Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 52

Chapter 523,439 wordsPublic domain

Gustavus, gɐsteivəs.

Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; — verb. ontweien, uithalen, leegplunderen, uitbranden; —s = ingewanden, buik, maag: Greedy —s = vreetzak; —-scraper = vedelaar; —-string = snaar.

Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); —percha = guttapercha.

Guttate(d), gɐtit (—eitid), gespikkeld.

Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-snippet = verwaarloosd kind, voddenraper; —-spawned = verachtelijk en onzedelijk.

Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.

Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.

Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).

Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; —ize = met keelklank uitspreken; —ness = keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.

Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel; — verb. met een touw (onder het ophijschen) vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a — and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was —ed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; —-rope = topreep, tenttouw.

Guyon, gaiən.

Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; —r = zuiplap.

Gwynn, gwin.

Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.); ook adj.

Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: — belts = gordels.

Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; —ics, džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; —ic apparatus (costume, exercise, hall, society).

Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = — electricus.

Gynaecological, džainikəlodžik’l (dži—), gynaecologisch; Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.

Gyp, džip, oppasser (bij studenten).

Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.

Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig; subst. Gyration: Centre of — = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre = kring, omwenteling.

Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.

Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.

Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. —s = (voet)boeien.

H.

H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty); Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er) M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire); Hypoth(esis).

Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; — verb. verbazing uitdrukken; blijven steken: He hummed and —’ed, before he replied = stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming and —’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘—’ te zeggen; His manner is very ‘—-—’ = hij doet altijd zeer verbaasd.

Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of — = bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.

Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en nouveautés; —y = garen en band, enz.

Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.

Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.

Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk —s).

Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; — verb. kleeden: To be in (To get into) the — of swearing = gewoon zijn (zich aanwennen); By — = uit gewoonte; —-shirt = chemisette (v. amazones); —ed = gekleed.

Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant, habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning, woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).

Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: — drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.

Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.

Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard; broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; — verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; —-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A —ing cough = droge kuchhoest.

Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.

Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.

Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan, kunstvlieg (als aas); — verb. hekelen, een candidaat aan den tand voelen; vaneenscheuren; —r = hekel.

Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To make a — of = verslijten, bederven; —-carriage, —-coach = huurrijtuig, huurkoets; —-coachman = koetsier van een huurrijtuig.

Haddock, hadək, schelvisch.

Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; — verb. hellen (van mijnaderen).

Hades, heidîz, schimmenrijk.

Hadji, hadžî, hadji.

Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding, bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.

Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten maken.

Hafiz, hâfiz.

Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); — verb. in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.

Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; — verb. schrik aanjagen; —-ridden = aan nachtmerrie lijdende; —-seed = heksengebroed; —gish = afschuwelijk, heksen...

Hagar, heigâ.

Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.

Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt in eene schapenmaag.

Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; —r.

Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.

Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.

Hah, hâ, ha!

Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er voor; ook die sloot zelf.

Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.

Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! — verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within (out of) — = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is —-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship was —ed by us = gepraaid; Where do you — from = komt gij vandaan (waaien)? This dictionary —s from America = is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a — Mary! = een Ave Maria.

Hail, heil, hagel; — verb. (doen) hagelen; —shot = kartetsvuur; —stone = hagelsteen; —storm.

Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a — = op-en-top, tot op een haar; Within a — of = op een haar na; Let us not split —s = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a — = onbewogen blijven; —breadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a —breadth escape = wij brachten er nog net het leven af; —brush = haarborstel; —cloth = (paarde)haren stof; —dresser = kapper; —-dye; —-lace = haarlint; —-line = snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); —-net = haarnetje; —-oil = haarolie; —-pencil = fijn penseel; —-pin = haarspeld; —-pointed = met fijne, teere punt; —-powder = haarpoeder (wit); —-restorer = haargroeimiddel; —-shirt = haren kleed; —-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; —-stroke = ophaallijn (bij ’t schrijven); —-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan voorzien; —-wash = haarwaschmiddel; —iness = harigheid, behaardheid; —less; —y = behaard.

Haiti, heiti.

Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.

Hakluyt, haklût; Hal, hal.

Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; —ier, hal(hôl-, hol-)bədîə, hellebaardier.

Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That was in my —-days = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd.

Haldane, haldein.

Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am — and hearty = frisch en gezond; subst. —ness.

