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the — side of sixty = over de zestig; The — side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He —ed her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never —ed me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; —-doer = overtreder; —-doing = onrecht, overtreding; —-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. —-headedness; —er = verongelijker; —ful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. —fulness; —ly = verkeerdelijk, onrechtmatig; —ous = onwettig (Schotl.).
Wrote, rout, imperf. van to write.
Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.
Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was — on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; — up to great fury = tot groote woede gebracht; — upon = bewerkt (fig.); High-— expectations = hooggespannen verwachtingen; —-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.
Wroxeter, roksitə.
Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; — heads = kim (scheepst.).
Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a — face = een leelijk gezicht trekken; To make — faces = gezichten trekken; —-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); —ness = scheefheid, verdraaidheid.
Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.
Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: —ing heights = onherbergzame hoogten.
Wyandotte, waiəndot, waiəndot.
Wyat(t), waiət.
Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).
Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.
Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).
X.
X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. = Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian; X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.
Xanthian, zanthiən, van Xanthus: —-marbles = marmeren beeldhouwwerken nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum).
Xanthic, zanthik: — acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.
Xanthippe, zanthipî.
Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.
Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.
Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.
Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).
Xenophon, zenəfon.
Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.
Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.
Xerxes, zɐ̂ksîz.
Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.
Xylograph, zailəgraf, houtsnede; —er, zailogrəfə, houtgraveur; adj. —ic(al), zailəgrafik(’l); —y, zailogrəfi, houtsnijkunst.
Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.
Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.
Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.
Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.
Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.
Y.
Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level = waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).
Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).
Yacht, jot, subst. jacht; — verb. met een jacht zeilen; —er; —ing = het varen met een jacht, hardzeilen; —(s)man = bezitter van (zeiler met) een jacht; —(s)manship = de kunst een jacht te besturen; —swoman.
Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!
Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).
Yahveh, jawei, Jehova.
Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).
Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.
Yakut, jakût; Yale, jeil: — University (te New Haven).
Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.
Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.
Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; — verb. rukken, gappen, snateren, ratelen.
Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.); ook adj. —-clock = koekoeksklok; —ee-doodle = Amerikaansch volkslied; —eefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; —eeism = idioom of gewoonte der —ees.
Yap, jap, subst. geblaf, gekef; — verb. keffen.
Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36 inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (= Ship-building —); — verb. vee op het erf opsluiten: Government —; Private —; Naval —; He writes by the — = is een veelschrijver; —-arm = nok der ra; —-arm and —-arm = nok aan nok; —-man = spoorwegarbeider; —-measure, —-stick, —-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; —-tackle = noktakel.
Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.
Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk) verhaal; — verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch) spin you a —? = zal ik jullie een verhaal vertellen?
Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.
Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.
Yates, jeits; Yaughan, jôn.
Yaup, jôp = Yelp.
Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; — verb. gieren; schuimen: To make —s = gieren.
Yawl, jôl, subst. jol; — verb. Zie Yowl.
Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; — verb. gapen, geeuwen, wijd openen: —ing is catching = geeuwen is aanstekelijk.
Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.
Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.
Ye, jî, gijlieden.
Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: — and more = ja zelfs; The —s have it = de meerderheid is er voor.
Yeames, jeimz.
Yean, jîn, lammeren werpen; — kid = geitje, bokje; Yeanling, subst. lam.
Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical — = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The — of Grace = het jaar onzes Heeren = The — of our Lord; New —’s day = Nieuwjaarsdag: New —’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next — = aanstaande jaar; Last — = verleden jaar; — by — = jaar op jaar; In —s = op jaren; — in — out; One — with another = het eene jaar door het andere; It may be —s first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your —s well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to (the) —s of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To get into (grow in) —s = op jaren komen; He has a good thirty —s before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; —-book = jaarboek; —ling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; —ly = jaarlijks(ch), een jaar durend.
Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden voelen met (upon, towards, Bijb.).
Yeast, jîst, gist, schuim; —-bitten = naar de gist smakend (v. bier); —-powder = zelfrijzend bakmeel; —iness, subst. v. —y = gistend, schuimend, luchtig.
Yeat(e)s, jeits.
Yelk, jelk; Zie Yolk.
Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; — verb. gillen, huilen.
Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden, ijverzuchtig, jaloersch; — verb. geel maken of worden (—s = geelzucht; ijverzucht): He has a — streak in him = hij is in zijn hart een lafaard; — bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; — boy = goudstuk; — earth = aardgeel, oker; He opened the — envelope = telegram; — fever = gele koorts; — Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; — peril = het gele gevaar; — press = de Jingo bladen; — River; — Sea; —-ammer = geelgors, haverkneu (= —hammer); —-bird = wielewaal; distelvink (Amer.); —-golds = goudsbloem; —-rocket = barbarakruid; —-seed = veld-kruidkers; —stone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; —ish = geelachtig; subst. —ishness; —ness = geelheid; —y = geelachtig.
Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; — verb. keffen, blaffen; —er = keffer.
Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).
Yenisei, jenisei-î.
Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter, volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-, timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: —’s service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party —-service; — of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den Tower of London; —ry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van oproer).
Yeovil, jouvil.
Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; — verb. rukken, stooten, aanhalen, slaan met beide achterpooten.
Yes, jes, ja.
Yest, jest, gist = Yeast.
Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als: —day; —eve, —even, —evening; —morn; —night; —noon; —week; —year): The day before —day = eergister; I was not born —day = ik ben niet van gisteren; —n = van gisteren.
Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: — again = nog eens; — a moment = nog een oogenblik; I have not seen him as — = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never — = nog nooit; Shall I go now? Not — = nog niet; Do you know your lesson —? = kent ge uwe les al? I do not mean to die — awhile = vooreerst; The Parliament that will — sit on College Green = toch nog ééns; He is — only 20 = nu nog maar; — time serves = nog is het tijd.
Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); —-tree; adj. —en.
Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).
Yid, jid, jood, jodin (mv. —den); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.
Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; — verb. voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten, overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken: His courage never —s = hij verliest den moed nooit; Such days would — much pleasure = plachten veel genot te schenken; To — to conditions = genoegen nemen met; To — to despair = zich overgeven aan; To — to superior force = wijken voor; I will not — to such sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must — to the times = je schikken in; To — up the ghost (the breath of life) = den geest geven; —ance = toestemming, concessie; —ing = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst. —ingness.
Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; — verb. joedelen; Jodeller = iemand die joedelt.
Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.
Yo-ho, jouhou, hola!
Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.
Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; — verb. onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring under the — = To put to the — = het juk opleggen; To shake (To throw) off the —; These two are ill —d together = passen niet bij elkaar; —-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); —-line, —-rope = stuurtouw; —-toed birds = klimvogels.
Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.
Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; —-bag, —-sack = dooiervlies; —y = vettig.
Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.
Yonge, jɐŋg.
Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.
Yore, jö, alléén in: In days (times) of — = in vroeger dagen, lang geleden.
Yorick, jorik; York, jök: —ist = aanhanger van het Huis York.
Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.
Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am — too = ben ook niet van gisteren; He came — over me = nam me beet; — man = iemand uit Yorkshire geboortig, slimmerd; — pudding = soort van vleeschpudding; — relish = eene bekende pikante saus; — woman.
You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.
Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch, groen, onervaren: — man = jongmensch, bediende, vrijer; — Mr. Smith = Smith, junior; He is a — one = nog niet droog achter de ooren; The — ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; Your — hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With — = drachtig; —-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; —er, jɐŋgə, jonger; —est, jɐŋgist, jongst; —ish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; —ling, subst. jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; —ness = jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.
Your, jûə, uw(e): — man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz, de of het uwe: — truly = hoogachtend; You and —s = gij en de uwen; This servant of —s = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven: “Poor boy!” “Poor —” = loop heen met je Poor; Be — = kalmeer je; Tell me —, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.
Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A —-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. —ness.
Yowl, jaul, subst. gehuil; — verb. huilen.
Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.
Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.
Yuck, jɐk, subst. jeuk; — verb. jeuken, krabben.
Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.
Yukon, jûkon.
Yule, jûl, kersttijd; —-block, —-log = groot blok hout voor het kerstvuur; —tide = kersttijd.
Z.
Z, zed; Zach(ary), Zach(ariah); Zeph(aniah); Z(oological) G(ardens); Zoochem(istry); Zoogeog(raphy); Zool(ogy).
Zach, zak; Zachariah, zakəraiə; Zachary, zakəri.
Zaim, zaim, zâ-im, Turksch leenman; —et = district van een Z.
Zain, zein, geheel zwart of bruin paard.
Zambezi, zambeizi.
Zambo, zambou, kind van een mulattin en een neger.
Zamouse, zəmûz, W. Afrikaansche buffel.
Zante, zanti: —-wood = Hongaarsch geelhout, fiset- of fustiekhout.
Zany, zeini, grappenmaker, hansworst; —ism.
Zare(e)ba, zərîbə, omheining, versterkt kamp.
Zayat, zeijat, zâjat, karavansera in Burmah.
Zea, zîə, maïs.
Zeal, zîl, vurige ijver, geestdrift, vuur, gloed; —less = lauw.
Zealand, zîland.
Zealot, zelət, ijveraar, drijver, dweper; —ism, —ry = zelotisme, fanatisme; Zealous, zeləs, vurig, ijverig; —ness.
Zebec(k), zîbek; Zie Xebec.
Zebedee, zebədî, Zebedeus.
Zebra, zîbrə, zebra; —-wolf = buidelwolf; Zebrine, zîbr(a)in, zebra-achtig.
