Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 43
Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; — verb. filtreeren, ziften; —ing-bag = doorzijgzak; —ing-machine = filtreermachine; —ing-paper = filtreerpapier; —ing-stone = poreuze steen.
Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = —iness; adj. —y.
Filtrate, filtreit, subst. filtraat; — verb. filtreeren; subst. Filtration.
Fin, fin, vin: Pectoral and ventral — = borst- en buikvin; —-footed, —-toed = met zwemvliezen aan de pooten.
Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.
Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: —-cause = einddoel: He does not believe in —-causes = hij ontkent de teleologie; — decision = eindbeslissing; — proof = afdoend bewijs; — success = succes ten slotte; —ity, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; —ly = ten slotte.
Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: —s = geldmiddelen, fondsen; — verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He —s the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people —d the movement = steunden de beweging geldelijk; He —d his nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə, finansîə.
Finch, finš, vink: A —-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit gevlekte koe.
Find, faind, subst. ontdekking, vondst; — verb. vinden, ontdekken, bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you — me a pen = voor mij zoeken? She was to — linen = zou zorgen voor; We took furnished apartments, only —ing plate and linen = moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not — it in my heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend; She could not — herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will — you in pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to — me in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to — it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; —-fault = bedilal; —-spot = vindplaats; —er = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; —ing = resultaat, uitspraak; —ings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); —ing-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).
Fine, fain, subst. einde; geldboete; — verb. beboeten: In — = kortom, ten slotte.
Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp, spits, zuiver; helder, klaar; — verb. klaren (down), zuiveren, frisschen, affineeren: A — whist-player = goed; The — flower of the aristocracy; I have run it very — = ik heb het er precies afgebracht, het was “er aan toe”; — arts = fraaie kunsten; —-draw = een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; —-drawn = erg gezocht (fig.); —-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; —-spun = fijn (uit)gesponnen; —-still = distilleeren uit bijprodukten der suikerraffinaderij; —-stuff = pleisterkalk; —ness = fijnheid, zuiverheid, etc.; —r = frisscher; —ry = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.
Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; — verb. list gebruiken.
Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte), vingervaardigheid; — verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen: He has his — in it = hij is erbij betrokken; He has his — in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my —-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his — at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a — = ik steek geen hand uit; He was —ing his watch-chain = beuzelde met; —-alphabet, —-and-sign-language = vingerspraak; —-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); —-bowl (—-glass) = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); —-plate = deurplaat; —-post = handwijzer; —-prints = vingerindrukken; —-reading = lezen door blinden; —-stall = vingerling; —ed = gevingerd: The —ed gentry = de Heeren dieven; —ing = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.
Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.
Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t schrijven).
Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven, kieskeurig.
Finis, fainis, einde, slot.
Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a fight to the — = tot de beslissing viel = They fought to a —; That —ed him = toen had hij genoeg, was hij dood; —ing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); —ing-school = meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.
Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; adj. eindig; subst. —ness.
Finland, finland; —er = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch, Finlandsch.
Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.
Finny, fini, gevind.
Fionia, fiounjə, Funen.
Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.
Fiord, fjöd, fjord.
Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; —-apple, —-cone = pijnappel; —-poles = juffers; —-tree.
Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het schieten, hel; — verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon luiden: The house is on — = in brand; We were under — = aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch — = vuur vatten; The piece hangs — = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung — = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung — = hokte; My gun missed — = ketste; They opened a raking — = begonnen moorddadig te vuren; To set on — (= To set — to) = in brand steken; He will never set the Thames on — = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s — = de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take — = vuur vatten, in brand raken; I took — = vatte vuur, stoof op; —! = vuurt; To — a gun, a mine, a shot; This —d my blood = maakte mijn bloed aan ’t koken; — away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was —d upon = er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is —d up = woedend; St.-Anthony’s — roos; Greek — = Grieksch vuur; Kentish — = een rhythmisch applaus; Running — = snelvuur; —-alarm = brandschel; —-annihilator, ənaihileitə, extincteur; —-arm = vuurwapen; —-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); —-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; —-basket = soort komfoor; —-bavin = rijsbundel op branders (schepen); —-blast = brand, ziekte in hop; —-board = schoorsteenscherm; —-box = vuurkast (van een locomotief); —-brand = brandend stuk hout; stokebrand; —-brick = vuurvaste steen; —-brigade = brandweer; —-brush = haardveger; —-bucket = brandemmer; —bug = brandstichter (Amer.); —-clay = vuurvaste klei; —-cock = brandkraan; —-company = assurantiemaatschappij; —-cracker = voetzoeker; —-dog = haardijzer; —-drill = vuurring gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps; —-eater = vuurvreter; ijzervreter; —-engine = brandspuit; —-escape = reddingstoestel (bij brand); —-extinguisher = extincteur; —-fly = glimworm; —-hook = brandhaak; —-hose = brandspuitslang; —-insurance = brandassurantie; —-irons = schop, tang en pook; —-kiln = vuurvaste oven; —-lighter = vuurmaker; —-lock = geweerslot; snaphaan; —man = brandweerman; stoker (Am.); —master = brandmeester (Amer.); —-new = fonkelnieuw; —-office = brandassurantiekantoor; —-place = haard; —-plug = brandkraan; —-policy = brandpolis; —-proof = tegen het vuur bestand; —-raising = brandstichting (Schot.); —-screen = vuurscherm; —-ship = brander; —-shovel = kolenschop; groote mond; —side = haard; —-station = brandweerkazerne; —-stick = wrijfstokje om vuur te maken; —-tube = kleine vlampijp (stoomketel); —-ward(en) = brandmeester; —-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën; —-wood = brandhout, brandstof; —work = vuurwerk: To hold a grand display of —works = een groot vuurwerk afsteken; —works will be let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; —-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond): —-iron = brandijzer.
Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.
Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst. firma; subst. —ness.
Firmament, fɐ̂məment, firmament; —al, fɐməment’l, hemelsch, tot het uitspansel behoorende.
Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van Oostersche vorsten).
First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the — I had heard of it = de eerste maal dat; To be — with a person = iemand vóór zijn; — come — served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; — and foremost = in de allereerste plaats; — and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; — or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) — = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from the — = van den aanvang af; —-begot(ten), —-born = eerstgeboren(e); —-call = ochtendbeurs; —-chop = eerste kwaliteit; —-class = eerste klasse, uitstekend: He got a —-class = den hoogsten graad (bij examens); —comer = de eerste (de beste); —-cost = inkoopsprijs; —-day = naam voor den Zondag bij de Quakers; —-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); —-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); —-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); —-hand = stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) —; —-mate = eerste stuurman; —-mover = oorspronkelijke beweegkracht; —-nighter = première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; —-proof = eerste proef (drukw. en alcohol); —-rate = A. 1. = (schip) van de eerste klasse, eerste rang: He is a —-rate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang; —-water = (van het) eerste water; —ling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.
Firth, fɐ̂th, Zie Frith.
Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M. (Schot.).
Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; — verb. visschen, afvisschen, opvisschen, uitvisschen: He’s like a — out of water = niet in zijn element; I have other — to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is — that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That is a pretty kettle of — = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose — = pierewaaier; A strange — = rare snaak; —-bladder = vischblaas; —-bone = graat; —-carver = vischmes; —-culture = vischteelt; —-curer = vischzouter, etc.; —-fag = vischwijf; —-flake = zwemblaas; —-fly = kunstvlieg (voor het visschen); —-garth = hekken aan den kant van een rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; —-gig = elger; —-glue = vischlijm; —-hawk = vischarend; —-hook = vischhaak; —-market = vischmarkt; —-maw = zwemblaas; —monger = vischkooper; —-oil = traan; —pond = vischvijver; —-slice = —-sound = zwemblaas van een visch; —-spear = harpoen; —-strainer = vischschotel; —-tackle = vischgerei; —-tail-burner = vleermuis (gasbrander); —-torpedo; —-trowel = —-weir = —garth; —wife (—woman) = vischvrouw; He —ed for a compliment = hij vischte naar; He has —ed it out = het uitgevischt; —er = visscher, ijsvogel, Canadeesche marter; —er-boat = visschersboot; —erman = visscher, visschersschuit; —ery = visscherij: The —eries = de visscherijtentoonstelling; —iness = vischachtigheid, verdachtheid; —ing-boat = visschersschuit; —ing-line = vischsnoer; —ing-net = vischnet; —ing-rod = hengel-roede; —ing-smack = visscherspink; —ing-tackle = vischtuig; —like = vischachtig; —y = vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks —y = ziet er verdacht uit.
