Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 107
Send, send, subst. beweging der golven; — verb. zenden, verzenden, werpen, schieten, voortplanten, etc.: Born on the — of the sea = op de bewegelijke golven; This sent him mad = maakte hem razend; God — that all may be right = God geve dat; They sent the hat round = collecteerden; I will — you word as soon as I know it = bericht zenden; I have sent him about his business = ik heb hem de laan uitgestuurd (= I have sent him packing); They have sent for him = He was sent for = er werd om hem gestuurd; Will you — the servant for cigars? = de meid sigaren laten halen; He sent forth light tobacco-clouds = dampte uit; To — in = inzenden; I sent in (up) my name = liet me aandienen; To — off = wegzenden, expedieeren; You will have a good —-off = we zullen je een “zetje” geven; een afscheidsfuif geven; They gave him a —-off = deden hem uitgeleide; We have sent him to Coventry = wij hebben hem dood verklaard; He was sent to Botany Bay = hij werd naar de strafkolonie gezonden; To — up = opzenden, naar den directeur zenden, omhoog drijven, zich aangeven (for examination); This measure sent up the price = deed stijgen; —er.
Sendal, send’l, lichte, dunne zijde.
Seneca, senəkə; Senegal, senəgôl, senəgəl: — gum; Senegambia, senəgambiə.
Senescence, sines’ns, veroudering; adj. Senescent.
Seneschal, senəš’l, hofmeester, ceremoniemeester, baljuw; —ship.
Sengreen, sengrîn, huislook.
Senile, sîn(a)il, den ouden dag eigen; Senility, siniliti, ouderdom.
Senior, sîniə, subst. oudere of hoogere in rang, chef, primus; adj. ouder, oudste, hooger in rang: He is my — by four years = vier jaar ouder; — clerk = eerste klerk; — counsel = voornaamste raadsman in eene rechtszaak; Seniority, sînioriti, voorrang of superioriteit door rang, diensttijd: To be promoted by — = volgens ancienniteit.
Senna, senə, senebladeren.
Sennight, sen(a)it, acht dagen; This day — (ago) = vandaag voor eene week; This day — (to come) = vandaag over eene week.
Sennit, senit, platting (scheepst.).
Sensate, sensit, met de zinnen waargenomen; Sensation, sənseiš’n, gewaarwording, gevoel, aandoening, sensatie: It caused quite a — = bracht heel wat opschudding teweeg, baarde heel wat opzien; Sensational, senseišən’l, gevoels...; sensationeel: — novels = sensatie-romans; —ism = opgewonden taal of geschrijf; leer dat de kennis het resultaat van zinnelijke indrukken en gewaarwordingen is.
Sense, sens, zin, gevoel (of = voor), gewaarwording; begrip, besef, rede, oordeel, meening, beteekenis: The eye of — = het zinnelijk oog; Common — = gezond verstand; Figurative, Literal, Proper, Strict —; In a — = in zekeren zin; In every — = in ieder opzicht; Any man in his —s = die zijn zinnen bij elkaar heeft; He is not in his —s = bij zijne zinnen = Out of his —s; That is visible to the — = waarneembaar voor het oog; To bring a person to his —s = iemand aan zijn verstand brengen, dat hij verkeerd deed; He has a keen — of right and wrong = een fijn gevoel voor; To take the — of a meeting = een vergadering door stemming zich laten uitspreken; He had taken leave of his —s = was gek geworden; To talk — = verstandig praten; To recover one’s —s = tot bezinning komen; —less = gevoelloos, onzinnig, dwaas; subst. —lessness.
Sensibility, sensibiliti, vatbaarheid, gevoeligheid, ontvankelijkheid: His quick sensibilities = zijne ontvankelijkheid; Sensible = waarneembaar, gevoelig, verstandig, merkbaar, teeder, fijngevoelig: He is a — man = verstandig; Are you —? = ben je wel wijs; I am — of your considerate kindness = gevoelig voor; That is not — to sight or feeling = niet waarneembaar voor; She was — to the end = tot het laatst bij kennis; subst. —ness; He was sensibly affected by your words = zicht- of merkbaar aangedaan.
