Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 49

Chapter 493,459 wordsPublic domain

Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly — of the trigger = het zacht meegeven van den trekker; — and take is the only possible rule in marriage = geven en nemen; That is a — and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A fight of a —-and-take character = waarin beide partijen veeren laten; The weather (frost) —s = verandert, het begint te dooien; I felt the bar — a little = voelde, dat de stang boog; I’ll — it you = ik zal je wel! To — battle = slag leveren; To — a call = een bezoek brengen; To — chase = nazetten; To — the cold shoulder = met den nek aanzien; To — ear to = het oor leenen aan; To — good day = goeden dag wenschen; To — ground = wijken; To — a guess at = raden naar; To — in charge = in (verzekerde) bewaring geven; I — you joy = ik feliciteer u; To — judgment = uitspraak doen; To — the lie = logenstraffen, heeten liegen; To — a lift = een handje helpen, laten meerijden; To — place to = wijken voor; To — sentence = vonnis vellen; To — the slip = laten zitten, uitknijpen; You ought to — me something = iets vóór geven (bilj.); To — a start = opschrikken; To — suck = zoogen; To — tongue = aanslaan (van honden); To — warning = den dienst opzeggen; To — way to = wijken voor; Here the crew began to — way = begonnen met alle kracht te roeien; To — a yawn = gapen, geeuwen; The bride was —n away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom overgegeven; His ears — him away = aan zijn ooren kun je wel zien, wat een ezel hij is; Don’t — yourself away = gooi jezelf niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t — me away = mij niet hebt verklapt; That is a dead —-away = dat is enkel geld weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was —n forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must — in to me that you were wrong = mij toegeven; To — on = uitkomen op (tuin of straat); To — out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput zijn of raken; To — out a text = voor- of oplezen; He gives himself out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor; It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The lamp gave out a flickering light; To — out lessons = opgeven; The ammunition gave out = raakte op; I had —n it over = het opgegeven; He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank; He was —n up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven; He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie; To — up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren; He gave himself up to that delight = gaf zich over aan ...; Quebec gave itself up = gaf zich over; He preferred to — up work before work gave him up; He is —n to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A —-name = doopnaam (Amerika).

Gizzard, gizəd, krop: He frets his — = hij ergert zich.

Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.

Glacial, gleišəl, bevroren, ijs..., gletscher...; Glaciate, gleišieit, bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə, gletscher.

Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.

Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; — verb. blij maken of worden: I am — of it = ik ben er blij om; I shall be — to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was — at finding us = dat hij ons vond; —den = verblijden; subst. —ness adj. —-some.

Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).

Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter, strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie = Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.

Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = — bag; Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.

Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; — verb. vernissen, bestrijken met; adj. —y.

Glaive, gleiv, zwaard.

Glamis, glâms, glamis.

Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk; — verb. begoochelen, betooverend schilderen: He —ed the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen onweerstaanbaar betooverend.

Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; — verb. stralen schieten, schieten langs; vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To — an eye on = een blik werpen op; To — off = afschampen; To — over = vluchtig doorzien; He hardly —d upon it = roerde het haast niet aan; —-coal = glanskool, anthraciet.

Gland, gland, klier, cel; —ers, glandəz, droes (paardenziekte); —ered = behept met kwaden droes; —iferous, glandifərɐs, eikels voortbrengend; —iform, glandiföm, eikelvormig; —ula, glandjul(ə), kliertje; —ular, glandjulə, klierachtig, klier ...; —ule = —ula.

Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.

Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; — verb. met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk, schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.

Glasgow, glasgou.

Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper, barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; — verb. (af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: —es = bril; A pair of —es = lorgnet; —-blower = glasblazer: —-blower’s lamp; —coach = staatsiekoets, glazen koets; —-house = glasblazerij; — jar = klok, inmaakflesch; —-metal = gesmolten glas; —-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; —-paper = glas-(schuur-)papier; — shade = stolp, glazen lampekap; —-staining = het kleuren van en schilderen op glas; —-ware, —-work = glaswerk; —-works = glasblazerij; —ful; —like; —y = van glas, als glas, glad, spiegelglad: —y eyes = doffe, glazige oogen.

Glastonbury, glâst’nbəri: — chair = een soort leuningstoel; — thorn = tweestijlige meidoorn.

Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt, Glaucous, glôkəs, zeegroen.

Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. —tous.

Glaucus, glôkəs.

Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst. glazuur: —-kiln = verglaasoven; —-board = soort van pap, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; —d book-cases = van glas voorziene; (Cf. —d windows); With —d eyes = glazige; —d frost = ijzel; —d hat = met geolied linnen overtrokken; —d tiles = verglaasde pannen; —r = verglazer, polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan de naden.

