Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 101

Chapter 1013,545 wordsPublic domain

Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; — verb. (be)rijmen, harmonieeren: The plan has neither — nor reason = is hoogst ongerijmd en roekeloos; He answered without — or reason = zijn antwoord had slot noch val; Male, female — = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend) rijm; —less = rijmloos; —r, —ster = rijmelaar, verzensmid.

Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; —ic(al) = rhythmisch, welluidend; periodiek (v. ziekten).

Rial, rîəl, Spaansche reaal.

Rialto, rialtou.

Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.

Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad), vrouw (1 Mos. II. 21); — verb. met ribben omsluiten, van ribben voorzien; —-roast = afranselen; —-roaster = ribbestoot; —bed = geribd; —bing = geribd verwulf.

Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); —ry = liederlijke en vuile taal, ontucht.

Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the —s (ribbons) of the conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van het gesprek en behield die.

Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue —, Zie Blue; To handle the —s = zelf mennen; To tear (in)to —s = in flarden scheuren; —-grass = rietachtig kanariegras; —ism = beginselen der — Society = een geheim Iersch genootschap (van —men), opgericht in 1808, die een groen bandje als insigne dragen.

Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.

Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a complete shower of — and throwing of the slipper = te midden van een ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; —-bird = rijstvogeltje; —-flour; —-milk = rijstepap; —-paper; —-plantation = rijstveld; —-pudding = rijsttaart; —-starch; —-table = ind. rijsttafel; —-weevil = rijstworm.

Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar, sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The — = de rijken; The New — = parvenus; Such food is too — for me = mij te machtig; She has a — voice = heerlijke, klankrijke; He is — beyond the dreams of avarice = rijker dan een vrek het zich durft droomen; — in silver = rijk aan zilver; —es = rijkdom(men), pracht; —ness = rijkheid, overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.

Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.

Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; — verb. ophoopen, tot een mijt vormen.

Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.

Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.

Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de gewrichten, wankel, waggelend: — stairs = wrak.

Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië, China, Japan) = Jinricksha.

Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit, afkaatsing; ricochetschot; — verb. ricochet schieten, terugstuiten, even aanraken.

Rid, rid, adj. bevrijd; — verb. bevrijden, afhelpen, reinigen, zuiveren: He could not get — of his toothache = van zijne kiespijn niet afkomen; He — me of my pain = hielp mij van de pijn af; To — of caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing: He made a clear — = hij zette alles aan kant; He is gone, and it’s a good — = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle — = daar zijn we netjes afgekomen.

Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.

Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; — verb. oplossen, in raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels doorboren: To propose, to solve a — = opgeven, raden; The fence was —d with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t — your plans before they are ripe = breng niet in de war; —r = raadselachtig spreker.

Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; — verb. rijden, voor anker rijden: To give a — = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go long bicycle —s = fietstochten maken; The young ladies have gone for a — = zijn uit toeren; To have a — = To take a — = een ritje doen; To have donkey —s = ezeltje rijden; It’s a two hours’ — = twee uur sporens; Within a few minutes’ railroad — = binnen een paar minuten sporens; To — a bicycle, a horse; She can’t — an ounce under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng. ponden; The ship —s easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar op zijn anker; The ship was riding at anchor = het schip reed op zijn anker; To — in a railway-carriage (in a coach) = rijden in; He attempted to — off under cover of a mistake = hij trachtte zich schoon te wasschen door te beweren, dat het een vergissing was; The steamer will — out the storm = de stoomboot zal den storm wel afrijden (voor anker); I rode outside an omnibus = boven op; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He —s well to hounds = hij blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de honden; He rode to cover = reed ter jacht (Zie Cover); Rider = rijder, ruiter, pikeur, temmer; bijblad, toegevoegde clausule: I have been a — in cabs, on omnibuses = heb gereden in; To add, To put, To move as a — = als clausule toevoegen, voorstellen; The — was an old gentleman = passagier; He selected the hardest — from my book = het moeilijkste vraagstuk; —less.

Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak); — verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west naar oost; —-pole, —-piece, —-plate = nokstuk (timmerwerk aan den nok); —-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten verheffend.

Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; — verb. belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into — = belachelijk maken; He is a past master of killing — = volleerd in vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was —d by the whole meeting = werd bespot; —r; Ridiculous, ridikjuləs, belachelijk, bespottelijk; subst. —ness.

Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for —s” = ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn rug moet laten rijden; —-academy = —-school; —-breeches; —-crock, (-crop, -rod, -whip) = karwats; —-habit = rijkleed voor dames; —-hall = rijschool; —-lights = ankerlichten; —-master = pikeur, stalmeester; —-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; —-school = rijschool; Little Red-—-Hood = Roodkapje.

Ridotto, ridotou, bal masqué.

Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery was — = omkooperij kwam veel voor; subst. —ness.

Riffler, riflə, raspvijl.

Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.

Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; — verb. wegvoeren, rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (—s = fuseliers, jagers); —-barrel = getrokken loop; —-barrelled = met getrokken loop; —-brigade, —-corps; —man = jager, scherpschutter; —-pit = kuil voor scherpschutters; —-range = schietbaan; —-shot = geweerschot: He lived within —-shot of my retreat = op geweerschotsafstand; —r = roover, plunderaar.

Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand, oneenigheid; — verb. scheuren, splijten, kerven.

Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap, streek; — verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden: I am up to your —s = ik weet wat je in ’t schild voert; I never thought of running such a — = dat me zoo iets gebeuren zou; To run the — upon = voor den mal houden; He gets a new —-out = een nieuw pak; He was —ged out in a pair of new trousers = uitgedost in; He —ged the market = hij beheerschte de markt (Am.); —ger = scheepstuiger; riemschijf; speculant; —ging = tuigage, want: Running, Standing —ging = loopend, staand want; —gish = verpierewaaid.

Riga, raigə, rîgə.

Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig, juist, rechter of rechts(ch); — verb. recht zetten, oprichten, recht laten wedervaren, zich oprichten: The — = Rechterzijde (Parl.); Mr. — is not yet come = de rechte Jozef is nog niet verschenen; Bill (Declaration) of —s = het Eng. charter van 1689; It would not come — = het wou niet goed komen; We shall soon put (set) this to —s = dat spoedig in orde brengen; I’ll send him to the —-about very soon = hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; To have a (no) — to = recht (geen recht) hebben op; He did not hear, know the —s of it = hoorde, wist er het fijne niet van; They killed a — and left of rabbits = schoten konijnen rechts en links neer; Good shooting does not guarantee —s and lefts at partridges = is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenjacht; By —s = eigenlijk; You are in the — = hebt gelijk; She had a fortune in her own — = zij had zelf fortuin; A duchess in her own — = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on the — = hij stond aan den rechterkant; To the — = naar rechts; He was strictly within his —s = in zijn recht; — about face (turn) = rechtsomkeert; All —, my boy = in orde, baasje; You are — = hebt gelijk; That is —, set him — = goed zoo, help hem op weg; It is not — for you to say so = het past u niet; I am on the — side of fifty = nog geen vijftig; On the — side of five guilders = over de; On the — side of fortune = schatrijk; To put — = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it — = het gauw in orde brengen; — across = dwars over; — away = terstond (Amer.); A — down Londoner = oprechte, echte; — down to the bottom = loodrecht naar de diepte; — opposite = vlak hier tegenover; To tell — out = zonder omwegen; To read — through = in één stuk door; — to the point = recht op het doel af; I am — glad that I went — up to the top of the building = erg blij, ... heelemaal naar; I must be —ed, or I will — myself = er zal mij recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen; Things will — themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To — the helm = het roer midscheeps leggen; To — a pole = een paal rechtop zetten; — angle = rechte hoek; —-angled = met rechte(n) hoek(en); —-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. = —-hand man = rechter nevenman; —-handed = rechtsch, handig; —-hearted = rechtschapen; —-honourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor de zoons en dochters van Dukes en Marquesses, en de dochters en oudste zoons van Earls, voor leden van den Privy Council, den Speaker van het House of Commons, den Lord Chancellor, de Lord Chief Justices, en den Lord Chief Baron; voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den Lord-Provost van Edinburgh, zoolang zij in functie zijn; —-lined = rechtlijnig; —-minded(ness) = rechtgeaard(heid); —eous, raitšəs, rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk; —eousness = rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan Christus; —er: Women’s —er = kampioen voor vrouwenrechten; —ful = rechtvaardig, rechtmatig: He is the —ful heir = de rechtmatige erfgenaam; subst. —fulness; —ly = terecht, precies: You —ly refused to accompany him = hebt terecht geweigerd.

Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: — dirigible = bestuurbare ballon van het stijve stelsel; — examinations = strenge; subst. —idity = —ness.

Riglet, riglət, lijstje; filet.

Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.

Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs, (ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. —ness; Rigour, rigə, strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.

Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.

Rile, rail, “het land” opjagen.