Sensitist, sensitist: Louis Couperus the — = de sensitieve.
Sensitive, sensitiv, (fijn)gevoelig, licht geraakt of aangedaan: — plant = kruidjeroermeniet; — to an affront = gevoelig voor; subst. —ness = Sensitivity = (teer- of fijn)gevoeligheid; Sensitize, sensitaiz, gevoelig maken.
Sensorial, sensôriəl, tot het Sensorium behoorende; Sensorium, sensöriəm, zetel der gewaarwordingen; grauwe hersenen = Sensory, sensəri.
Sensual, senšuəl, zinnelijk, vleeschelijk, wellustig; —ism = zinnelijkheid, wellust; —ist = wellusteling, zinnelijk mensch; —ity, senšualiti = —ism; —ize, senšuəlaiz, verzinnelijken, zinnelijk maken; —ness = zinnelijkheid; Sensuous, senšuəs, tot de zinnen sprekend, zinnelijk; subst. —ness.
Sent, sent, imperf. en part pert van to send.
Sentence, sent’ns, subst. vonnis, oordeel, beslissing, zin; — verb. vonnissen, veroordeelen: To carry a — into execution = een vonnis voltrekken; To pass (pronounce) (a) — upon = vellen; This — makes no sense = deze zin heeft geen zin: The “long —rs” are, as a rule, the best behaved = de levenslang veroordeelden gedragen zich gewoonlijk het best; He was —d to death, but the — of death was commuted into lifelong imprisonment = ter dood veroordeeld, maar het doodvonnis etc.; Sententious, səntenšəs, rijk aan kernachtige gezegden, spreuken en maximen; bondig, krachtig; subst. —ness.
Sentience, Sentiency, senš’ns(i), waarnemingsvermogen, gevoelsvermogen; Sentient, senš’nt, waarnemend, gevoelend.
Sentiment, sentiment, gevoel, aandoening, gewaarwording, gevoelen, idee, gedachte, toast: The — of a religion of sorrow has an advantage over the — of a religion of pleasure = de grondslag; They are my own —s = dat’s ook mijn idee; John proposed a —: “The important day” = Jan stelde een dronk in op den gewichtigen dag; You cannot prove truths of — = gevoelswaarheden laten geen bewijs toe; Sentimental, sentiment’l, (overdreven) gevoelig, sentimenteel: That is a — question = kwestie van gevoel, gevoelsvraag; —ism = (overdreven) gevoeligheid; —ist = (overdreven of gemaakt) gevoelsmensch; —ity, sentimentaliti, sentimentaliteit; —ize = overdreven of gemaakt gevoelig zijn.
Sentinel, sentinel, subst. schildwacht; adj. wachthoudend; — verb. bewaken: To keep, To stand — = op wacht staan; The — was relieved = werd afgelost; The — stars set their watch in the sky = de wachthoudende sterren zetten aan den hemel hunne posten uit.
Sentry, sentri, schildwacht: To be (To stand on) —; To come off (To go on) —; To relieve — = aflossen; To do — go = op wacht staan; —-box = schilderhuisje.
Sepal, sîp’l, sep’l, kelkblad; —ous, sepəlɐs = met kelkblad, kelkblad ...
Separability, sepərəbiliti, subst. v. Separable, sepərəb’l, scheidbaar, deelbaar; subst. —ness.
Separate, sepərit, adj. afgescheiden, afzonderlijk; — verb. (sepəreit) scheiden, verdeelen, afzonderen, heengaan, uiteengaan: — estate = de eigendom van eene getrouwde vrouw onafhankelijk door haar beheerd en genoten; — maintenance = uitkeering aan eene gescheiden vrouw; They —d without speaking another word = gingen van elkander; subst. —ness; Separation, sepəreiš’n, scheiding, afzondering: — of partnership, — from bed and board; Separatism, sepərətizm, zucht tot afscheiding (van kerk of partij); Separatist = separatist, home-ruler; Separative = scheidend; Separator = afscheider; Separatory dux = afscheidingskanaal; Separatrix, sepəreitriks, decimaalpunt; Separatum = afdrukje.
