Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 68
Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak, gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; — verb. aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren, ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden, neerstrijken (on): He’s no great — = geen groot licht; The —s of our days = de groote mannen; He was honest according to his —s, so far as his —s extended = voor zoover zijn inzicht ging; —s = longen; Between the —s = in de schemering; —s out = taptoe; The Northern —(s) = het Noorderlicht; — of the countenance (Bijb.) — het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to — = werd aan ’t licht gebracht; To come to — = aan ’t licht komen; To lay on —s = licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in — upon his business = gaf eenig licht omtrent; To see the — = het licht zien; He stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the — of a father = was voor mij een vader; His eyes —ed pleasantly = schitterden; May no harm — on you = u treffen; To — out = er uit snijden (Amer.); To — (up) = aansteken; —ing-up time for cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; —-ball = lichtkogel; —-bearer = fakkeldrager; —-dues = rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; —-house = vuurtoren; —-(house-)keeper = vuurtorenwachter; —-ship = vuurschip; — in hand = gemakkelijk te regeeren; He made — of my warnings = sloeg in den wind; He sets — by this circumstance = onderschat, veracht; —ly said, —ly answered = zoo vraag, zoo antwoord; —ly come, —ly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; —-armed; — blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de boat-race; jenever; —-bob = lichte infanterist; — cavalry, (— horse) = lichte cavalerie; —-fingered = met vlugge en lange vingers; The —-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; —-footed = vlug van voet; I am rather —-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk; —-headed = luchthartig; —-hearted = luchthartig; — horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; — infantry = licht voetvolk; A —-legged person = rap van voet; —-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. —-mindedness; —-spirited fellow = opgewekte; —-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; —-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch; —-winged = met snelle wieken, vluchtig; —en en —er, Zie afzond. artik.; —less = donker; subst. —lessness; —ness = helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; —some = helder, klaar; onbezorgd; subst. —someness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten, flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To — the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): —age, —ridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the cargo was —ed over the sand = met lichters gebracht; —man = schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of — = bliksemschicht, -straal; — cartoon = teekening met een paar krassen of streken; —-conductor = bliksemafleider; —-proof = beveiligd tegen: —-rod = bliksemafleider; subst. —-swiftness; —-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend; bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; —n = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv. gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van, behagen scheppen in, gaarne willen: Every — is not the same = er is meer gelijk dan eigen; — may, indeed, draw to — = soort zoekt soort; — produces — = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son was his father’s favourite and — = evenbeeld; It is good enough for the —s of them = voor lui van hun slag; I never saw the — = zoo iets; —s and dis—s = sympathieën en antipathieën; And the — = en dergelijke: Do it — a good boy = dan ben je een beste jongen; — master, — man = zoo heer zoo knecht; Those evils are nothing — as injurious in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel — seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen lust; What is it —? = hoe ziet het er uit; Of a — character = denzelfden aard; That photo is — you = dat portret lijkt goed: That action is — you = die daad kon men van u verwachten; How — a man to make such a fuss = net wat voor een man; He had — to have lost the wager = had bijna verloren; As —(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk; It is — enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away — blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed — = eenigszins, wel wat; Just as you — my dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that —s him = hem past, lijkt; —able = aangenaam, beminnenswaardig; subst. —ableness; —lihood, —liness = waarschijnlijkheid; —ly = waarschijnlijk: He is not —ly to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A —ly man = knap van uiterlijk; A —ly customer = goed, aardig; —n = vergelijken: To whom shall we —n him? —ness = gelijkenis: To take a person’s —ness = afbeelden, photographeeren; I had my —ness taken; —wise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen, lust: She has no — for him = geen zin in hem; It is not to my — = niet naar mijn zin; To take a — to = lust krijgen in, ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj. lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; — verb. lustig zingen; huppelen: A —ing tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: — of the valley = lelietje van dalen; —-livered = laf; —-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); —-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: — of the devil (of Satan) = satanskind; — of the law = advokaat (iron.); —less = zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; — verb. buigzaam maken; subst. —ness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; — verb. voorwagen en affuit verbinden; —-axle = affuitboom; —-chest = affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = — fatuorum = het gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (—-tree); citroen(boom); — verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of verbinden: Quick — = ongebluschte kalk; Slaked — = gebluschte; —-burner = kalkbrander; —-flower = lindebloesem: —-juice = citroensap; —-kiln = kalkoven; —light = kalklicht; —-pit = kalkput; —-slaking = blusschen; —stone = kalksteen; —-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; —-wash = witkalk; — verb. witten; —-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt, ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; — verb. begrenzen, vaststellen: There is a — to everything = alles