Zebu, zîbjû, zeboe, Indische bultos.
Zechariah, zekəraiə; Zedekiah, zedəkaiə, Zedekia.
Zemindar, zemindâ, zemindâ, zəmindâ, Brit. Ind. erfelijk grondbezitter, die belastingen kan heffen; —y, zemindəri, zemindəri, ambt of district van een Z.
Zenana, zənânə, vrouwenverblijf, harem.
Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; —-Avesta = de heilige boeken aan Zoroaster toegeschreven.
Zenith, zenith, zînith, zenith, toppunt: He was in the — of his glory = had het toppunt van zijn roem bereikt.
Zephaniah, zefənaiə, Zephanja.
Zephyr, zefə, zachte zuidwestenwind, zefier; —us, zefirɐs, de w. wind als god.
Zero, zîrou, nul, nulpunt: To be (down) at —; Below —.
Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of geur, genot, welgevallen: Kindness gives a — to intercourse = hartelijkheid is de ziel van den omgang; Not worth a — = geen cent waard.
Zetetic, zətetik, adj. heuristisch; subst. onderzoeker.
Zeus, zjûs.
Zibeline, zibəl(a)in, sabelbont.
Zigzag, zigzag, subst. zigzag; — verb. zigzagvormig maken, zigzagsgewijs loopen of afleggen: The path wound in —s up a steep, rocky slope; adj. met scherpe hoeken en bochten; —gy = met scherpe hoeken en bochten.
Zillah, zila, district (Brit. Ind.).
Zinc, ziŋk, subst. zink; — verb. met zink bedekken: Flowers of — = zinkbloem; —-white = zinkwit; —-worker = zinkwerker; —ky = zinkachtig, zink...; —ode, ziŋkoud, positieve pool eener galvanische batterij; —ograph, ziŋkəgraf, zinkgravure; —ographer, ziŋkogrəfə, zinkgraveur; —ography, ziŋkogrəfi, zincographie; —oid = zinkachtig; —ous = zink....
Zingaro, ziŋgərou, Zigeuner; mv. Zingari.
Zinky, ziŋki, zinkachtig, zink....
Zion, zaiən, Zion.
Zither(n), zithə(n), cither.
Zodiac, zoudiak, Dierenriem; Zodiacal, zədaiək’l: — light; — signs = de twaalf teekenen van den Dierenriem.
Zoedone, zouədoun, een mousseerende alkoholvrije drank.
Zola, zoulə, Zola; —ism = naturalisme, realisme; —istic.
Zonal, zoun’l, als eene zone; Zonar, zounâ, gordel, die voorheen door Christenen en Joden in Turkije moest worden gedragen, ter onderscheiding van de Mahomedanen; Zone, zoun, subst. gordel, luchtstreek, gebied: Frigid, Temperate, Torrid — = koude, gematigde, heete luchtstreek; Zonule, zounjûl, kleine gordel = Zonulet, zounjulet.
Zoo, zû, verk. van Zoological Garden(s).
Zoochemistry, zouəkemistri, scheikunde der dierlijke stoffen.
Zoographer, zəogrəfə, dierenbeschrijver; adj. Zoographic(al); Zoography = dierenbeschrijving.
Zooks, zuks, sapperloot!
Zoolatry, zəolətri, dieraanbidding.
Zoologer, zəolədžə, dierkundige: Zoological, zouəlodžik’l, dierkundig: — Garden(s) = dierentuin; Zoologist, zəoledžist, dierkundige; Zoology, zəolədži, dierkunde.
Zoomorphic, zouəmöfik, met of in dierenvorm; Zoomorphism = voorstellen van een god in diervorm.
Zoons, zûnz = Zounds.
Zoophyte, zouəfait, plantdier.
Zoril, Zorille, zoril, Zorilla, zourilə, een soort bunzing.
Zoroaster, zourəastə; Zoroastrian, zourəastriən.
Zoster, zostə, gordelroos.
Zouave, zwâv, zuâv, zouaaf.
Zounds, zaundz, interj. donders, duivels!
Zoutch, zautš, zûtš, smoren van aal in weinig water.
Zuider Zee, zaidəzî.
Zuleika, siûlîkə.
Zulu, zûlû, Zoeloe; Zurich, zûrik.
Zuyder Zee, Zie Zuider Zee.
Zygodactyle, z(a)igədaktail, Zygodactylic, z(a)igədaktilik, met klimpooten; Zygodactylous, z(a)igədaktilɐs.
Zymology, zaimolədži, leer der gisting; Zymometer, zaimomətə = gistingsmeter.
Zymosis, z(a)imousis, gisting; infectieziekte; Zymotic, zaimotik, gistings - -, infectie - -: — diseases = besmettelijke ziekten.