Sepawn, sipôn, maïsmeel in water gekookt.
Sepia, sîpjə, inktvisch, sepia.
Sepoy, sîpôi, sipôi, Indisch soldaat in E. dienst.
Septangular, septaŋgjulə, zevenhoekig.
September, septembə, September.
Septempartite, sept’mpâtait, in zeven deelen verdeeld.
Septenary, septənəri, zeventallig, zevenjarig.
Septennial, septenj’l, zevenjarig, om de zeven jaren.
Septentrional, septentriən’l, noordelijk, middernachts ...
Septfoil, septfôil, tormentilla; zevenblad, d.i. figuur van zeven gelijke cirkelsegmenten.
Septi, septi (in samenst.), zeven; —farious, septifêriəs, naar zeven verschillende kanten gekeerd; —form = zevenvormig.
Septic, septik, subst. en adj. rotting bevorderend(e stof): — tank.
Septillion, septilj’n, 1 + 42 nullen (in Amer. meest met 24).
Septuagenarian, septjuədžənêriən, zeventigjarige, iemand tusschen 70 en 80; Septuagenary, septjuadžənəri, subst. en adj. zeventigjarig(e).
Septuagint, septjuədžint, Septuaginta.
Sepulchral, sipɐlkr’l, tot een graf of eene begrafenis behoorende, graf ...: — voice, rites, monument = grafstem, begrafenisplechtigheden, grafteeken; Sepulchre, sepəlkə, graf; Sepulture, sep’ltjə, begrafenis; Sepultural = begrafenis ...
Sequel, sîkw’l, vervolg, gevolg(en), resultaat: A — to it = een vervolg er van; The — of it = het gevolg er van; Sequela, səkwîlə, aanhang; gevolgtrekking; Sequence, sîkw’ns, opvolging, reeks, gevolg: He has a — of cards = volgkaarten; The usual — of events = gang van zaken; Sequent = volgend; Sequential = opvolgend.
Sequester, sikwestə, afzonderen, afsluiten, in beslag of bewaring nemen, sequestreeren; —ed = afgezonderd, eenzaam, gesequestreerd: He ran his course in the —ed paths of life = in afzondering; Sequestrate, sikwestreit, sequestreeren; subst. Sequestration; Sequestrator, Sequestrator = beslaglegger; hij die het goed waarop beslag gelegd is, beheert.
Sequin, sîkwin, sekin, oud-Venetiaansche munt (± 9 s. 4 d.).
Seraglio, sirâljou, siraljou, harem, paleis (van den Sultan).
Serai, sərâi, paleis, herberg (Perzië).
Seraph, serəf, serafijn (Meerv. —s of —im); —ic, sirafik, verheven; rein, hemelsch; —ine, serəfîn, seraphine-orgel.
Seraskier, səraskîə, seraskîə, Turksch opperbevelhebber of minister van oorlog.
Serb, sɐ̂b, Servisch; Serviër; Servische taal; Serbia.
Sere. sîə, droog, verwelkt, dor.
Serenade, serəneid, subst. serenade; — verb. eene serenade brengen of geven; —r; Serenata, serənâtə, serenade (muziekstuk).
Serene, sərîn, helder, rein, kalm, duidelijk, doorluchtig: All —! = in orde! Your — Highness = Uwe Doorluchtigheid; The weather was — = het weer was helder; —ness = Serenity, səreniti, helderheid, kalmte, doorluchtigheid.
Serf, sɐ̂f, slaaf, lijfeigene; —age, —dom, —hood, —ism = lijfeigenschap.
Serge, sɐ̂dž, serge.