heeft zijn grenzen; To (Within) the — of = hoogstens tot; To give more — = meer speelruimte; To set a — to = een grens bepalen; —able = begrensbaar, beperkbaar; —arian = begrenzend, beperkend; —ary = grens..; —ation = beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); —ed = begrensd, beperkt: London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met —ed liability; —ed train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.); —edness = begrensdheid; beperktheid; —er = beperker, grens; —less = grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; —er, limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: — enamel = — porcelain-ware = geemailleerd aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. —ness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a — in his walk = hij loopt kreupel; —er = kreupele; —ing = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a — = hij hing aan als een klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = —ness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; —-green = groen laken, vroeger vooral door boogschutters gedragen; —shire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak, geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; — verb. linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden, beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending —) = opgaande (neergaande) linie; Collateral (Female, Male) — = zijdelingsche (vrouwelijke, mannelijke) linie; — of battle = slagorde; — of business = branche; — of conduct = gedragslijn; — of kings = dynastie; — of mountains = bergketen; — of print = regel druks; All along the — = langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the — = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the — = linieschepen; The picture was on the — = hing ter hoogte van het oog; On this — = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the biggest — in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general — = waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway — = bij het spoor; White — = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into — = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The country was brought into — with the other countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the — = de linie passeeren; To draw the — = een grens trekken; The — must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a — = een lettertje schrijven; He follows the — his father initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard —s on them = nog al hard voor hen; To read between the —s = tusschen de regels lezen; To stand in — = queue maken; To stick to the old —s = blijven bij het oude; Marlborough turned the celebrated —s of Villars = brak door de liniën; A soft —d face = met zachte trekken; The street was —d with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well —d with money = was goed gespekt; The room was —d with books = langs alle wanden stonden boeken; —-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de andere persoon spreekt; —r = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A Transatlantic —r = stoomschip; His picture got a place among the —rs = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: — measure; My — race = direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; —s = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: — perspective = lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation = linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s — = zich verschoonen; Soiled — should be washed at home (fig.); —-draper = koopman in witte goederen; —-drapery; —-merchant = groothandelaar in linnen; —-press = linnenkast; —-weaver = linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; —y = met heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; —er; —ing = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige; Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics = taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver — = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20 cM.; toorts; — verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; —s = vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met kettinkjes (= —-buttons); —-boy, —-man = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With —ed arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): — system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; —-cake manufacturer = fabrikant van lijnkoeken; —-meal = lijnmeel; —-oil = lijnolie; —-tea = aftreksel van lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof, gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a — in the street = “de wolf komt”; To show the —s (and tombs) = een vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; —-dog = leeuwtje (hond); —-heart = moedig man; —-hearted = manmoedig: Richard the —-hearted; —-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of —-hunting; —’s-den = leeuwenkuil; —’s-provider = jakhals; lage vleier; —’s-share = leeuwendeel; —’s-tooth = leeuwentand; —ize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being —ized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan; —ess = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; — verb. kussen, uiten: He bit his —(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s —s = over de lippen komen; Don’t give me any of your — = geen praatjes; He gave me a lot of — = gaf me een grooten mond; To hang the — (To make a —) = de lip laten hangen; Prattle from the —s outwards = maar wat zeggen waar men niets van meent; —-deep = onoprecht; —-devotion = schijnvroomheid; —-labour = ijdele woorden; —reading = van de lippen lezen (van doofstommen); —salve = lippenpommade, vleierij; —less; —let = lipje; —ped = lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting, smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten, gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel; Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend, vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen; subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize = vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon, braadvet; — verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken (up): Addicted to — = aan den drank; In — = dronken.
Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of — = pijpen zoethout.
Lira, lîrə, (Ital.) franc.
Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.
Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.
Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst. —er.
Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.
