Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 35

Chapter 353,197 wordsPublic domain

Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen, bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje, kleine som, klein troepje.

Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald, horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; — verb. drijven (uit den koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een doorgang in een mijn maken: The — of a current = richting en snelheid van een stroom; He —ed about = zwierf rond; He —ed into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; —-ice = drijfijs; —-sand = stuifzand; —-wood = drijf- of wrakhout; —age, driftidž, afdrijving (van een schip); —less = doelloos.

Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril (= —ling): — verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien: To be at — = aan het exerceeren: —-bow = drilboog; —-ground exercitieveld; —-harrow = fijne egge; —-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; —-sergeant = sergeant-instructeur.

Drily, draili, droogjes, leuk.

Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; — verb. drinken, zich goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in — (= The worse for —) = dronken; That brute of a fellow is always on the — and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To — deep = sterk drinken; To — like a fish = als een tempelier; He took to —(ing) = raakte aan den drank; You cannot — him down = onder de tafel drinken; — off your glass = drink eens uit; The guinea was drunk out = verdronken; I — to the bride and bridegroom = drink op; I’ll — (to) your health = (op) uwe gezondheid; —-money = drinkgeld, fooi; —offering = plengoffer; —able, drinkbaar; drank; —er = Hard —er = drinkebroer; —ing-bout = slemp- of zuippartij: —ing-fountain = drinkfontein; —ing-house = kroeg, bierhuis; —ing-song = drinklied.

Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; — verb. druppelen, laten druppelen: The —ping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The —ping(s) of the meat = het van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in de —ping-pan); —ping-caves = benedenste dakrand.

Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v. wild), krachtige slag: (The — Zie Rotten Row); — verb. drijven, voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let —, boys! = slaat er duchtig op, jongens! To — a good bargain = een voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To — a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To — away = wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg; —-way = drijfpad voor vee, rijweg; —r = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving: —-band = drijfriem; —-box = bok; —-gear = drijfwerk; —-glove; —-park = renbaan (Am.); —-wheel = drijfrad, voorrad van een fiets; —-whip = zweep.

Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; — verb. wauwelen, suffen; kwijlen; —ler = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.

Driven, driv’n, part. perf. van to drive.

Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; — verb. mot- of stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.

Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.

Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; — verb, grappig zijn, grappen maken; —ery = snakerij; —y = grappig.

Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.

Dromio, droumiou.

Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp (v. een doedelzak); — verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The monotonous — of the wheel = gesnor; He —d out a little song = hij neuriede een liedje; —-bee = mannetjesbij; luilak; —-fly = bromvlieg; —-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. —ness.

Drool, drûl, kwijlen; druipen.

Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten hangen; —ing-willow = treurwilg.

Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon, daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen daarvan), drupsje; — verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met, zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde leggen, opgeven, enz.: Kendal Black — = laudanum; A library — = het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great —, a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the — on = den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben (Amer.); He likes a — = houdt van een borrel; —s = droppels, borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his —s = houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of — = viel zoowat tien voet naar beneden; To — anchor; To — a bill = een wetsontwerp terugnemen; — me a line = schrijf me een lettertje; Let us — the official = het officieele laten varen; He —ped me a post-card = zond mij eene briefkaart; We shall — Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen; He —ped his voice to a whisper = liet dalen: I never —ped a word on the subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then —ped = stokte, en hield toen op; To — asleep = in slaap vallen; The steamer —ped astern = zakte, bleef achter; We —ped past a steamer = dreven langzaam langs; We —ped down the river = zakten de rivier af; Where did you — from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will — in one of these days = wel eens aanloopen; He —ped into his place = nam zijne plaats in; After dinner I —ped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in slaap; To — on = uitvaren tegen, afsnauwen; —-curtain (= —scene), Zie Act-drop; —letter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk (Amer.); —-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; —stone = druipsteen; The —ping of doors = zakken; A —ping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some —ping cases of typhoid = alleenstaande en onverwachte; —ping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; —pings = excrementen, mest.

Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy, dropsi, waterzucht.

Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).

Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: — of iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; —y = vol droesem of slakken, waardeloos.

Drought, draut, droogte, dorheid; adj. —y; Drouth, drauth = Drought.

Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee); drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing; —r = veedrijver, veekooper.

Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be —ed), onder water zetten, uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While intending to — his dog, he himself was —ed = verdronk hij zelf; We were in danger of —ing = gevaar te verdrinken.

Drowse, drauz, subst. dutje; — verb. dommelen, slaperig zijn; Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.

Drub, drɐb, subst. slag, stoot; — verb. slaan, trommelen (met de vingers op), ranselen: You have brought me many —bings = veel ransel bezorgd.

Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; — verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; —ry = zware arbeid, verachtelijk werk.

Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar artikel; — verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen voorschrijven of gebruiken: Such things are a — in the labour market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; —gist, drogist; apotheker (Amer.).

Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.

Druid, drûid, druïde; vr. —ess; adj. Druidic(al); —ism = dienst of leer der druïden.

Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen, groote avondpartij; — verb. trommelen, hard kloppen (van het hart), bijeentrommelen, werven; — of the ear = trommelvlies; The soldier was —med out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A — and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; —-head = trommelvel; top van een kaapstander; soort v. kool: At a —-head = op staanden voet; —-major = tamboermajoor; —-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; —mer = trommelslager, handelsreiziger.

Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.

Drunk, drɐŋk, dronken: Ever —, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe dorstiger je wordt; To be —; To get — = dronken worden; —ard = dronkaard; —en = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. —enness.

Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.

Drury, drûri: — Lane.

Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat voorkomt.

Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.

Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig, sarcastisch; — verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst versmachten: A — blow = een flinke opstopper; A — old file = droog komiek; —-wine = belegen (niet zoet); Madera — = belegen, niet zoet meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried up again = verviel weer tot stilzwijgen; —-as-dust = droog, saai; droog kamergeleerde; —-beaten = flink afgeranseld; He is a —-bob = jongen te Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover wet-bob; —-boned = knokig; —-dock = droogdok; —-eyed = met droge oogen; —-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten (vergl. To draw —-foot); hond hierbij gebruikt; —-goods = manufacturen; —-measure = maat voor droge waren; —-nurse = baker, min; inferieur die een superieur officier terecht helpt; — verb. met de flesch grootbrengen, voor dry-nurse spelen; —-point = punteerijzer; —-rot = vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a lot of — = hij kletst heel wat af; —-rub = droogschuren; —salt = zouten en drogen; —salter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in comestibles; —-shod = droogvoets; —-stove = broeikas (—ing-stove = droogoven); —ing-lines = drooglijnen; —ly = droog(jes) = Drily.

Dryad, draiad, dryade.

Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The — alliance = het tweevoudig verbond; —ism = dualisme; —ist = dualist; adj. Dualistic; Duality = tweevoudigheid.

Duan, djûən, zang (van een gedicht).

Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; — verb. tot ridder slaan, titel of naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof geluid maken: — a — = rataplan; We —bed him Charlie = noemden; The cock was —bed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht klaar gemaakt; To — cloth = appreteeren; —bing = mengsel van traan en talk om leer zacht te maken.

Dubash, dûbaš, Indische tolk.

Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig, onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. —ness; Dubitable = twijfelachtig, onzeker.

Dublin, dɐblin.

Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.

Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); —oon, dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).

Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.

Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik, buiging; lieveling; — verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen, kruipen: A lame — = iemand, die niet aan zijn financieele verplichtingen kan voldoen; —’s egg = 0 (Cricket); The boys were making (playing) —s and drakes = keilden steentjes over het water; He makes —s and drakes of his money = gooit zijn geld weg; —s = grof linnen matrozenbroek of kleeding; A —-billed bird = vogel met eendenbek; —-meat (—’s-meat, —-weed) = eendenkroos; —-pond = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); —er = kruiper; zeeduiker, waterspreeuw; —ing = onderdanig; eendenjacht, nat pak: —ing-gun = eendenroer; —ing-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening; —ling = jonge eend; —y = snoes.

Duct, dɐkt, leiding, buis; —ile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar, toegevend, rekbaar; subst. Ductility.

Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.

Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).

Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).

Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She left in (high) — = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into — = verknoeide.

Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.

Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds —s); adj. en adv. schuldig, verschuldigd, vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my — = dat komt mij toe; Give every man his — = geef ieder het zijne; I had been — at my office for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is — at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) — on the twentieth = vervalt op; The post is — out = de post vertrekt; In — course = op zijn tijd; He came in — time = juist op tijd; — east = vlak oost; —-bill = promesse; —ness = gepastheid.

Duel, djû’l, subst. duel; — verb. duelleeren; —list = duellant.

Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); —ship = het ambt van D.

Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play —s = quatre-mains; Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.

Duff, dɐf, zakkoek.

Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).

Duffel, dɐf’l, duffel.

Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch geldstuk: He is but a flat — = een echte sufkous.

Duffle, dɐf’l = Duffel.

Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: —-out = boomkano, uitgegraven woning (Amer.).

Dug, dɐg, tepel of uier.

Duke, djûk, hertog; —dom = hertogdom.

Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.

Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking; Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.

Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.

Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de Dulcit-manna van Madagascar.

Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil, saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; — verb. dof (bot, stom, traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat worden, bewolken, verdooven: A — market = slappe; — of hearing = hardhoorig; — of sale = traag (van de hand); —-brained = stomp, traag (van hersens); —-browed = somber uitziend; —-disposed = somber gestemd; —-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; —-sighted = slecht van gezicht; —-tempered steel = dof staal; —-witted = dom, sufferig; —ard, dɐləd = domkop, botterik; —ish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte in zaken.

Dulse, dɐls, roodwier.

Dulwich, dɐlidž.

Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.

Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me — = het heeft mij de spraak benomen; —-bells = halters (bij de gymnastiek); —-cake, gebak, door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te ontdekken; —-show = pantomime; —-waiter = dientafeltje, stommeknecht.