Half, hâf, half; subst. helft: That’s not — bad = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in — = in tweeën; —-and-— = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit half”; Do nothing by halves = ten halve; —-baked = halfgaar, sullig; —-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was —-baptized = ontving den nooddoop; —-binding = half leeren band; —-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); —-blown = half geopend; —-bound = in halfleder gebonden; —-bred = van gemengd ras, onbeschaafd; —-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; —-brother = halfbroeder; —-caste = halfbloed; —-cock = de stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at —-cock = iets overijld doen, iets uitflappen; —-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; —-dead = half dood; —-faced = “en profil”; —-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; —-holiday = vrije middag; —-length = kniestuk (portret); The ensign floated —-mast high = woei halfstok; —-part = half deel; —-pay, subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; —penny, heip’ni, halve stuiver; —pennyworth = waarde van 2½ c.; —-price = halve prijs of verminderde prijs; —-seas-over = half dronken, aangeschoten; —-sister = halfzuster; —-starved = slecht gevoed, half verhongerd; —-sword = op de halve lengte van een zwaard: At —-sword = handgemeen: —-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; —-way = halverwege: —-way house = herberg; —-witted = zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; —-yearly = zesmaandelijks(ch).

Halford, halfəd.

Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; —ter = heilbotvisscher (vaartuig).

Halifax, halifaks.

Halitus, halitɐs, adem of damp.

Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal (universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A — = ruimte! uitroep bij de oude gemask. optochten; —-mark = stempel, keur, bewijs van echtheid; ook verb.

Hallam, haləm.

Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; — lass = vrouwelijke heilsoldaat.

Halley, hali.

Halliard, haljəd. Zie Halyard.

Halliwell, haliwel.

Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst. allogeroep; — verb. luid roepen: Do not — before you are out of the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.

Hallow, halou, heiligen, wijden; —e’en, halou-în, halou-în, avond voor Allerheiligen; —mas(s) = Allerheiligen.

Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj. Hallucinatory.

Halm, hôm. Zie Haulm.

Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans; kring (Med.); — verb. met een krans omgeven.

Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; — verb. halt houden, halt roepen, ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a — = halt doen houden; To make a short — = even stoppen; They were —ed in the dusk = tot staan gebracht; —ing-place = stopplaats; —ingly = hinkend, langzaam, aarzelend.

Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; — verb. een halster aandoen of er mede vastbinden.

Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.

Halyard, haljəd, val (scheepst.).

Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: —s = billen.

Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal.

Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.

Hame, heim, haam.

Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.

Hamilton, hamilt’n.

Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.

Hammer, hamə, subst. hamer, haan; — verb. hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, instampen (fig.): — and tongs = met alle kracht, met groot geweld; At — and tongs = op gespannen voet; To bring to the — = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be —ed if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is always —ing at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have —ed it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; —-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; —-cloth = kleed over den bok van een rijtuig; —fish = hamervisch(-haai) = —-head; —-hard(en) = koud metaal door hameren harden; —-stone = splijthamer.

Hammock, hamək, hangmat; —-chair = stoel met linnen zitting en rug; —-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen; vinkennet of enternet.

Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; — verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.

Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.

Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten vastmaken, temmen, beteugelen.

Hamster, hamstə, hamster.

Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; — verb. verlammen door het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).

Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; — verb. overhandigen, aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever — at = knap zijn in; An old — = een ervaren, gewikst persoon; His — was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My —s are clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean —s = ik ben eerlijk gebleven; —s across! = handen over elkaar; He won the race —s down = op zijn doode gemak; —s off! = handen thuis! niet aankomen; —s up! = geeft u over! It was a —-to-—-fight = gevecht van man tegen man; They are —-and-glove (= — in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on the mending — = aan de betere hand; My sword was at — = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your —(s) = van u; The time was at — = op handen; The horse is hot at — (heavy on —) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) — = uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right — = kwam er goed af; The child was brought up by — = met kunstmatig voedsel; He sent his reply by — = met een bode; Take him by the — = aan uwe hand, onder uwe hoede; To go from — to — = van den een tot den ander; — to mouth = armelijk, pover; From — to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live from — to mouth = van de hand in den tand; — over fist = — over — = hand over hand, langzamerhand; snel; They go — in — = zij houden het samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in — = en onder volkomen discipline; We have the matter in — = hebben ... onder handen; Payment in — = contante betaling; This horse is light in — = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in — by him = aangepakt, ondernomen; He was taken in — by the judge = onder handen genomen; They carried their lives in their —s = stelden hun leven bloot; Each found the life of his — deed het werk, dat zijne hand vond om te doen; We have no stock on — = geen voorraad voorhanden; Case on —; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke verzendingsinstructies; He did it out of — = dadelijk, onmiddellijk; Out of — = klaar, af; He has got out of — = is buiten den band geraakt; He went up the ladder — over — = door telkens de eene hand boven de andere te brengen; You will find everything to your — here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to — = uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the minister’s — = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave) the — of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a — there = help eens een handje; This house has changed —s five times in three years; They forced the —s of the government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his — in = aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a — with = een handje helpen met; I have a free — now = de handen vrij; He had a — in the game = hij had er de hand in; You must have your —s full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds —s with the best authors = kan wedijveren met; Let us join —s, Join —s in — = eendrachtig samenwerken; To join —s with = de hand reiken aan; The two armies joined —s = vereenigden zich; One must keep one’s — in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The police have laid —s on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) —, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my — to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his — to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake —s = elkander de hand drukken (= shake each other by the —); You don’t show me your — for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To — a sail = vastmaken; To — about = rondgeven; To — down = aangeven, overleveren: This story was —ed down from my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To — in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He —ed it over to me = overhandigde het mij; She was —ed over to her old enemies = overgeleverd aan; —-bag = valies; —-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; —-ball = gummibal aan spuit; —-bell = tafelbel; —-bill = snoeimes; affiche, schuldbewijs; —book = handboek; —-brace = drilboor; —breadth = handbreedte; —-cart = handkar; —-clasp = handdruk; —-cuff, subst. handboei; — verb. de handboeien aanleggen; —-dog = Andiron; —-drop = handverlamming; —-gallop = korte galop; —-glass = handspiegel, glas over planten; —grasp = handdruk; —grenade = handgranaat; —grip = greep: To come to —s = handgemeen worden; —kerchief = zakdoek, doek: To drop the — = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die gehangen werd); To throw the — to = uitnoodigen; —-language = vingertaal; —-lead = klein peillood; —-loom = weefgetouw; —-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; —-mill = handmolen; —-organ = draaiorgel; —-paper = papier (met eene hand als watermerk); —-painted = uit de hand geschilderd; —-press = handpers; —-promise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; —-rail(ing) = leuning; —-sail = klein zeil; —-saw = handzaag: He knows a hawk from a — = hij heeft zijn weetje; —-screw = dommekracht; —-shake = handdruk; —spike = handspaak, koevoet; —spring = sprong, soort salto mortale: To chuck (throw, turn) —springs; —strap = riem (in een tramwagen); In a —-turn = in een ommezientje; —’s turn = hulp; —-writing = schrift; handschrift; —er, handə, aanreiker, overbrenger, klap: No —ers was the motto of the schoolboys on strike = “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens; —ful = handvol; —less = zonder handen; onhandig.

Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract, verbintenis; hechtenis; — verb. verbinden, verloven, vereenigen, vasthouden.

Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij een wedstrijd; (fig.) nadeel; — verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a — to a popular author to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende boeken); A — race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation —s a country = drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we — our own producers as compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.

Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; —(s-man) = handwerksman.

Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.

Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.

Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; — verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a — to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a — = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the — = hij werd driftig; He knows how to — the matter = weet de zaak aan te pakken; The guns were well —d = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.

Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop, geschenk, etc.; — verb. een handpenning geven, handgeld geven.

Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: — is, what — does = aan de vruchten kent men den boom; To come down —ly = over de brug komen, zich royaal betoonen.

Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen bij; The children were playing at —-dandy = de kinderen speelden: “Ra, ra, in welke hand?”; —man = helper, handlanger.

Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; — verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the — of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general — of the work is disappointing = gang, richting; He —s about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were —ing about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not — back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet hangen; All the hearers — on his lips = hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden; He —s on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you — out = waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out = uitgestoken; I — over to that opinion = hel naar die meening over; They — together like burs = hangen als klissen aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be —ed to ’em = laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; To — fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time —s heavy on my hands, —s heavy to-day = valt mij lang; We have been —ing in doubt = in onzekerheid verkeerd; Men have —ed for less than this = kregen den strop; —-dog = galgebrok, schurk: A —-dog look = een armezondaarsgezicht, -blik; —man = beul; —-nail = nijdnagel; —-nest = hangend nest; —-net = hangnet; —er = hangstuk, haak, ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling); —er-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; —ing, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a —ing-affair = eene halszaak; —ing-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is; —ing-garden = hangende tuin; —ing-guard = verdedigende houding met een sabel; —ing judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; —ing-shelf = boekenhanger.

Hangar, haŋgâ, hangar.

Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep, macht; — verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are excellent; the first in the — is the best = het eerste in de verzameling is het beste.

Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a —ing after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.

Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: — bloke = goochelaar.

Hanley, hanli.

Hanover, hanəvə; —ian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).

Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de handelingen van het Parlement.