Fisk, fisk, druk zijn.
Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped, fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; — verb. splijten: — needle = hechtnaald.
Fist, fist, vuist; — verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close —ed = vrekkig; A —ic fight = vuistgevecht; —icuffs: To be at — = Engaged in — = aan het bakkeleien.
Fistula, fistjulə, fistel: — lachrymalis = ontsteking van de traanklier; —r = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.
Fit, fit, aanval, stuip, gril: By —s and starts = bij buien, met tusschenpoozen; Beaten all to —s = lam geslagen; To frighten into —s = vreeselijk doen schrikken; She went into —s = kreeg het op de zenuwen, viel in onmacht; —ful = grillig; subst. —fulness.
Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook subst.; — verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten, monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is — = ongepast veel; I am as — as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be — for = geschikt; — for service = geschikt voor den dienst; To think — = het geschikt achten; To be a bad — = slecht zitten of passen; To be an exact — = als gegoten zitten; To be a tight — = er net in kunnen; It doesn’t — in with my plans = strookt niet met; A fleet was —ted out = werd uitgerust; The house was —ted up = gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That —s him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It —s it like a plug = het past precies; —ness = geschiktheid, enz.; —-out = uitrusting; —ter = monteur, kolenkoopman, leverancier; —ting = gepast; passen, monteering: —ings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; —ting-out = uitrusting; —ting-up = inrichting.
Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.
Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een koning of een prins van den bloede.
Five, faiv, vijf; —fold = vijfvoudig; —r = een bankbiljet van vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; —s, faivz, een soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of —s = de vuist; —s-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; —s-court = plaats, baan voor dit spel.
Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; — verb. bevestigen, vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten tot, kiezen: To — bayonets = opzetten; To — a mast, a pole = overeind zetten; They —ed themselves there = vestigden zich daar; To — in = in passen; We have —ed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I must try to — it up with you = in orde te maken, bij te leggen; —able = bevestigbaar, enz.; —ation = bevestiging, fixeering, enz.; —ative = fixeermiddel; —ed = vast, strak, niet vluchtig: —ed bodies = vaste lichamen; —ed oils = niet vluchtige oliën; —ed point = vaste post (van een soldaat of politie-agent); —ed stars = vaste sterren; subst. —edness; —ings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; —ity = vastheid, stabiliteit: —ity of purpose = vastheid van doel; —ture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a —ture = is stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn —tures = de voor den herfst vastgestelde wedrennen.
Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.
Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water (Amer.); — verb. sissen, bruisen; —le, subst. gesis, gebruis, gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; — verb. sissen, zoemen, bruisen: To —le out = uitgaan, volkomen mislukken.
Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.
Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A — face.
Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.
Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. —ity = —ness.
Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; — verb. seinen met vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: — of distress = noodvlag; — of truce = parlementaire vlag; Black — = vlag, dat geen kwartier zal worden gegeven; Red — = oproervlag; To dip the — = met de vlag salueeren; The —s were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the —s were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The —s were innocent of carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; —-lieutenant = adjudant van den —-officer = vlagofficier; —man = baanwachter; —ship = admiraalsschip; —-staff = vlaggestok; —stone = vloersteen, soort van zandsteen; —gy = vol gele lischbloemen.
Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; —giness = slapheid; —ging = verslappend; verslapping.
Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen; subst. Flagellation.
Flageolet, fladžəlet, flageolet.
Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. —ness.
Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.
Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid; Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was — = woedde.
Flail, fleil, dorschvlegel; — verb. dorschen.
Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); — verb. tot vlokken vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: — of ice = ijsschots; —-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of schilferachtige toestand; adj. Flaky.
Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; — verb. wijsmaken.
Flambeau, flambou, flambouw.