Sergeant, sâdž’nt, deurwaarder; sergeant (milit. = serdžant): —-at-Arms = soort intendant en ceremoniemeester van het Lagerhuis; —-at-Law, i.e. vóór 1873 werd aan sommige Barristers de rang van Sergeant toegekend; —-drummer = tamboer-majoor (zoo ook —-piper en —-trumpeter, voor de pijpers en trompetters); —-major = sergeant-majoor; —cy = rang van sergeant = —ship.
Serial, sîriəl, tot eene reeks behoorende, periodiek, in opvolgende nummers; subst. tijdschrift, verhaal, dat bij gedeelten (in een tijdschrift) verschijnt: The novel first appeared in — = in afleveringen, als feuilleton; Seriate, sîriit = Serial; Seriatim, sîrieitim, in geregelde orde of opvolging.
Sericulture, serikɐltšə, zijdewormenteelt.
Series, sîr(j)îz, reeks, opvolging.
Serin, serin, sijsje.
Serio, sîriou (in samenst.), ernstig; —-comic(al) = half ernstig, half komisch.
Serious, sîriəs, ernstig, plechtig, gevaarlijk: I am quite — = ik meen het in vollen ernst; You mustn’t take things too —ly = de zaken niet te ernstig opnemen; subst. —ness.
Serjeant, sâdž’nt. Zie Sergeant.
Sermon, sɐ̂m’n, preek, vermaning, leerrede: The — on the Mount = de Bergrede; To deliver (To preach) a —; —ize = preeken (ook fig.).
Seron, səron, Seroon, sərûn, baal Paraguay thee, mand rozijnen, etc.
Serous, sîrəs, waterachtig, dun, als wei; Serosity, sirositi, waterigheid.
Serpent, sɐ̂pn’t, slang, slanghoorn, soort voetzoeker; —-bearer = Slangendrager (sterrenbeeld); —-charmer = slangenbezweerder; —-charming = slangenbezwering; —-worship = slangenvereering; —arius, sɐ̂p’ntêriəs = —-bearer; Serpentine, sɐ̂p’nt(a)in, subst. slangensteen; kronkelende vijver (in Hydepark); adj. kronkelend, sluw en boosaardig; — verb. kronkelen: — verse = versregel, die met hetzelfde woord begint en eindigt.
Serpiginous, sɐ̂pidžinɐs, lijdend aan Serpigo, sɐ̂paigou, vlecht (huidziekte).
Serrate(d), serit(id), zaagvormig, getand; Serrature, serətjə, het getand zijn; Serrulate(d), serjulit (—eitid), fijn getand.
Serried, serid, aaneengesloten, dicht samengedrongen: The — billows = elkander snel opvolgende baren; The front ranks were close — = dicht opeengedrongen.
Serum, sîr’m, serum: — treatment.
Serval, sɐ̂v’l, Afrikaansche boschkat.
Servant, sɐ̂v’nt, bediende, knecht, meid, dienaar, dienares: I am, Your obedient — = ik heb de eer te zijn, Uw dw. Dienaar; — of all work = meid alléén; —-man, —-maid = dienstknecht, dienstmaagd; —s’ hall = dienstbodenvertrek; —s’ register-office = verhuurkantoor.
Serve, sɐ̂v, dienen, bedienen, dienst of eer bewijzen, fungeeren, serveeren, behandelen, helpen, voldoende zijn, beteekenen, invallen, dekken: I —d a five years’ apprentice-ship with that master = ik diende bij dien baas vijf jaar als leerjongen; To — an execution = een exploit van executie beteekenen; The guns were —d by picked gunners = bediend; To — an interest = een belang dienen; The letter being marked “immediate”, I —d it at once = daar op den brief “spoed” stond, behandelde ik hem dadelijk; The horse will stand at home and — mares at 10 guineas each = zal ter dekking gereed staan; He —d office = bekleedde; He has —d his time = uitgediend, uitgezeten; He —s the time, is a time-—r = huilt met de wolven in het bosch; He —d me a bad trick = bakte me een leelijke poets; That will hardly — your turn = u wel niet passen; To — a warrant = exploit van inhechtenisneming beteekenen; To — a writ (of attachment) = exploit ter betaling van schulden (exploit van beslagneming) beteekenen; If my memory —s me correctly = mij niet bedriegt; As wind and tide — = weer en wind dienende; That —s him right = hij heeft zijn verdiende loon; He —s in Parliament = is lid van; He has —d on a jury = is lid eener jury geweest; The food was —d out = werd uitgedeeld; I have —d him out = het hem betaald gezet; The soup has been —d up = staat op tafel; —r = dienaar, presenteerblad.