Rill, ril, subst. beekje; — verb. vlieten; —et = klein beekje.

Rily, raili, uit zijn humeur, boos.

Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); — verb. van een rand, etc. voorzien: Her eyes were —med round with weeping = zij had randen om de oogen van.

Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); — verb. tot rijp doen bevriezen; —-frosted = berijpt.

Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity, raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.

Rimple, rimp’l, subst. rimpel; — verb. rimpelen.

Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.

Rind, raind, subst. schors, huid, schil; — verb. schillen: Cheese —, Pork —s; —less.

Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).

Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank, stel harmonische klokken; — verb. omringen, van een ring voorzien, een kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen klinken of weergalmen: The — = onafgebroken keten van rijtuigen in Hydepark; kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij; There is a — in his voice which gains your sympathy = eigenaardige toon of klank; There’s a — = er wordt gebeld; To blow —s = kringetjes (rook) blazen; To be trained to the — = voor het circus opgeleid; Swinging-—s = ringen (gymn.); He rang the changes on her praise = prees haar op alle manieren; The bells rang out the old year and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I rang up the chemist = belde op (per telefoon); The curtain was rung up for the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; To — up a (forgotten) letter = in herinnering brengen; The house rang with merriment = vroolijkheid weerklonk door het huis; —-bolt = ringbout; —-dove = ringduif; —-dropper = kwartjesvinder; —-finger = ringvinger; —-formed = ringvormig; —-leader = belhamel; —-mail = maliënkolder; —-master = pikeur (van een circus); —-streaked = met ringen gestreept; —-tailed = met kringen op den staart; —-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.); —er = klokkenluider; —ing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend, welluidend: It is still —ing in my ears = het tuit me nog in de ooren; —let = ringetje, krulletje.

Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het rijden op rolschaatsen; — verb. rijden in een Rink: Skating-—.

Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.

Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; — verb. oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols): The — Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met verwijzing naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a — = herrie schoppen; To run — (Zie Run); —er = zwelger, oproermaker; —ous, raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. —ousness = —ry.

Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet, waardeloos iets, knol, snoepreisje; — verb. openrijten, lostornen, losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ — to America = uitstapje; Don’t — up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen oude wonden open; —per = tornmesje; iets uitstekends: She is a —per = eene aardige, kranige meid; Jack the —per = een berucht vrouwenmoordenaar; A —ping little girl = flinke, bovenste beste, kranige meid.

Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.

Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: — wants = dringende behoeften; He is — for the madhouse = rijp voor; —n = rijp worden of maken; subst. —ness.

Ripon, rip’n.

Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.

Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen; — verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a — in it; It excited —s of interest = teekenen v. belangstelling; The rippling of the waves = het kabbelen der golven; —-marks = indrukken van de wijkende golven op het strand; The beach was —-marked = het strand had overal de indrukken der golven.

Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.

Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing, verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering; — verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen, toenemen: The — of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl. republiek; That gave — to many cordial greetings = gaf aanleiding tot; The Rhine takes its — in Switzerland = ontspringt in; I took (got) a — out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem belachelijk gemaakt; The water is on the — = aan het opkomen; Each epithet rose above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier; The House rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The company rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in arms = vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief zich; The colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He rose to the occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen; He would not — to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The words Plenty, Abundance and Exuberance — upon each other in expressing the idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens sterker uitgedrukt door; —r: I am not an early —r = niet matineus; Rising, subst. opstaan, opstand, opgang, gezwel; adj. opgaande, opkomend, toenemend, aanzwellend: The — of Lazarus = de opwekking van L.; The — generation = het opkomend geslacht; They adore (worship) the — (risen) sun = zij aanbidden de opgaande zon.

Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk, lachwekkend; tot lachen geneigd.

Risk, risk, subst. gevaar, risico; — verb. wagen, in de waagschaal stellen: He did it at the — of his life = met gevaar van eigen leven; I won’t run the (a) — = wil mij daaraan niet blootstellen; You are subject to the —s = moet de risico dragen; —er; —y = gevaarlijk, gewaagd: A —y experiment = gewaagde proefneming.

Risorial, raisôriəl: — muscle = lachspier.

Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst. rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat —ly prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist = voorstander van de richting der High Church; kenner der kerkgebruiken; adj. Ritualistic.

Rivage, rividž, oever, kust.

Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend, concurreerend; — verb. mededingen, wedijveren: He was my — for that place = mededinger; —ry = —ship = medeminnaarschap, wedijver.

Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by (with) lightning = door den bliksem gespleten; —r.