Dumbarton, dɐmbât’n.

Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.

Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.

Dumfries, dɐmfrîz.

Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: — bullets.

Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant; persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde deuren; He is not a man, he is a — = pop; Double — = whist met twee personen.

Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest —s: I am in the —s = somber gestemd); — verb. neergooien, ledigen, hydraulisch persen, neerploffen (Amer.); —ing-cart = stortkar; —ing-ground = vuilnisbelt (ook fig.); —ish = verdrietig; subst. —ishness; —(t)y = kort en dik, verdrietig.

Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.

Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk; adj. dofbruin, somber; — verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; —-fish = bruine gezouten kabeljauw; —-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.

Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.

Dunce, dɐns, ezel, domkop.

Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.

Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop; adj. dom.

Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.

Dune, djûn, duin.

Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.

Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; — verb. bemesten; —-beetle = mestkever; —hill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.

Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.

Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.

Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; — verb. inkerkeren.

Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.

Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.

Dunlop, dɐnləp, Dunlop; —-tyre = fietsband (naar den uitvinder genoemd); vette kaas (Schotl.).

Dunmow, dɐnmou: — flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren, die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben gehad.

Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; — verb. stuwen.

Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.

Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.

Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.

Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).

Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.

Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; — verb. bedriegen; —ry = bedriegerij.

Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig; — verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken; subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog, huichelarij.

Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.

Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.

Duramen, djureim’n, kernhout.

Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = — vile.

Duration, djureiš’n, duur.

Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.

Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst; gala-receptie van den Viceroy.

Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming: To be under —.

Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.

Durham, dɐr’m.

Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).

During, djûriŋ, gedurende.

Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.

Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the — of the evening; —iness = donkere kleur; droefheid; —ish = ietwat donker; —y = somber, donker, droevig.

Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; — verb. afstoffen, bestuiven: In — and ashes = in zak en assche; The enemies bit the — = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a — spektakel maken; The rain has laid the — = het stof neergeslagen; To throw — in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was turned to — and ashes = werd waardeloos; I will — your jacket = je een pak ransel geven; —-bin = aschvat; —-cloak = stofjas, stofmantel; —-contractor = aannemer van het straatvuilnis; —-hole = aschhok; —man = vuilnisman, aschman: The —man = Klaas Vaak; —-pan = blik; —-sheet = stoflaken; —-speck = stofje; —er = stofdoek, borstel; —iness = stoffigheid; —y = stoffig, stormig: Well it’s not so — = kom, zoo erg is het niet.

Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The — = de Nederlanders; Double — = koeterwaalsch; That beats the — = dat is ongelooflijk (Amer.); — auction = verkooping bij afslag; — blue = lakmoes; — cheese = Edammer kaas; — clinkers = gele klinkersteenen; — clock = Schwarzwalder klok; — concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen; kikkergekwaak; — courage = jenevermoed; — disease = scheurbuik; — drops = terpentijnbalsem; — gold (metal) = klatergoud, bladgoud; —man = Nederlander: If it is not true, I’m a —man = laat ik me hangen; — oven = kleine oven; — stairs = huistrap; — tiles = haardsteentjes; — toys = Neurenberger speelgoed; — treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder voor zich zelf betaalt; — uncle: To talk like a — uncle = een strafpredikatie houden.

Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. —ness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden? You are in — bound to go there = verplicht; (Up)on —, off — = in dienst (op wacht), vrij; Succession — (duties) = successie-rechten; —-free = vrij van belasting.

Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. —s of Duumviri, djuɐmvirai); —ate = duümviraat.

Dux, dɐks, leider, primus (op school).

Dwarf, dwöf, subst. dwerg; — verb. den groei belemmeren, klein doen lijken, klein blijven: Famine has —ed the race = in forschheid achteruit doen gaan; —-wall = grondmuur.

Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I shall not — any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye dwelt on her child = rustte vol teederheid op; —er = bewoner; —ing = woning; —ing-house; —ing-place.

Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.

Dyak, daiak, Dajakker.

Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; — verb. verven (van stoffen): A villain of a first-class — = schurk van ’t ergste soort = of the blackest —; Deeply —d criminal = doortrapte; —-house = ververij; —-stuff = verfstof; —-wood = verfhout; Red —-wood = fernambukhout; —r = stoffenverver.

Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen; subst. stervenden, sterven: To be in a — condition = op sterven liggen; —-bed = sterfbed. Zie Die.

Dyke, daik = Dike.

Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks, dynamica.

Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter); Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: — explosions = dynamietontploffingen.

Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.

Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.

Dysart, daizət, dizât.

Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.

Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.

Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.

E.

E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast) I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent); Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. = Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer; Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp = Eis (muziek); E flat = Es (muziek).

Each, îtš, subst. en adj. elk: — other = elkander.

Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. —ness.

Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; —-eyed (= —-sighted) = met arendsoogen; —-flighted = met eene arendsvlucht; —-pinioned = met arendsvlerken = —-winged; Eaglet = jonge arend.

Eagre, îgə, eigə, springvloed.