Servia, sɐ̂vjə, Servië; —n, subst. en adj.
Service, sɐ̂vis, dienst, “militair”, bediening, dienstbaarheid, onderdanigheid, compliment, nut, gang, gerecht, servies, verkeer, kerkdienst (gebed, gezang, muziek): My — to you! = op uwe gezondheid; — is no — = iedereen kan vooruitkomen als hij wil; Compulsory — = dienstplicht; Universal — = algemeene dienstplicht; The — for the visitation of the sick = het formulier van den ziekentroost; To see — = deelnemen aan gevechten; veel gebruikt worden en de sporen daarvan dragen; The table had seen — of late = de gerechten op tafel waren zooeven goed aangesproken geworden; He was attested for, discharged from the — = voor den dienst aangenomen, uit den dienst ontslagen; I am at your — = tot uw dienst; His terms were 10 guineas at — = 10 guineas dekgeld; I never was in — before = heb nooit gediend; Can I be of any — to you? = kan ik u van dienst zijn; On Her Majesty’s — = “Dienst”; His daughters went out to — in respectable families = gingen uit dienen; He put them to hard — = liet ze hard werken; To retire from (the) — = uit den dienst gaan; —-berry = lijsterbes; —-bush (—-tree) = peerlijsterbes; —-fee = dekgeld; —-pipe = zijleiding; —-reservoir = prise d’eau (v. waterleiding); —able = dienstbaar, dienstig, voordeelig, dienstvaardig; subst. —ableness; Serving: —-maid; —-man.
Servile, sɐ̂v(a)il, slaafsch, kruipend; Servility, sɐ̂viliti, slaafschheid, onderworpenheid, kruiperij.
Servitor, sɐ̂viə, dienaar, suppoost (in een schouwburg), arm student, die vroeger de rijkere moest bedienen.
Servitude, sɐ̂vitjûd, dienstbaarheid, slaafschheid, servituut: Penal — = dwangarbeid.
Sesame, sesəmi, sesamplant: Open — = tooverformule (Arab. Vertellingen); sleutel tot eene moeilijkheid of een geheim.
Sesquipedalian, seskwipideilj’n, v. anderhalven voet: Ubiquitous — advertisements = overal aangeplakte kolossale advertenties.
Session, seš’n, zitting, zittingstijd; —al = tot eene zitting behoorende.
Sestet, sestət, sestet, sextet.
