Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 127
Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To win the — = winnen bij het opgooien; To — the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting; To — pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not — away the image of his love = van zich afzetten; I —ed it in my mind = overlegde het; We —ed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; — off your glass = sla’m eens om; We will — up for it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To — up the head = het hoofd in den nek gooien; —-up = risico, onzekerheid: It is a regular —-up = ’t hangt geheel van het toeval af; —-pot = zuiplap; The ship was tempest-—ed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; —er; Tossy = trotsch, met het hoofd in den nek.
Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in a — of rum = met een glaasje rum.
Tot, tot, som, post; — verb. optellen: The Highlander knows how to — you up a high bill = weet te rekenen; To — up profits and losses.
Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; — verb. gezamenlijk bedragen: Their number —s 20.000; —-abstinence = geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; —r = totalisator.
Tote, tout, het geheel (The whole —); dragen (Amer.): You must — fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; —-load = vracht.
Totem, tout’m, totem; —-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken totem als familiewapen; —ic, tətemik, tot een totem behoorende; —ism = gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.
Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.
Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the —ing and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; —y = bevend, waggelend.
Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.
Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; —-headed = lichtzinnig.
Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag (van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk, toespeling, een ietsje, etc.; — verb. aanraken, raken, reiken tot, bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven, aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen; bedriegen (Austr.), etc.: To be in — with = voeling houden met; He came into — with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) — with = voeling krijgen met; I have found — of my fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing — = heb de laatste hand gelegd; You must keep in — with us = moet voeling met ons houden; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; He has a — of the gout = aanval van jicht; “No,” he said, with a — of temper = eenigszins geraakt; It was —-and-go = het was op het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the — = op het gevoel; He would — no food = niet aanraken; Shall we — glasses = eens klinken; That does not — the question = raakt; To — the (— on the tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We —ed the wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can — him = bij hem halen; It —ed me to the quick = trof mij diep; It —es you more than any of us = raakt u meer; The ship —ed = stootte; We sighted an island, but did not — at it = deden het niet aan; Two of the characters were excellently —ed in = uitmuntend geschetst; We will — of that next time = behandelen; To — off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just — on it = het even aanroeren; We shall — it up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; —-hole = zundgat; —-me-not = kruidje-roer-me-niet; —-needle = toetsnaald, proefnaald; —-pan = kruitpan; —-paper = met salpeter gedrenkt en als lont gebruikt papier; —stone = toetssteen: Irish —stone = basalt van den Giant’s Causeway; —wood = zwam; —able = raak- of voelbaar; subst. —ableness; I can do it in four minutes, as near as a —er = op den kop af; A near —er = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.
Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent, vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is — = kras; He is a — customer = laat niet los; I had a — time with Pa = had heel wat met Pa te stellen; That is a — piece of work = moeilijk werk; —en = taai worden of maken; —ish = ietwat taai; —ness = taaiheid.
Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.
Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; — verb. een rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: — ticket = rondreisbiljet.
Tournament, tûənəment. Zie Tourney.
Tournay, tûənei, Doornik.
Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.
Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.
Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.
Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.
Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen geoefend wordende paarden; — verb. spionneeren, beloeren, klanten lokken: A money-lender’s — = de handlanger van een geldschieter; What can be got by —ing among the critics is not worth the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen; To — for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; —er = Tout.
Tow, tou, sleeptouw; — verb. boegseeren, sleepen: To take in — = op sleeptouw nemen (ook fig.); —boat = sleepboot; —-car = volgwagen (tram); —-line = sleeplijn = —-rope; —age, touidž, het sleepen, sleeploon; —ing-path = jaagpad; —ing-vessel = sleepboot.
Tow, tou, werk, touw; —-cloth = paklinnen; —-head = vlaskop; adj. —-headed.
Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A battle is — = op til; What is —? = wat is er aan de hand; —(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. —ly; Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.
Towcester, taustə.
Towel, tauəl, handdoek, doek; — verb. afwrijven, ranselen: Oaken — = knuppel; —-horse = rekje; —ling = linnen voor handdoeken, pak ransel.
Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; — verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: — of silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; —-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion; —ing = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: —ing rage.
Town, taun, subst. stad: — and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; He is a man about — = roué, viveur, iemand, die veel uitgaat; A man on — = een “city”-man; A girl of the — = prostituée; — clerk = gemeente-secretaris en archivaris; — council = gemeenteraad; — councillor = gemeenteraadslid; —crier = stadsomroeper; —hall = gemeentehuis, raadhuis; —house = raadhuis, huis “in stad”; —land = land nabij eene stad; —-major = plaatscommandant; —-talk = praatje van de stad; — traveller = stadsreiziger; —-wall = stadsmuur; —sfolk = stedelingen; —sman = stadgenoot, stedeling; —speople = stedelingen; —ship = gemeente, stadsgebied.
