Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 74
Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. —ata), miasma; —atic(al) = miasmen bevattend: — fever = malaria.
Miaul, miôl, miaul, miauwen.
Mica, maikə, mica; —ceous, maikeišəs, van of als mica, mica...
Micah, maika; Micawber, mikôbə.
Mice, mais, meervoud van mouse.
Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: —-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = — Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).
Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; —er.
Michigan, mišigən.
Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a — = veel kleintjes maken een groote.
Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.
Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. —ic(al), maikrəkozmik(’l).
Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst. Micrometry.
Micron, maikron, micron.
Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.
Microphone, maikrəfoun, microphoon.
Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al); Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.
Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: —-air = tusschen hemel en aarde; —day = middag, subst. en adj.; —land = (in het) binnenland: The —lands = midden Engeland; The —land railway = de centraalspoor; — Lent = het midden van de vasten; —most = middelste; —night, subst. middernacht(elijk): He burns the —night oil = werkt tot diep in den nacht; —riff = middenrif; —shipman of —shipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); —-ships = midscheeps; —stream = midden van de stroom; —summer = hartje v. d. zomer (21 Juni): —summer-day = St. Jan (24 Juni); —summer-eve = 23 Juni; —way, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; —winter = het hartje van den winter (21 December); —dy = —shipman; —st = midden: In the —st of.
Midden, mid’n, mesthoop.
Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam), tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen beiden, middelmatig: A clever — for an evening paper; — Ages = Middeleeuwen; — course = middenweg; — English = ’t Engelsch van ± 1150–1500; — finger; Above, Under (the) — height; — life = middenstand; — term = middenterm; Barely in —-age = van middelbaren leeftijd; —-aged people = menschen van middelbaren leeftijd; —-class = burgerklasse; Upper —-classes = deftige burgerstand; —-class school = Burgerschool; —man = agent, tusschenpersoon; —most = middenste; —-sized.
Middleburgh, mid’lbɐ̂g.
Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; —s = met zemelen vermengd meel (veevoeder).
Midge, midž, mug; dwerg = —t.
Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; — verb. verlosk. bijstand verleenen; —ry, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of —ry.
Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.
Miff, mif, verdrietig, droevig; — verb. verdrietig zijn.
Might, mait, imperf. van may: As best he — = zoo goed en zoo kwaad hij kon; He wept and well he — = en daar had hij wel reden voor.
Might, mait, macht, kracht: With — and main = uit alle macht; — is above right (— overcomes right) = macht gaat boven recht; —iness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High —inesses = Hunne Hoogmogenden; —y = machtig, groot, sterk: A —y swell = een groote banjer.
Mignonette, minjənet, reseda.
Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend, verhuizend, nomadisch = Migratory: — birds = trekvogels; — life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst. Migration.
Mikado, mikâdou, keizer van Japan.
Mike, maik.
Milan, milən, milan, Milaan; —ese, milənîz, milənîs, Milanees, Milaneesch.
Milch, milš, melkgevend: — cow = melkkoe (ook fig.); —y = melkgevend.
Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: — ale = licht bier; A — answer = vriendelijk antwoord; — and strong cigars; With — pique = eenigszins gepiqueerd; A — pun = flauwe; The dog is as — as milk = doodgoed; —-spirited (—-tempered) = zachtaardig; —-spoken = vriendelijk; To put it —ly = om het zacht te zeggen; subst. —ness.
Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; — verb. beschimmelen, met meeldauw bedekt worden; —y = bedorven, beschimmeld.
Mile, mail, mijl (1609 meter); —-mark (—-post) = mijlpaal; —stone = mijlsteen: I have passed some black —stones = heb het vaak hard te verduren gehad; —age, mailidž, afstand in —s; uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten —r = een marsch van 10 mijl.
Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van Milete, Iersch.
Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.
Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.
Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend, strijdlustig: The Church —.
Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.
Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv. militairen: — Academy; — chest = oorlogskas; — code; He is a — man = militair; I am not a — man = anti-militair; — officer = officier van de landmacht; — school; — service; — stores = krijgsvoorraad.
Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover, strijden tegen.
Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land and the marine —; To serve in the —; —man.
Milk, milk, subst. melk, zog, sap; — verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt — = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mother’s —; To — the pigeon = monnikenwerk doen; To — the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen; —-and-water(y) = melk en water ..., flauw, sentimenteel; —-can; —-cure; —-farm; —-fever = zogkoorts; —-gauge = galactometer; —-glass = melkglas; —-jug; —-livered = laf; —maid; —man = melkboer; —-pail; —-punch = rum met melk, suiker en muskaat; —-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; — Standard Act = wet tegen melkvervalsching; —-strainer = zeef; —-sugar; —-tooth = melktand; —-walk = wijk van één melkboer; —-woman; —er = melker; melkkoe = —ing-cow; —ing-time; —y = melkachtig: The —y Way = melkweg.
Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht, rekenpenning (1⁄10 v. een Am. cent); — verb. malen, kartelen, vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your — = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the — = door ervaring leeren; He has been through the — = hij weet er alles van; Oil —; Saw —; St. Stephen’s — = het Parlement; Wind —; —-brook = molenbeek; —-clack, —-clapper = molenklapper; —-cog = tand (molenrad); —-dam = molendam; —-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; —-head = water vóór den molen; —-owner = fabrikant; —-pond = molenvijver: As quiet as a —-pond; —-race = molentocht; —-sail = molenzeil; —-stone = molensteen; To get between the upper and the nether —-stone = tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a —-stone = hij is scherpzinnig; —-tail = waterstroom uit een molen; —wright = molenmaker; —er = molenaar: There are many cases of drowning the —er in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze classieken; —er’s fee (toll) = maalgeld; —ing = het malen, kartelen (van muntranden).
Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; —ism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst. millennium: The — of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.
Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller, varkentje).
Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist, Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte.
Millesimal, milesiməl, duizendste deel.
Millet, milət, gierst.
Milliard, miljəd, duizend millioen.
Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.
Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; —y = (zaak in) modeartikelen; kostuumnaaien.
Million, milj’n, millioen: Two thousand —s of money; The — = de groote hoop, het groote publiek; —aire, milj’nêə, millionair; —ary = uit millioenen bestaande; —th = millioenste.
Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.
Milnes, milz; Milo, mailou.
Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).
Milsey, milsi, melkzeef.
Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); — verb. bevruchten, kuit schieten; —er = hommer.
Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.
Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen), gebarenspeler; — verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and make them — as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; —tic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; — verb. nabootsen: — warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van dieren).
Mimosa, m(a)imousə, mimosa.
Mimsey, mimzi, maatje.
Minaret, minəret, minaret.
Minatory, minətəri, dreigend.
Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met kleine pasjes): He doesn’t — matters = neemt geen blaadje voor zijn mond; She —s her words = spreekt erg gemaakt; To — one’s steps = trippelen; —-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into — (To make — of) = in de pan hakken (milit.); —-pie = eene met —-meat gevulde pastei; —r = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.
Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg, meening; — verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van zins zijn: Absence of — = verstrooidheid; Presence of — = tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right — = bij zijn volle verstand zijn; To be of one — = eenstemmig zijn; To be in two (several) —s = weifelen; To be out of one’s — (of unsettled —) = niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in — = bedenken; To bring (call) to — = te binnen roepen, zich herinneren; It came into my — = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s — = te binnen schieten; To feel in half a — = half van plan (geneigd) zijn; To have a great — = veel lust hebben; To have no — = geen lust hebben; To have all the — in the world = allemachtig veel trek hebben; To keep in — of = herinneren aan; He does not know his own — = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s — = besluiten; Make up your — for it = bereid er je op voor; I will put you in — of it = je er aan herinneren; He has set his — upon it = zijn zinnen er opgezet; Speak your — = zeg wat je op het hart ligt, spreek ronduit; Out of sight, out of — = uit het oog, uit het hart; The house has stood there time out of — = sedert onheugelijke tijden; To my — = naar mijn meening; So many men so many —s = zooveel hoofden, zooveel zinnen; — you! = denk er om! Never — = het kan niet schelen; — your own business = bemoei je met je eigen zaken; To — a child = passen op; To — the door = om de deur denken, op het huis passen; — your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not — going there now = zou er nu wel heen willen; — your P’s and Q’s = pas op je tellen; —-reading = gedachtenlezen; —-wandering = ijlen; —ed = geneigd, gezind: He was —ed to end the matter = van plan; If you are (so) —ed = als ge er zin in hebt; —ful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be —ful of your health = denk om; subst. —fulness; —less of everything = op (om) niets lettende (denkende).
Mine, main, van mij: This book is —; A friend of — = een mijner vrienden; — host = de waard.
Mine, main, subst. mijn, rijke bron; — verb. ondermijnen (ook fig.); uitgraven, graven naar: A gold —; —-captain = mijnopzichter; —r = mijnwerker, mineur.
Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: — kingdom = delfstoffenrijk; — oil; — salt = mineraalzout; — spring; — waters = minerale bronnen of wateren; —ization, subst. v. —ize = versteenen, mineraliseeren; —ogic, minərəlodžik; mineralogisch; —ogist, minəralədžist, delfstofkundige; —ogy, minəralədži, mineralogie.
Minerva, minɐ̂və, Minerva: — press = een vroegere drukkerij in Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.
Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.
Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.
Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op kleine schaal: — painter.
Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.
Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.
Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld; lieveling.
Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram; halve noot; —s = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal; —ization, subst. v. —ize = verkleinen, verbloemen: Let us not —ize the danger of our situation; —um = minimum.
Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: —-academy; —-shares (—-stocks) = mijn waarden.
Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: —s of the moon = roovers, dieven.
Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig (fig.); predikant (bij de dissenters); — verb. voorzien van, verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam zijn, geneesmiddelen geven: — of the Colonies; — of Finance; — of Foreign Affairs; — of the Interior = M. van Binn. Zaken; — of War; Prime — = minister-president; He —ed to me in those days = verzorgde mij; —ial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; —ialist = regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration = dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner was offered his — = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.
Minium, minj’m, roode menie.
Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.
Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.
Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst. minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): — key = mineur (muz.); — poets; — premiss, deze bevat den — term = het subject v. de conclusie; — third = kleine terts; Asia — = Klein-Azië; —ite, mainərait, Franciskaner; —ity, m(a)inoriti, minderheid, minderjarigheid.
Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.
Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.
Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro —); —sy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.
Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); — verb. munten, slaan, smeden: Master of the — = muntmeester; A — of money = een “bom” duiten; The — and cummin of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); —-drops = pepermuntjes; —-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; —-sauce = kruizemuntsaus; —age, mintidž, het gemunte, muntrecht.
Minuend, minjuənd, aftrektal.
Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a — = een menuet dansen.
Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.
Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.
Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (= —s); ook adj.; — verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen schrijven van: To keep the —s; —-book = klad- of notulenboek; —-glass = zandglas (van ééne minuut duur); —-gun = minuutschot; —-hand = minuutwijzer.
Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. —ness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.
Minx, miŋks, brutale meid.
Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a — = wonderbaarlijk; To work —s = doen; Faith works —s; —-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. —ness.
Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.
Mire, maiə, subst. slijk, modder; — verb. bemodderen, in den modder zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the — = in den klem zitten; To drag into the — = door het slijk halen (fig.); —-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.
Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; — verb. terugkaatsen: Dutch —s = spionnetjes; Halls of —s = spiegelzalen.
Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. —ful; subst. —fulness.
Miry, mairi, modderig.
Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.
Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.
Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied, misəlaid, verkeerd vereenigd.
Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al), misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater; Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.
Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd toepassen.
Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.
Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst. Misapprehension.
Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst. Misappropriation.
Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. —ment.
Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam.
Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.
Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.
Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour, misbiheivjə, wangedrag.
Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.
Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst. Miscalculation.
Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.
Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam: A gross — of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te onrechter tijd woordspelingen.
Miscast, miskâst, subst. misrekening; — verb. misrekenen, verkeerd berekenen.
Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.
Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door elkaar, verscheiden; subst. —ness; Miscellanist, misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.
Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; — verb. ongelukkig gebeuren.
Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht, schade, nadeel: The boys are never out of — = voeren altijd wat uit; He is bent on — = hij voert wat in zijn schild; Out of pure — = uit moedwil; To do — = ondeugend zijn; To get into — = kattekwaad uitvoeren; To lead into — = verleiden tot kwaad doen; To make — = onheil stichten; He means — = voert wat in het schild; There will be the — to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the — is your little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very — = als dol; He is a —-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A —-making fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs, boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst. —ness.
Miscible, misib’l, vermengbaar.
Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.
Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling.
Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.
Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To — oneself = zich slecht gedragen.
Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; — verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.
Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging; Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.
Miscount, miskaunt, subst. misrekening; — verb. verkeerd tellen of rekenen.
Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.
Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); — verb. misstooten.
Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; — verb. verkeerd dateeren.
Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); — verb. verkeerd geven: To make a —.
Misdeed, misdîd, misdaad.
Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.
Misdemean, misdimîn: To — oneself = zich slecht gedragen; —ant = misdadiger; —our, wangedrag, misdrijf.
Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst. —ion.
Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; —er; —ing = vergrijp, misdaad.
Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst. —ment.
Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.
Miser, maizə, vrek.
Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: The —s = katterigheid; subst. —ness.
Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; — verb. drek braken: — Day = Aschwoensdag.
Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.
Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke bevoegdheid.
Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; — verb. niet passen: This coat is a —; A — suit.
Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.
Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): —s never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.
Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind) misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel, twijfel.
Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. —ment = wanbeheer, wanbestuur.
Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden, op een dwaalspoor brengen.
Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a —.
Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.
Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M. behoorende.
Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.
Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. —ation; —er.
Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.
Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. —ation; —er.
Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.
Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. —ment.
Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or, rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes; —er.
Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; —er.
Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. een afkeer hebben, mishagen.
Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. —ment; —r.
Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.
Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.
Misname, misneim, verkeerd noemen.
Misnia, mizniə, Meiszen; adj. —n.
Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.
Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater; Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.
Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. —ment.
Misprint, misprint, drukfout; — verb. verkeerd drukken.
Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: — of felony = verzuim de misdaad te vervolgen; — of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.
Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.
Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst. Mispronunciation.
Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.
Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen.
Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I — not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.
Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; — verb. onjuist berichten.
Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst. —ation; —er.
Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; — verb. verkeerd besturen.