Set, set, subst. stel, garnituur, servies, span, troep, bende, kliek, kring, ondergang, bouw, houding, snit, partij, stekje, richting (v. getij), vastberaden aanval, etc.; adj. gezet, geplaatst, onbewegelijk, vastberaden, geregeld, voorgeschreven, ingestudeerd; — verb. zetten, plaatsen, inrichten, schikken, planten, versieren, aanstellen, ondergaan, vast worden, aanhitsen of staan (van een hond), aangeven, opgeven, uitloopen op, etc.: A — of books = stel boeken; — of buttons = garnituur; — of china = servies; — of Lancers = quadrille des Lanciers; — of rooms = étage; I was tenant of a top — = ik had kamers op de bovenste verdieping; Girls in her — didn’t think it good form to do so = uit hare kringen; Things have come to (are at) a dead — = de boel zit vast, we kunnen niet verder; The dog made dead —s at my trousers = greep mij bij; vloog aan op; Dead — = vastberaden tegenstand, het “staan” van een jachthond; The smart — = de toon aangevende coterie; A — face = strak gelaat; — oration = ingestudeerde rede; These are his — phrases = vaste uitdrukkingen; Books at — prices = voor vaste prijzen; He did it of — purpose = met een bepaald doel; A — round of subjects = een vaste reeks; He made a — speech = eene vooraf geprepareerde redevoering; A — visit = officiëel; The sun has — = is ondergegaan; The sun is — = is onder; They — a brand upon his head = zetten een brandmerk; She — her cap at my uncle = hengelde naar; This — an edge to my energy = prikkelde; To — a good example = stellen; I shall never — eyes on him again = hem nooit weerzien; To — fire to (— on fire) = in brand steken; There was nothing he could not — his hand to = dat hij niet kon doen; He — his hand to this contract = hij onderteekende; To — a resolution = nemen; To — each other riddles = opgeven; To — sail for = onder zeil gaan naar; To — great, little, much store by = veel, weinig waarde hechten aan; To — a task = opgeven; She — her teeth = zette op elkaar; He — himself to do so = zette er zich toe; The barometer points to “set fair” = staat op vast, bestendig weer; To — free = in vrijheid stellen; To — light by = weinig waarde hechten aan; The book — him wild to go to America = bracht hem het hoofd op hol; To — at defiance = trotseeren, negeeren; To — at ease = iemand op zijn gemak zetten, geruststellen (met on); To — at naught = in den wind slaan; To — at work; To — in order = in orde, klaarmaken; It — my teeth on edge = maakte de tanden stomp, deed mij griezelen, huiveren; The story —s your hair on end = doet uwe haren te berge rijzen; To — on fire = in brand; The undertaking was — on foot = op touw gezet; He is — on mischief = is steeds uit op; — to your partners = “balancez aux dames!” To — to music; I have — them together by the ears = op elkaar aangehitst, tegen elkander opgestookt; We must — about it = er aan beginnen; They — their faces against the measure = verzetten zich tegen; To — a person against another = opzetten tegen; The law was — aside = werd buiten werking gesteld, afgeschaft; The proposal was — before the meeting = werd voorgelegd; We — it by till the next day = legden het ter zijde; It was — down for a rule = als regel aangenomen; He —s down the public for an old woman = beschouwt als; It was — forth publicly = werd openbaar gemaakt; We — forth (forward) on our journey = gingen op reis; The cold has begun to — in = is begonnen; A hard frost — in = viel in; Let us — off for that place directly = vertrekken naar; She — off her friend’s beauty = deed uitkomen (bij wijze van contrast); Who — them on? = heeft hen aangehitst; They were — on to violence = aangespoord tot; The narrative is lucidly — out = helder gesteld; — out with pearls and jewels = getooid met; The servant — out my pistols = legde klaar; We — out for Paris = vertrokken naar P.; He — out in trade = begon handel te drijven; The two combatants began to — to = begonnen te vechten; They — to in right earnest = begonnen; They — to gathering strawberries = begonnen; The currents of people — towards Trafalgar Square = begaven zich naar, in de richting van; It was — up for a rule = aangenomen als; He —s up for a clever fellow = hangt uit (neemt de airs aan van); This windfall — me up again = heeft mij weer op de been geholpen; Such a nap will — a fellow up = doet iemand goed; His father — him up in trade = heeft hem in eene zaak gezet; After some time I hope to — up (in business) for myself = voor mijzelf te beginnen; How many pages have been — up now = zijn nu al gezet? A stout well —-up man = forsch en flink gebouwd; To — upon = aanvallen; —-back = hinderpaal, instorting; A terrible —-down = een vreeselijk standje; The —-in of summer = het begin van den zomer; That is a beautiful —-off = versiering, tegenstelling, vergoeding; The —-to was undecided = de strijd, het gevecht; There was an awful —-to about the proposal = het voorstel werd druk beredeneerd; —line = zetangel; — piece = pièce de resistance, groot stuk (bij vuurwerk bijv.); —ter = zetter, staande hond; —ter-up = stichter; —ting = montuur, garnituur, régie: —ting-pole = schippersboom.