List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; — verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (—s = tournooiveld: He entered the —s = hij trad in het strijdperk); He made a black — of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black — = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired — = pensionneeren; — of trains = spoorlijst; — of wines = wijnkaart; — shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be —ed on the Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship —ed to one side (There was a — to one side) = helde over naar; It —s me = Me —s = het lust mij; —less zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. —lessness.
List, list, hooren, luisteren.
Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the — = luisterend; —er = luisteraar.
Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.
Litany, litəni, litanie.
Literacy, litərəsi, geletterdheid.
Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig, prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; —ism = letterlijke uitleg; letterknechterij; —ist; Literality = —ness = —ism.
Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.
Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de letteren, letterkunde: Polite — = fraaie letteren.
Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. —ness; —some = buigzaam, lenig; subst. —someness.
Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.
Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; — verb. op steen graveeren, drukken of schrijven; —er, lithogrəfə, steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.
Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: —n = Littauer; Littausch.
Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.
Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij; Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked in — = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. —ness.
Litmus, litməs: — paper = lakmoespapier.
Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).
Litre, lîtə, liter.
Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); — verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen: Quite a — of children = een nest vol; To be in — = drachtig zijn; To be in a — = overhoop liggen; To make a — = overhoop gooien; I kicked aside the objects that —ed the floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and —ed = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; —y = rommelig.
Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A — money = eenig (nog al wat) geld; — money = weinig (haast geen) geld; By — and — = langzamerhand = — by — (soms: By —s); — one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my — one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a — = voor een poosje, tijdje; Upon a — = met weinig, met geringe middelen; He had been within a very — of falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were — = toen je klein waart; He caught the whip by the — end = dunne eind; Is that your — game? = is datje plannetje, bedoeling? —-go; Zie Responsions; —-minded = kleinzielig; —ness = kleinheid: His —ness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.
Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.
Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist, voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.
Livadia, livədîə, Livadië.
Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No boat could — in such a sea = kon het uithouden; To — in clover = een lekker leventje leiden; — and learn = al doende leert men; — and let —; To — to see = beleven, dat; As I — = zoowaar ik leef; If I — I shall do it = als ik het beleef ...; To — away = er op los leven; To — by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers — by our quarrels = leven van; It is almost impossible to — such a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He —d that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A toy-merchant —s on children = leeft van; He —s on his wife = van haar geld; I cannot — on 50 £ a year = leven van; She —d out = diende als dagmeisje; To — to a great age = bereiken; To — up to = in overeenstemming met; He —d up to his promise = voldeed aan; The servant has —d with us for six years = diende bij ons; —able = bewoonbaar, dragelijk; —d, laivd: Long-lived = langlevend; —-long day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; —r = levende, bewoner (Amer.): The longest —r = de langstlevende; —lihood, laivlihud, levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) —lihood = den kost verdienen. Zie Living.
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig, druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen), geladen (electr.): The —st-looking street I ever saw = de levendigste, vroolijkste; — coals = gloeiende kolen; — cartridge = scherpe patroon; — cattle = levend vee; — feathers = veeren uit een levenden vogel gerukt; — hair = haar van een levend dier genomen; — shell = niet ontplofte granaat; —stock = levende have; —liness, subst. v. —ly = levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.
Liver, livə, lever: —-coloured = leverkleurig; —-oil = levertraan; —-spot = levervlek; —wort = leverkruid; The Mounted — Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.
Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool; Liverpool, livəpûl.
Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de —men van Londen: To receive in — = in bezit overnemen; —man = lid van een der —-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen; —-servant = livreibediende (= Liveried —); —-stable = stal waar paarden (—-horses) verhuurd en voor andere eigenaars gestald worden.
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity = —ness.
Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze, levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik. geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within — memory = bij menschenheugenis; — wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High — = weelderige levenswijze; No man — = geen mensch ter wereld; In the land of the — = in het land der levenden; To earn (get) one’s — = zijn kost verdienen; To make a — = zijn brood hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.
Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er), Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.
Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.
Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.
Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.
Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.
Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.
Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.
Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.
Lloyd’s, lôidz = — offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks verschijnende scheepstijdingen (= — list); de jaarlijks gepubliceerde internationale lijst van schepen (= — Register for British and Foreign Shipping).
Lo, lou, zie, aanschouw!