River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the — = de rivier af, op; In (On) the — = op de rivier; The —s = Delta van den Niger, het Niger-coast Protectorate; —-basin = stroomgebied; —-bed, —-channel = bedding eener rivier; —-craft = riviervaartuigen; —-driver = vlotter (Amer.); —-god = stroomgod; —-hog = Z. Amer. waterzwijn; —-head = bron; —-horse = nijlpaard; —-side = oever.

Rivers, rivəz.

Rivet, rivət, subst. klinknagel; — verb. vastklinken, strak richten op (to, on), diep inprenten: It remains —ed in my mind for ever = staat in mijne ziel gegrift; He was —ed to that post = hij zat er vast aan (kon er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the —er = het werk van den vastklinker, den klinkhamer.

Riviera, rivjêrə.

Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.

Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.

Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).

Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a — = zoo gezond als een visch.

Road, roud, weg, reis, reede: To be in the —(s) = op de reede liggen; I am off my — = verdwaald; He was on the — to Vienna = op reis naar; There is no royal — to learning = de weg naar de wetenschap is vol moeilijkheden; I have lost my — = ben verdwaald; To put a person on the right — to = den weg wijzen naar; He has taken to the — = struikroover geworden; —-agent = tolgaarder; roover (Am.); —-bed = grondlaag v. weg of spoor; —-book = gids voor steden, wegen en afstanden; —-hog = onbesuisd fietsrijder; —man = —-mender = wegwerker; —-metal = steenen voor macadamwegen; He was sitting by (on) the —side = zat aan den weg; —stead = reede; —ster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip (op de reede), soort fiets; —way = straatweg, bereden gedeelte van een brug.

Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I —ed the streets of the city aimlessly = zwierf doelloos door; —er.

Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of ijzergrauw.

Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; — verb. brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen: To keep the company in a — = aan het schateren; He set the company in (on) a — = deed schateren van lachen; The whole company set up a — = begon te brullen van lachen; —er = bruisende golf, luid aanslaande hond, aamborstig paard; He has a —ing business (trade) = eene woest-drukke zaak.

Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; — verb. braden, branden; voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the — (roost) = hij is de baas, beheerscht alles; — beef, goose, etc.; —er; —ing-jack = toestel waarin het spit draait.

Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He —bed me of my gold watch = ontstal mij; —ber = roover, dief; —bery = rooverij, diefstal.

Rob, rob, gelei, conserf.

Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; — verb. kleeden, in een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long — = advocaten of getabberden; Master, Mistress of the — = titel van een hofbeambte, of hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They follow the — as a profession = zijn bij de magistratuur; —s of office = ambtsgewaad; In — and crown the king appeared; I have seen him in his —s in the House of Lords = in zijn pairsmantel gezien.

Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n; Robinson, robins’n.

Robin, robin, Robert; roodborstje; —-Good-fellow = goedige kabouter; —-redbreast = roodborstje; Round — = petitie met de handteek. in een cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend heeft: That beats the round — = dat is wat al te erg, al te brutaal.

Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).

Roburite, robjurait, roburiet.

Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. —ness.

Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: —’s egg = iets fabelachtigs.

Rocambole, rok’mboul, slangelook.

Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.

Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.

Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schommel, spinnewiel; — verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the —s (fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a — = zich aan gevaar blootstellen; —-alum = aluinsteen; —away = een bepaalde Amer. wagen; —-bound = door rotsen omsloten; —-cork = bergkurk; —-crystal = bergkristal; —-oil = steenolie, petroleum; —-pigeon = klipduif; —-ruby = robijn-roode granaat; —-salt = klipzout: —-snake = tijgerpython; —-soap = bergzeep; —-staff = blaasbalgstok; —-wood = houtasbest; —-work = rotswerk; —er = wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; —ery = rotswerk (in tuinen, etc.); —iness = rotsachtigheid; —ing-chair = schommelstoel; —ing-horse = hobbelpaard; —ing-stone = schommelsteen; —y = rotsachtig, hard als een rots.

Rockefeller, rokfelə.

Rocket, rokət, vuurpijl; — verb. als een pijl opvliegen: To let off a — = oplaten; To — about (on a horse) = rijden, wippen.

Rockies = Rocky Mountains (Amer.).

Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).

Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting, scepter, takje: I have a — in pickle for you = ik heb voor u wat in het vat; Black — = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf waaraan hij zijn naam ontleent; —-fishing = hengelen.

Rode, roud, imperf. van to ride.

Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political — = oude rot (fig.).

Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.

Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted the Jolly — = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones and skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).

Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).