Flamborough, flambərə.
Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.
Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje; — verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is all in a — for the measure = vuur en vlam voor; To set on — = in vlammen zetten; —-colour = helgele kleur; — eyed = met vurige oogen; —-shaped = gegolfd.
Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.
Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.
Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.
Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.
Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).
Flanders, flândəz, Vlaanderen: — brick = poetssteen.
Flane, flein, flaneeren: They lazed and —d about the boulevards = slenterden en flaneerden.
Flange, flanž, flens, opstaande rand; — verb. van flens of rand voorzien: —-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.
Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; — verb. flankeeren, zich aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank dekken of bestrijken of omtrekken; —-company = de uiterste rechter- of linker-compagnie van een bataljon; —-files = de eerste twee mannen aan de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; —er = subst. flankeur.
Flannel, flan’l, flanel; —ette = katoenflanel.
Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; — verb. flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails —ped in thunder = flapten met donderend geraas; —doodle = geklets, klare onzin; —-dragon = spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; —-eared = met slappe ooren; —-hat = slappe hoed; —-mouthed = met hanglippen; —-table = klaptafel; —-window = opslaand dakraam; —per = breede dikke vin (v. een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend, bakvischje (fig.).
Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; — verb. flikkeren, vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A —-up = opflikkering, gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He —d up = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.
Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting, mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven - -, opzichtig, onecht; — verb. flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, schieten, vliegen: For a — = voor een oogenblikje; A — in the pan = ketsschot, mislukte poging; — of lightning = bliksemflits; — of wit = geestige inval; — language = dieventaal; The thought —ed across my mind = schoot mij te binnen; The news was —ed to America = geseind naar; —-house = helershuis; —man = schurk; To raise the —-point of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; —iness = opzichtigheid, smakeloosheid; —ing: —-light = flikkervuur (vuurtoren); —y = opzichtig.
Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.
Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.
Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw, lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd; subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak, volkomen; — verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A — affair = een vervelend iets; — candlestick = blaker; — calm = volkomen windstilte; D-— = D-mol; I could not give him a — denial = kon hem niet zoo botweg weigeren; The — infinitive = de inf. zonder to; That is a — lie = een infame leugen; His defence fell — on the assembly = maakte niet den minsten indruk; To lie — on the ground = plat, languit; I won’t go there, and that’s — = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; — and plain = ronduit; —-bottomed = platboomd; —-cap = formaat v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; —-fish = platvisch; domoor; —-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); —head = groentje (Amer.); —-iron = vlak-, strijkijzer; —-race = wedloop zonder hindernissen; —-roofed = met een plat dak; —ten = plat, smakeloos, neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To —ten the sail = scherp aanbrassen (halen); —ter = pletter (hamer); —ting-mill = pletmolen; —tish = ietwat plat; —wise = met de platte zijde naar beneden.
Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig voorstellen; —er = vleier; —y = vleierij.
Flatulence, —cy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid; Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.
Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; —y = pronkerig, opgedrild.
Flautist, flôtist, fluitist.
Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; — verb. smakelijk of geurig maken; —ing = geurtje, kruiderij; —less = zonder geur of smaak.
Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; — verb. barsten, scheuren; —less = zonder gebreken, onberispelijk.
Flax, flaks, subst. vlas; —-comb = vlashekel; —-dressing = vlasbereiding; —-raiser = vlasverbouwer; —-seed = lijnzaad; —en = van vlas, vlaskleurig, goudgeel: —en-headed, —en-haired; —y = vlasachtig, vlaskleurig.
Flay, flei, villen, martelen; —-flint = vrek.
Flea, flî, vloo: He came away from the races with a — in his ear = hij kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a — in my ear = maakte me ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en scherp af, scheepte hem af; He skins a — for its hide = ziet op een cent; He sticks to it like a — to a fleece = als eene vloo aan een wollen deken; —-bane = vlooienkruid; —-bite = vlooienpik, onbeduidende verwonding; bagatel; —-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met roode vlekken op lichten grond.
Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of —s = etui met laatmessen.
Fleance, flîəns. Fleck, flek, subst. vlek, streep; — verb. bespikkelen, met streepen bedekken.