Townshend, taunz’nd.
Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).
Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l, toxicologisch; Toxicology = toxicologie.
Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende.
Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; — verb. dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; —-book = prentenboek; —-box = speelgoeddoos; —-dog = schoothondje; —-drum = kindertrom; —man = speelgoedkoopman; —-pistol = kinderpistooltje; —-shop = speelgoedwinkel; — tea-things = kinderserviesje; —-trade = speelgoedhandel; —-watch.
Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine hoeveelheid; — verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick over the —s = uit den band slaan; —ability, subst. v. —able = naspeurbaar, vervolgbaar: —able to temporary conditions = terug te brengen tot; subst. —ableness; —less = spoorloos; Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.
Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. —l; Trachitis, trəkaitis, luchtpijpontsteking.
Tracing, treisiŋ: —-paper = calqueerpapier.
Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan, spoorlijn, zeegat; — verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle — = wielerbaan; Double — = dubbel spoor; He followed in your — = drukte uwe voetstappen; The carriage left the — = dérailleerde; The old gentleman has made —s = is er haastig vandoor gegaan; The — and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We —ed the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was —ed down = werd opgespoord; —-road = jaagpad; —-rope = jaaglijn; —age = het boegseeren of trekken; —er = speurhond; —less = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. —lessness.
Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, tractaatje.
Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar, volgzaam, leerzaam; subst. —ness.
Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41); adj. tot de High Church-beweging behoorende; —ism = de herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.
Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric — = electr. trek- of beweegkracht; —-engine = niet op rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.
Tracy, treisi, Treesje.
Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; — verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The — = handel in sterke dranken; Domestic (Inland, Home) —; Foreign —; To do a roaring — = drukke zaken doen; He follows the — of a smith = is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her — = bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a — never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will — this for something better = verruilen, verhandelen; You have —d on me = mij geëxploiteerd; This country —s to Turkey = drijft handel met Turkije; I will — watches with you = met u ruilen; —-card = adreskaart; —-guild = handelsgilde; —-list = prijscourant; —-mark = handelsmerk; —-price = engrosprijs; slijtersprijs; —-winds = passaatwinden; —’s-folk (= —s-people) = neringdoenden; —sman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier, handwerksman; —(s)-union = vakvereeniging; —(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: —-vessel; The —-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en Verliesrekening.
Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. —al; —alism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; —ary = —al.
Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. —ment; —r.
Trafalgar, trəfalgə.
Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; — verb. (ruil)handel drijven, omzetten: Carrying — = goederendienst; Vehicular — = rijtuigverkeer = Wheeled —; — in white slaves = blanke-slavinnenhandel; —-manager = chef van den goederendienst; Trafficker = handelaar.
Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.
Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne, tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj. Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al) = tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.
Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.
Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen); — verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a — = commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She —ed off into a howl = hief een langgerekt gejammer aan; —-net = sleepnet; —er = kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant = —ing-plant.
Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep, staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val, krijgslist; — verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen, richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-—, Up-— = afgaande, opkomende trein; Freight —; Goods —; — of Artillery = artillerie-trein; The — of his thoughts, of thought = gang; Everything is in — = in gang; He left the town on a regular — = met een gewonen trein (Amer.); The gun was —ed = het kanon werd gericht; He was —ed up for it = er voor opgeleid; —-band (—ed band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps; —-bearer = sleepdrager; —-oil = traan(olie); —-road = hulpspoorweg; —-service = spoorweg-postdienst; —able = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; —ed dresses = sleepjaponnen; —ed nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; —-course = cursus; —-school = kweekschool; —-ship = oefeningsschip, opleidingsschip.
Traipse, treips; zie Trapes.
Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.
Traitor, treitə, verrader; —ous = verraderlijk; subst. —ousness; Traitress, treitrəs, verraderes.
Trajan, treidž’n, Trajanus.
Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje; ook verb.: To — it = trammen; —-car; —-line = tramweg; —road = tramweg = —way; —way-car = tramwagen.
Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).
Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; — verb. belemmeren, beperken, boeien; —-net = sleepnet.
Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: —-wind, noordenwind in de Middellandsche Zee.
Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip dat “op avontuur” vaart (—-steamer); — verb. (ver)trappen, stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the — = den boer op gaan; —-colony = bedelaarskolonie; —er = landlooper, rondzwerver.
Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; — verb. vertreden, vertrappen, trappelen: To — under one’s feet (under foot) = met voeten treden (fig.); —r.
Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).
Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood; — verb. = Entrance; To lie in a —.
Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a — = geen lor waard.
Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; —lity, traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = —ness; —lization, subst. v. —lize = tot bedaren brengen, kalmeeren; —lizer.
Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To — business with = zaken doen met; He —ed with his political convictions = transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel: —s of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch Genootschap; During these —s = middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.
Transalpine, transalpain, transalpijnsch.
Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.
Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; —ence, —ency = voortreffelijkheid; —ent = zeer voortreffelijk, transcendentaal = —ental, trans’ndent’l; —entalism, trans’ndentəlizm.
Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; —r = copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.
Transept, transept, kruisvleugel.
Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing, overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; —-paper = overdrukpapier.
Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken; —ability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. —able, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; —ee, transfərî, wien iets overgedragen wordt; —ence, transfərens, overdracht; —rer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.
Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9), feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.
Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood —ed = als aan den grond genageld.
Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen, herleiden; —able = veranderbaar, herleidbaar; —ation, transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming: —ation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan; —ative = vervormend; —ator = —er = transformator.
Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed, zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion, transfjûž’n, overgieting, etc.
Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen; —ion = overtreding, schennis; —ive = zondig; —or = overtreder, zondaar.
Tranship, tranšip, overladen; —ment = overlading.
Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. —ness.
Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg: They went there to observe the — of Venus; — goods; Permit of — = geleibiljet; To pass in — = transiteeren; —-duty = transitorecht; —-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj. —al = overgangs...; Transitive = overgaande, overgankelijk; subst. —ness; Transitoriness, subst. v. Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.
Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A —d saint = weggenomen (Hebr. 11, 5); —d with devotion = in aanbidding verzonken; What will the duke say? = The duke be —d = die moge “weggenomen worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging, overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator, schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.
Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; subst. Transliteration.
Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent, transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.
Transmarine, transmərîn, overzeesch.
Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n, (ziels)verhuizing = — of souls.
Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible, transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission, transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas), geleiding, overerving: —-business = expeditiezaak; Transmit, transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.; Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter, overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.
Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable, transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. —ness; Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute, transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat verandert.
Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.
Transom, trans’m, dwarsbalk: —-window = raam met dwarsbalk.
Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid, transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; subst. —ness.
Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration, transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.
Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; —ation = verplanting, overbrenging; —er = verplanter.
Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking, vervoering; —-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden werden overgebracht.
Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten, meesleepen, verrukken: Faith —s mountains = het geloof verzet bergen; He was —ed for life = werd gedeporteerd; —ed with joy = vervoerd van vreugde; —ability = vervoerbaarheid, etc.; adj. —able; —ation = vervoer, overbrenging, etc.; —er = wie vervoert; —ing = verrukkend, bekorend.
Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz, verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition, transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. —al.
Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus.
Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd, doorsijpelen, doorzweeten.
Transvaal, transvâl.
Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal; adj. dwars, diagonaal, transversaal.
Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; —n, subst. en adj. (bewoner) van Z.
Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje, soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; — verb. in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-— = klem, voetangel; —s = bagage, goederen, “spullen”; —-door = valdeur; —-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest); —-tufa, —-tuff = vulcanische tufsteen; —-valve = valklep; —per = pelsdierjager, wagenpaard; —piness, subst. v. —py; —pings, trapiŋz, paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; —py = slim, verraderlijk.
Trapan, trəpan, subst. strik; — verb. verstrikken: —ner of souls = zielverkooper.
Trapes, treips, subst. slons; — verb. rondloopen, vagebondeeren: I won’t be —ing in the mud.
Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.
Trappist, trapist, Trappist.
Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen, geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); — verb. snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white — = naam door negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; —iness, subst. v. —y = nietswaardig, prullerig.
Trass, tras, tras.
Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond ...
Travail, travəl, subst. arbeid: —s = barensweeën; — verb. zwoegen, in barensnood zijn.
Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.
Travel, trav’l, subst. het reizen (—s = (ontdekkings)reizen, reisverhalen); — verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven, verdwijnen, heen en weer gaan: To — out of the record = afdwalen (fig.); —led = bereisd, ervaren, erratisch: The far —led princess = die een verre reis had gedaan; A much —led man, road; Traveller = reiziger: To tip the — = opsnijden; —’s-joy = clematis, heggeboschdruif; Travelling: — instructors = wandelleeraren.
Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar; Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang, wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; — verb. ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen (loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; —-sailing = koppelkoers; Traverser = beugel, schuifring.
Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; — verb. parodieeren: The trial degenerated into a — of justice = eene parodie op.
Travis, travis. Zie Trave.
Trawl, trôl, subst. sleepnet (= —net); — verb. met een sleepnet visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.
Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; —-cloth = kleedje onder theeblad.
Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. —ness = Treachery, tretšəri, verraad, trouweloosheid.
Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; —-stick = strooppil; adj. Treacly.