Glazier, gleižə, glazenmaker; —’s-diamond.

Gleam, glîm, subst. straal, schittering; — verb. stralen, stralen schieten, schitteren; —y = stralend, fonkelend.

Glean, glîn, subst. nasprokkeling; — verb. nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen. gappen; —er = sprokkelaar; To go a-—ing = nalezen.

Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; —-house = pastorie; —-land = pastorie-landen.

Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.

Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high — = zeer vroolijk; —-club = (mannen)zangvereeniging; —-maiden = rondreizende liedjeszangster; —man = minstreel; —wood = een ouderwetsch muziekinstrument.

Gleet, glît, etter; — verb. etteren; —y = dun, etterig.

Gleig, gleg.

Glen, glen, nauw dal, bergengte.

Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.

Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.

Glenlevit, glenlîvit.

Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A — tongue; subst. —ness.

Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de andere); — verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; —r.

Gliff, glif, korte tijd, schrik; — verb. schrikken.

Glim, glim, licht, kaars: Douse the — = doe het licht uit; —mer = glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak, onzeker licht; mica; —mering = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.

Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint; — verb. blikken, voor een oogenblik verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a — of him = ik zag hem met een glimp.

Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; — verb. schitteren, flikkeren: I knew him at the first — = dadelijk; The train rushed on over the —ing rails = de glinsterende rails.

Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; een danspas; — verb. naar beneden glijden; glissen.

Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering = Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.

Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, blinken; ook subst.: All is not gold that —s = ’t is al geen goud wat er blinkt.

Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; —ing, subst. avondschemering: —ing of life = levensavond.

Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.

Globate, gloubit, bolvormig.

Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial — = aard ... en celestial — = hemel ...), ballon (van de lamp); — verb. (zich) tot een bal vormen; —-daisy = kogelbloem = —-flower; —-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist; —-trotting = het afreizen van de wereld; —-valve = balklep; Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: — sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine homoeopatische pil; celletje.

Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed bolletjes.

Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous, glomərɐs.

Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; — verb. somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; —y = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.

Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: — Patri = lof zij den Vader; — in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried, glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify = verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.

Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig; lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, (hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; — verb. roem dragen op: He was the — of his age = de roem van zijn tijd; He glories in his ignorance = draagt roem op.

Glose, glous; Zie Gloze.

Gloss, glos, subst. glans, luister; — verb. glanzend en schitterend maken, verfraaien, verbloemen: To remove the — = ontglanzen; I will — over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien; —iness = glans, glanzigheid; —y = glanzig.

Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; — verb. glosseeren, glossen maken; —arial, glosêriəl, glossen betreffend; —arist = verklaarder; —ary = glossarium.

Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).

Glossitis, glosaitis, tongontsteking.

Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling over de tong.

Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde talen (Bijb.).

Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende taalwetenschap.

Gloster, glostə, Gloucester (kaas).

Glottal, glot’l, stemspleet...; Glottis, glotis, stemspleet.

Glottology, glotolədži. Zie Glossology.

Gloucester, glostə, Gl. (kaas); —shire, glostəšə.

Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; — verb. (als) met een handschoen bedekken: Berlin — = wollen handschoen; They are hand and (in) — = koek en ei; He threw down the — and I took it up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; —-fight = vuistgevecht, bokspartij; —-shop = handschoenenwinkel; —-stretcher = handschoenrekker; —r = handschoenmaker: He got it with the aid of a —r = door kruiwagens (fig.).

Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid; — verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is —ing with patriotic feeling = gloeit van; —-lamp = electr. gloeilamp; —-worm = glimworm.

Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).

Gloze, glouz, vleitaal, schijn; — verb. een vernisje geven, vergoelijken (over).

Glucic, glûsik: — acid = glucinzuur; Glucose, glûkous, druivensuiker.

Glue, glû, subst. lijm; — verb. lijmen, vasthechten: To move at the rate of a fly in a —-pot; —y = kleverig.

Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath —ness at these meetings = geen uitgestreken gezichten.

Glume, glûm, dop, kaf, bolster.

Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; — verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren, voldoen, verzadigen: He —ted his eyes = hij weidde zijne oogen; To — one’s revenge = zijn wraak koelen; —man = nood- of extra hulp bij veel werk.

Gluten, glût’n, gluten.

Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.

Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. —ness.

Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); —ous = gulzig; —y = vraatzucht, gulzigheid.

Glycerin(e), glisərin, glycerine.

Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); —ic, glifik. Zie Hieroglyphic.

Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph, gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.

Gnar, nâ, knorren, brommen.

Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; — verb. snauwen, grauwen; —ed, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = —y.

Gnash, naš, knarsen: To — one’s teeth.

Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a — and swallow a camel = eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; —-strainer = muggenzifter; —-worm = larve van eene mug.

Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden; —er.

Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; —ic.

Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al), noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.

Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. —ic, nəmonik.

Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw, wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.

Gnu, nû, njû, kleine antilope.

Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien, in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.; subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje, dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second — = werd voor de tweede maal bediend; We had a — at the sherry = dronken eens; I had a — at it = probeerde het eens; He has plenty of — in him = veel energie, “fut”; Here’s a jolly — = dit is een mooie boel; That is no — = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-—ism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the — now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the —-by = hem gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the —-by = lieten liggen, trokken haar voorbij; He was our —-between = hij was onze bemiddelaar; Great — = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little — (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book will — = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you — = betaal wat ge noodig hebt; She let herself — after marriage = toonde haar waren aard; I made my money — as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things — = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as children — = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; — about your business = maak dat je weg komt; We have —ne about a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; — along with you = och loop; You will understand it as you — along = als gij maar volgt, voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I — by my own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the language of the prize-ring is known as —ing down to avoid punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t — down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things — for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll — for him for slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To — in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van; I must — in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I will — in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette = ging failliet; To — into particulars = in bijzonderheden afdalen; We did not — into those matters = roerden niet aan; To — off one’s head = verliezen; To — off the rails = derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is —ing off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first —-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never — on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is —ing on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee (op hem); To — over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun you must — through with it = moet gij het ook doorzetten; — to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things — to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title = is bekend onder; We will not — upon such principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not — with her bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to — without your dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To — abroad = naar het buitenland gaan; To — ahead = vooruit gaan; To — aloft = naar boven (in het tuig) gaan; To — astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To — bad = bederven; That does not — far enough = is niet toereikend; To — the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To — halves = voor de helft staan; It will — hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; — it, old boy = raak hem, toe maar; They have been —ing it = zij zijn er van door geweest; I will not — that length = zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To — mad (crazy, white) = gek; —ing strong? = gaat het goed; —-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; —-by: To give the —-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a —-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); —-down = pakhuis, stapelplaats; —er: This watch is a good —er = loopt goed; All comers and —ers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers — = alle bestaande moeders; —, —, gone! = eenmaal, andermaal, ten derden male! —-away dress = reistoilet van de bruid; —s = handelingen, levenswandel; —s-on: You never saw such —s-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be — = op ’t punt staan; I’m not — to tell him = ik zal wel oppassen; It is — on for twelve = het loopt tegen; To keep — = aan den gang houden; To set — = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to go: It is six — = over zes; He is a — man, A — beaver, coon, gander, goose, It’s a — case (goose) with him = ’t staat er hopeloos met hem voor, hij is er bij; —ness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.).

Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); — verb. prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was —ed into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek; —sman, —ster = ossendrijver.

Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a — = een goal maken.

Goat, gout, geit; —-foot = bokspoot, satyr; —-herd = geitenhoeder; —’s beard = moerasspiraea; —’s marjoram = marjolein; —-carriage = bokkewagen; —skin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; —-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker; —ee, goutî, sik; —ish = bok- of geitachtig, vuil riekend, ontuchtig.

Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok, stuk; — verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.

Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.

Gobble, gob’l, subst. geklok; — verb. gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly —d up by bachelors = worden dadelijk ingepikt door; —r = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.

Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.

Goblet, goblət, drinkbeker.

Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.

God, god, God: Come from — knew where; So help me —! (eedsformulier); Would to — = God gave! The —s = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); —child = petekind; —daughter = peetdochter; —father, subst. peetvader, peetoom; — verb. als peetvader optreden; —-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this —-forgotten place; —head, —hood = Godheid, goddelijkheid; —-man = Godmensch; —mother = petemoei; —send = meevallertje, geluk; —son = peetzoon; —’s-acre = godsakker, begraafplaats; —-speed: To bid —-speed = goede reis wenschen; —wit = griet; —dess = godin; —less = goddeloos; subst. —lessness; —like = goddelijk, vroom; subst. —likeness; —ly = godvruchtig, vroom: The —ly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van 1629–1640).

Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.

Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.

Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.

Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend; subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden); —-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; —-eyed spectacles = met groote, bolle glazen.

Goglet, goglət, (aarden) koelkan.

Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.

Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.