Seta, sîtə, borstel; Setacious, borstelig, borstelachtig; Setiferous = borstels dragend; Setiform = borstelvormig; Setigerous, sitidžərəs, met borstels of haren bedekt; Setose, sîtous, sitous = borstelig.
Seton, sît’n, seton.
Settee, setî, rustbank; soort Turksch vaartuig; —-sail.
Setter-wort, setəwɐ̂t, daslook.
Settle, set’l, subst. lange zitbank met hooge rugleuning; — verb. vestigen, vaststellen, bepalen, bevestigen, beslissen, beslechten, herstellen, vereffenen, stillen, bedaren, ordenen, bezinken, zich neerzetten of vestigen, uitmaken: We —d accounts = rekenden af; To — a damage = een schade regelen; To — a dispute = beslechten; The Europeans —d many parts of the other continents = koloniseerden; She —d her skirts = trok terecht; That’s —d = dat is afgedaan, afgesproken; That —d them = zette hen op hunne plaats; The notary was —d at Z. = had domicilie genomen; At last the narrative —d down to what I have related = kwam neer op; They —d down into their places = namen hunne plaatsen in; He has —d for life = heeft een huishouden opgericht; The fly —d on his nose = zette zich neer; — to one thing at a time = bepaal u tot; To — a pension upon a person = vastzetten op; I have —d with my creditors = een accoord aangegaan met; —d = vast, ingeworteld, vastbesloten, rustig, ernstig, vereffend, bestendig: — abode = vaste woonplaats; — conviction = vaste overtuiging; — distress = ongeneeslijke droefheid; Settlement = vestiging, vereffening, liquidatie, schikking; schenking, lijfrente; volksplanting, domicilie: The Act of — = wet op de troonopvolging (1701); He made a — on me = vermaakte mij iets (een legaat); They made us an offer of — = boden aan de zaak in der minne te schikken; Settler = kolonist; iets dat beslist; That’s a — = dat maakt een einde aan de zaak; Settling = beslissing, oplossing, regeling, volksplanting; —-day = betaaldag, rescontredag, leveringsdag; —s = bezinksel, droesem.
Seven, sev’n, subst. zeven; adj. zeven: The — deadly sins = de zeven doodzonden (= Pride, Covetousness, Lust or Lechery, Gluttony, Anger or Wrath, Envy, Sloth); That noise would rouse the — Sleepers = zou de dooden doen ontwaken; — stars = zevenster; —fold = zevenvoudig = —folded; —-leagued boots = —-leaguers = zevenmijlslaarzen; —night = week; —-up = een kaartspel; —teen = zeventien; —teenth = zeventiende; —th = zevende; —thly = ten zevende; In the —ties = tusschen 1870–80; tusschen 70 en 80 jaar oud; —tieth = zeventigste; —ty = zeventig: The —ty = de zeventig vertalers van de Septuagint; de evangelisten door Jezus uitgezonden (Lucas X, 1–2).
Sevenoaks, sev’nouks, sev’nouks.
Sever, sevə, scheiden of afsnijden, deelen, afscheuren: Remember this if we should ever be —ed = als het lot ons ooit mocht scheiden; His head was —ed from his body = afgehouwen.
Several, sevər’l, onderscheiden, deelbaar, verscheiden; ook subst.: Four — pillars = elk op zichzelf; Each — part = elk deel afzonderlijk; —ly: Exeunt —ly = gaan af naar verschillende zijden (Theat.); Take them —ly = elk in ’t bijzonder; —ty = afgescheidenheid: Held in —ty = in apart bezit; Severance, sevərn’s, scheiding, afscheuring, verdeeling.